woordjes F Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes F > Flashcards

Flashcards in woordjes F Deck (345):
1

fabricant, le

de fabrikant

2

fabrication, la

de vervaardiging

3

fabrique, la

de fabriek

4

fabriquer; fabriqué

fabriceren, gefabriceerd

5

fabuleux; fabuleuse, fabuleux

fabuleus, onwaarschijnlijk

6

façade, la

de voorgevel

7

face, la

het aangezicht

8

face à

aan de overzijde, tegenover

9

fâcheux; fâcheuse, fâcheux

(een) vervelend (feit)
betreurenswaardig

10

facile; facile

(het is) gemakkelijk

11

facilement

gemakkelijk

12

facilité, la

de gemakkelijkheid

13

faciliter

vergemakkelijken

14

facilités f, les

de faciliteiten (mogelijkheden)

15

façon, la

de wijze, de manier

16

façonner

bewerken, vormen, vormgeven

17

facteur, le

de postbode
de factor

18

facture, la

de factuur

19

fade; fade

smakeloos (smakeloze voeding)

20

faible; faible

(een) zwak (kind)

21

faiblement

zwak

22

faiblesse, la

de zwakheid

23

faiblir

verzwakken

24

faillir

tekortschieten

25

faillir + inf

weinig schelen of

26

faim, la

de honger

27

fainéant

(een) nietsdoend (persoon)

28

faire

doen

29

faire appel à

een beroep doen op

30

faire connaissance de

kennis maken met (iemand)

31

faire cuisine

koken (gerechten maken)

32

faire de gymnastique

turnen

33

faire des courses

boodschappen doen

34

faire des progrès

vorderingen maken

35

faire face

het hoofd bieden (aan)

36

faire faillite

failliet gaan

37

faire le ménage

het huishouden doen

38

faire le plein

(de wagen) vol tanken

39

faire le tour du monde

een reis om de wereld maken

40

faire l'hypocrite

huichelen (zich beter voordoen)

41

faire mal

pijn doen

42

faire mieux de

er beter aan doen te

43

faire partie de

behoren tot (een groep), deel uitmaken van (een groep)

44

faire peur à

(de kinderen) bang maken

45

faire prévaloir

(zijn rechten) doen gelden

46

faire sa toilette

toilet maken, zich wassen

47

faire semblant

doen alsof (men lacht)

48

faire signe

een teken geven

49

faire tort

(iemand) onrecht aandoen

50

faire-part, le

de kennisgeving (van een huwelijk)

51

faisable, faisable

(een) doenbaar (werk)

52

faisceau, le; les faisceaux

de bundel (licht)

53

fait, le

het feit

54

falloir; fallu

nodig zijn, nodig geweest

55

fameux; fameuse; fameux

(een) befaamd (verhaal)

56

familial; familiale; familiaux

(een) familiaal (probleem)

57

familier; familière

(een) vertrouwd (gezicht)

58

famille, la

de familie

59

famille, la

het gezin

60

famine, la

de hongersnood

61

faner

verwelken

62

fantaisie, la

de fantasie

63

fantastique; fantastique

(dat is) fantastisch

64

fantôme, le

het spook

65

farce, la

de grap (poets)

66

farceur, le

de grappenmaker

67

farine, la

de bloem (om brood te bakken)

68

farouche, farouche

(een) schuw (kind)

69

fascinant

fascinerend, boeiend, betoverend

70

fatal; fatale; fatals

(een) fataal (ongeluk)

71

fatalité, la

het noodlot

72

fatigant

(een) vermoeiend (werk)

73

fatigué

moe (zijn)

74

fatiguer

vermoeien

75

faubourg, le

de buitenwijk

76

faussement

verkeerd, fout, vals

77

fausser

vervalsen

78

faute, la

de fout

79

faute de

bij gebrek aan (geld)

80

faute de

zonder

81

fauteuil, le

de zetel (1 persoon)

82

fauteuil à bascule, le

de schommelstoel

83

fautif; fautive

(het is) foutief

84

faux; fausse

(een) vals (document)

85

faveur, la

de gunst

86

favorable; favorable

gunstig gezind (zijn tegenover iemands plannen)

87

favori; favorite

(een) favoriet (zanger)

88

favoriser

(iemand) begunstigen

89

fax, le; les fax

de fax

90

fécond

vruchtbaar (land)

91

fédéral; fédérale; fédéraux

federaal (een federale staat)

92

fédération, la

de federatie

93

feindre

veinzen

94

feinte, la

de schijnbeweging (van een bokser)

95

félicitations

gefeliciteerd

96

féliciter

feliciteren

97

femelle, la

het wijfje

98

féminin

vrouwelijk

99

femme, la

de vrouw
de echtgenote

100

femme de ménage, la

de werkvrouw

101

femme fatale, la

de vamp

102

fendre

(hout) splijten

103

fenêtre, la

het venster

104

fente, la

de spleet, de barst, de kloof

105

fer, le

het ijzer

106

fer à repasser, le; les fers à repasser

het strijkijzer

107

ferme, la

de boerderij

108

ferme; ferme

stevig, hard, vast

109

ferment, le

de gist

110

fermer; fermé

sluiten, gesloten

111

fermeté, la

de vastberadenheid

112

fermeture éclair, la

de rits (ritssluiting)

113

fermier, le

de boer

114

féroce; féroce

(een) bloeddorstig (dier)

115

ferry-boat, le

de ferry

116

fertile; fertile

vruchtbaar (land)

117

fervent

(een) vurig (liefhebber van Mozart)

118

ferveur, la

de vurigheid (een werk voltooien
met vurigheid)

119

festival, le; les festivals

het festival

120

fête, la

het feest

121

fêter

feesten

122

feu, le; les feux

het vuur

123

feu

zaliger, wijlen (de koningin zaliger)

124

feu d'artifice, le

het vuurwerk

125

feu de signalisation, le

het verkeerslicht

126

feuillage, le

het gebladerte

127

feuille, la

het blad (papier)

128

feuilleter

(een boek) doorbladeren

129

feuilleton, le

het feuilleton

130

février

februari

131

fiable, fiable

(een) betrouwbaar (man)

132

fiançailles f, les

de verloving

133

fiancé, le

de verloofde

134

ficeler

(een pakje) dichtbinden (met touwtjes)

135

ficelle, la

het touwtje

136

fiche, la

de steekkaart (fiche)

137

fichier, le

de file, het bestand

138

fictif; fictive

fictief, denkbeeldig

139

fiction, la

de fictie

140

fidèle; fidèle

trouw (zijn)

141

fidéliser

(klanten aan zich) binden

142

fidélité, la

de trouw (aan een vriend)

143

fier

fier (zijn)

144

fierté, la

de fierheid

145

fièvre, la

de koorts

146

figure, la

het gelaat

147

figuré

figuurlijk, beeldend

148

figurer

voorkomen (op een lijst)

149

fil, le

de draad

150

fil de fer, le

de ijzerdraad

151

filer

ervandoor gaan

152

filet, le

het net (tennis)

153

fille, la

de dochter

154

fille, la

het meisje

155

fillette, la

het meisje (kind)

156

filleul, le

het petekind

157

film, le

de film

158

fils, le

de zoon

159

filtre, le

de filter

160

filtrer

filtreren, doorsijpelen

161

fin, la

het einde

162

fin

fijn

163

final; finale; finals (finaux)

eind- (de eindresultaten)

164

finalement

tenslotte

165

financer; financé

financieren, bekostigen, bekostigd

166

finances f, les

de financiën

167

financier; financière

(een) financieel (probleem)

168

financièrement

financieel

169

finir; fini

beëindigen, beëindigd

170

firme, la

de firma

171

fisc, le

de fiscus

172

fiscal; fiscale; fiscaux

fiscaal (recht)

173

fiston, le

de zoon, de jongen

174

fixation, la

het bevestigen (het vastmaken)

175

fixe; fixe

vast (een vaste woonplaats)

176

fixer; fixé

(een datum) vastleggen

177

flacon, le

het flesje (parfum)

178

flagrant

flagrant (een flagrante leugen)

179

flamand

Vlaams

180

flambeau, le

de fakkel

181

flamber

branden

182

flamme, la

de vlam

183

flanc, le

de flank

184

flâner

slenteren (door de straten)

185

flaque, la

de plas (regenwater)

186

flatter

(iemand) vleien

187

flatteur, le

de vleier

188

flèche, la

de pijl

189

fléchir

(onder een gewicht) buigen

190

flétrir

verwelken

191

fleur, la

de bloem

192

fleurir

bloeien (de rozenstruik bloeit mooi)

193

fleuriste, le

de bloemist

194

fleuve, le

de stroom (rivier)

195

flexible; flexible

(een) buigzaam (karakter)

196

flocon, le

de vlok (haver)

197

flots m, les

de golven (van de zee)

198

flotte, la

de vloot (groep schepen)

199

flotter

(op het water) drijven

200

flotter dans ses vêtements

in zijn kleren zwemmen, ruime kleren aan hebben

201

flou

wazig (een wazige film)

202

fluo

fluo

203

flûte, la

de fluit

204

foi, la; les fois

het geloof

205

foie, le

de lever

206

foin, le

het hooi

207

foire, la

de jaarmarkt

208

fois, la; les fois

de keer

209

folâtrer

stoeien (kinderen stoeien bij het spelen)

210

folie, la

de waanzin (dat is je reinste waanzin!)

211

foncé

donker (bruin)

212

foncer

graven, boren

213

fonction, la

het ambt (een ambt uitoefenen)

214

fonction, la

de functie

215

fonctionnaire, le

de ambtenaar

216

fonctionnel; fonctionnelle

functioneel

217

fonctionnement, le

de werking (van een machine)

218

fonctionner; fonctionné

functioneren, gefunctioneerd

219

fond, le

de bodem (van een put)

220

fondamental; fondamentale; fondamentaux

(een) fundamenteel (probleem)

221

fondateur, le

de oprichter (van een vereniging)

222

fondation, la

de stichting (oprichting)

223

fondé

(een) gegrond (verwijt)

224

fondement, le

de grondslag (basis)

225

fonder

(een school) oprichten, stichten

226

fondre; fondu

(boter) smelten, gesmolten

227

fondre en larmes

in tranen uitbarsten

228

fonds, le

het fonds

229

fontaine, la

de fontein

230

football, le

het voetbal (spel)

231

force, la

de kracht (spieren)

232

forcé

gedwongen (zijn)

233

force majeure, la

de overmacht

234

forcément

noodzakelijkerwijze

235

forcer

(iemand) dwingen (iets te doen)

236

forces navales f, les

de zeemacht

237

forêt, la

het woud

238

foreuse, la

de boormachine

239

forfaire

verbeurdverklaren

240

forger

(ijzer) smeden

241

forgeron, le

de smid

242

forgeur, le

de smid, de vuursmid

243

forgeuse, la

de bedenkster, de uitvindster

244

formalité, la

de formaliteit

245

format, le

het formaat

246

formation, la

de opleiding (beroepsopleiding)

247

forme, la

de vorm (van een object)

248

formel; formelle

(een) formeel (contact)

249

former; formé

(een groep) vormen, gevormd

250

formidable; formidable

formidabel (zijn)

251

formulaire, le

het formulier

252

formule, la

de formule

253

formuler

formuleren

254

fort

sterk (zijn)

255

fortement

(iets) hevig (verlangen)

256

forteresse, la

de vesting (fort)

257

fortune, la

het fortuin (geld)

258

fosse, la

de kuil (leeuwenkuil)

259

fossé, le

de sloot

260

fou; folle

zot (zijn)

261

fou, le; les fous

de gek

262

fou rire, le

de slappe lach

263

foudre, la

de bliksem

264

foudroyant

(een) overweldigend (succes)

265

fouet, le

de zweep

266

fouiller

(de bagage) doorzoeken

267

fouillis, le

de warboel

268

foulard, le

de halsdoek

269

foule, la

de menigte (mensen), de massa

270

four, le

de oven

271

fourchette, la

de vork

272

fourmi, la

de mier

273

fourneau, le

het fornuis

274

fournir

(levensmiddelen) leveren

275

fournisseur, le

de leverancier

276

fourrure, la

het bont (pels)

277

foyer, le

de haard (het haardvuur)

278

foyer, le

de huiselijke haard, het gezin

279

fracas, le

het lawaai, het geraas, de drukte

280

fraction, la

de fractie

281

fragile; fragile

breekbaar (glas)

282

fragment, le

het fragment

283

fraîcheur, la

de frisheid

284

frais; fraîche

vers (fruit)

285

fraise, la

de aardbei

286

franc; franche

openlijk (zijn tegenover iemand)

287

franc, le

de frank (munteenheid)

288

français, le

het Frans

289

français

Frans

290

Français, le

de Fransman

291

France, la

Frankrijk

292

franchement

(iets) ronduit (zeggen)

293

franchir

stappen over (een drempel)

294

franchise, la

de vrijstelling (verzekeringswezen)

295

francophone; francophone

Franssprekend

296

frapper

(op de deur) kloppen

297

fraternité, la

de broederlijkheid

298

frauder

frauderen

299

frein, le

de rem

300

freiner

remmen

301

fréquence, la

de frequentie

302

fréquent

veelvuldig (gebruik)

303

fréquenter

(vaak) omgaan met (iemand),
(vaak) bezoeken

304

frère, le

de broer

305

frère jumeau, le; les frères jumeaux

de tweelingbroer

306

frésia, le

de fresia

307

friandise, la

het snoepgoed

308

frigo, le

de ijskast

309

frileux, frileuse, frileux

(een) kouwelijk (persoon)

310

fripé

verkreukeld (een verkreukelde mantel)

311

frire

(vis) bakken (in olie)

312

frise, la

de fries

313

Frison, le

de Fries

314

Frisonne, la

de Friezin

315

frissonner

huiveren (bij een gruwelijke gedachte)

316

frites f, les

de frieten

317

froid

koud

318

froisser

beschadigen, kwetsen, kneuzen

319

frôler

rakelings gaan langs

320

fromage, le

de kaas

321

front, le

het voorhoofd

322

frontal; frontale; frontaux

frontaal

323

frontière, la

de grens

324

frottement, le

de wrijving (bij een aanraking)

325

frotter

wrijven

326

fructueux; fructueuse; fructueux

vruchtbaar, succesvol

327

fruit, le

het fruit

328

fruitier, le

de fruithandelaar

329

fugitif; fugitive

voortvluchtig (zijn)

330

fuir

vluchten

331

fuite, la

de lek (in een buis)

332

fumée, la

de rook

333

fumer

roken

334

fumeur, le

de roker

335

fumeux; fumeuse, fumeux

(een) rokerig (vuur)

336

fureter

rondneuzen

337

furieux; furieuse; furieux

woedend (zijn)

338

fusée, la

de raket (vuurpijl)

339

fusible, le

de zekering (elektrisch)

340

fusil, le

het geweer

341

fusion, la

de fusie (van gemeenten)

342

fusionner

samensmelten, fuseren

343

fût, le

het vat (ton)

344

futur, le

de toekomst

345

fuyard, le

de voortvluchtige