woordjes N Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes N > Flashcards

Flashcards in woordjes N Deck (148):
1

nager

zwemmen

2

nageur, le

de zwemmer

3

naguère

onlangs

4

naïf; naïve

naïef (zijn)

5

nain, le

de dwerg

6

naissance, la

de geboorte

7

naître

geboren worden

8

Namur m

Namen

9

nappe, la

het tafelkleed

10

narcisse, le

de narcis

11

natation, la

het zwemmen

12

nation, la

de natie

13

national; nationale; nationaux

(het) nationaal (budget)

14

nationalisation, la

de nationalisering

15

nationalité, la

de nationaliteit

16

natte, la

de vlecht

17

nature, la

de natuur

18

naturel; naturelle

(een) natuurlijk (verschijnsel)

19

naturellement

natuurlijk, uiteraard

20

naufrage, le

de schipbreuk

21

naval; navale; navals

(de) zee(slag)

22

navette spatiale, la

het ruimteveer

23

navigation, la

de scheepvaart

24

navigation spatiale, la

de ruimtevaart

25

naviguer

(naar Engeland) varen

26

navire, le

het schip

27

navrant

schrijnend (schrijnende armoede)

28

navré

bedroefd (zijn)

29

geboren

30

ne (plus) savoir à quel saint se vouer

ten einde raad zijn, geen uitweg meer weten

31

ne fût ce que

al was het maar…

32

ne ... jamais

nooit

33

ne ... que

niet ... wat, slechts

34

ne ... rien; (pron. ind.)

niets

35

ne pas manquer de

niet nalaten te (schrijven)

36

ne plus savoir où donner de la tête

niet meer weten waar te beginnen,
overstelpt zijn met werk

37

néanmoins

niettemin

38

néant, le

het niets

39

nébulosité, la

de bewolking

40

nécessaire; nécessaire

noodzakelijk (zijn)

41

nécessairement

noodzakelijkerwijs, noodzakelijk

42

nécessité, la

de noodzaak

43

nécessiter

noodzakelijk maken

44

néerlandais, le

het Nederlands

45

néerlandais; néerlandais

Nederlands

46

néfaste; néfaste

(het is) noodlottig

47

négatif; négative

(een) negatief (resultaat)

48

négation, la

de ontkenning (van een feit)

49

négligeable; négligeable

(een) te verwaarlozen (feit)

50

négligence, la

de slordigheid

51

négligent

slordig (zijn)

52

négliger

verwaarlozen

53

négociation, la

de onderhandeling

54

négocier

onderhandelen

55

neige, la

de sneeuw

56

neiger; neigé

sneeuwen

57

n'en plus pouvoir

niet meer kunnen, doodop zijn,
uitgeput zijn

58

nerveux; nerveuse; nerveux

zenuwachtig (zijn)

59

net; nette

duidelijk (een duidelijke herinnering)

60

nettement

duidelijk, ronduit, onbetwist

61

netteté, la

de duidelijkheid (van een
geprojecteerd beeld)

62

nettoyage, le

de schoonmaak

63

nettoyer; nettoyé

schoonmaken, poetsen, gepoetst

64

neuf; neuve

(een) nieuw (kledingstuk)

65

neurochirurgien, le

de neurochirurg (m)

66

neurochirurgienne, la

de neurochirurg (v)

67

neutre; neutre

(een) neutraal (land)

68

neveu, le; les neveux

de neef

69

nez, le; les nez

de neus

70

niche, la

de nis

71

niche, la

het hok, het hondenhok

72

nicher

een nest maken (deze ooievaars maken
een nest op ons dak)

73

nid, le

het nest

74

nièce, la

de nicht (kind van broer)

75

nier

ontkennen

76

n'importe quel, n'importe quelle, n'importe
quels, n'importe quelles; (dét. ind.)

om het even welk(e), eender welk(e)

77

n'importe qui; (pron. ind.)

om het even wie, eender wie

78

n'importe quoi; (pron. ind.)

om het even wat, eender wat

79

nirvana, le

het nirwana

80

niveau, le; les niveaux

het niveau

81

noble; noble

(een) edel (karakter)

82

noblesse, la

de adel

83

noces f, les

de bruiloft

84

nocturne; nocturne

(een) nachtelijk (avontuur)

85

Noël

Kerstmis

86

noeud, le

de knoop (van een touw)

87

noir

zwart (een zwarte balpen)

88

noircir

(iets) zwart maken

89

noisette, la

de hazelnoot

90

noix, la

de noot (voedsel)

91

nom, le

de naam

92

nom de famille, le

de familienaam

93

nombre, le

het aantal

94

nombres cardinaux m, les

de hoofdtelwoorden

95

nombreux; nombreuse, nombreux

talrijk (zijn)

96

nomination, la

de benoeming (van een werknemer)

97

nommer

(zijn kind Erik) noemen

98

non

neen

99

nonante

negentig

100

nonchalamment

nonchalant, onverschillig

101

Nord-Africain, le; les Nord-Africains

de Noord-Afrikaan

102

normal; normale; normaux

(het is) normaal

103

normalement

normaal (zegt men...)

104

norme, la

de norm, de maatstaf

105

norvégien; norvégienne

Noors (van Noorwegen)

106

nostalgie, la

de heimwee

107

notable; notable

(een) opmerkelijk (feit)

108

notaire, le

de notaris

109

notamment

namelijk

110

note, la

de nota (in de agenda)

111

noter; noté

noteren, genoteerd

112

notice explicative, la

de gebruiksaanwijzing (handleiding)

113

notion, la

de notie (begrip)

114

notre, nos

onze

115

nouer

(een das) knopen

116

nouer

(contacten) aanknopen

117

nounours, le

de beer, de teddybeer

118

nourrir

voeden

119

nourriture, la

het voedsel

120

nous; (pron. pers.)

wij, we

121

nous: (avec) nous; (pron. pers.)

(met) ons

122

nouveau; nouvel, nouvelle, nouveaux

(een) nieuw (model)

123

nouveau; nouvel, nouvelle, nouveaux

(de) pas (gehuwden)

124

nouveau; nouvel, nouvelle, nouveaux

(de) nieuw(komers)

125

nouveau-né, le; la nouveau-née;
les nouveau-nés

het pasgeboren kind

126

nouveau-né; nouveau-née
nouveau-nés; nouveau-nées

pasgeboren

127

nouveauté, la

de nieuwigheid

128

nouvelle, la

het bericht

129

nouvelles f, les

het nieuwsbericht (het journaal)

130

novembre

november

131

noyade, la

de verdrinking

132

noyau, le; les noyaux

de pit (steenvrucht)

133

nu

naakt, bloot

134

nuage, le

de wolk

135

nuageux; nuageuse, nuageux

bewolkt (een bewolkte lucht)

136

nuance, la

de nuance

137

nuire; nui

schaden

138

nuisance, la

de overlast (milieuoverlast)

139

nuisible; nuisible

(een) schadelijk (product)

140

nuit, la

de nacht

141

nul (ne), nulle (ne); (pron. ind.)

niemand, geen enkel

142

nulle part

nergens

143

nullement

geenszins (storen)

144

numéro, le

het nummer

145

numéroter

nummeren

146

nu-pieds; nu-pieds

blootsvoets

147

nuptial; nuptiale; nuptiaux

huwelijks-, bruids-, bruilofts-

148

nylon, le

de nylon