woordjes J Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes J > Flashcards

Flashcards in woordjes J Deck (92):
1

jacasser

kwebbelen (veel en vlug praten)

2

jadis

eertijds

3

jaillir de

spuiten uit (het water spuit uit de fontein)

4

jalousie, la

de jaloezie

5

jaloux; jalouse, jaloux

jaloers (zijn)

6

jamais

ooit, altijd

7

jambe, la

het been (ledemaat)

8

jambon, le

de ham

9

janvier

januari

10

Japon, le

Japan

11

japonais

Japans

12

jardin, le

de tuin

13

jardinage, le

het tuinieren

14

jardinier, le

de tuinman

15

jargon, le

de vaktaal, het jargon

16

jaunâtre; jaunâtre

geelachtig

17

jaune; jaune

geel

18

jaune d'oeuf, le; les jaunes d’oeuf

de eierdooier

19

jaunir

geel worden

20

je suis désolé

het spijt me (dat...)

21

je suis ravi

ik ben dolblij (dat)

22

je vous en prie

ga uw gang

23

je, j'; (pron. pers.)

ik

24

jean(s), le

de jeans, de spijkerbroek

25

jet, le

de worp (het werpen)

26

jet d'eau, le

de waterstraal

27

jeter

(versleten schoenen) weggooien

28

jeter; jeté

gooien, werpen, gegooid

29

jeton, le

de penning (om te telefoneren)

30

jeu, le; les jeux

het spel

31

jeu de piste, le; les jeux de piste

het spoorzoeken

32

jeu d'esprit, le; les jeux d’esprit

de geestigheid (woordspeling)

33

jeudi

donderdag

34

jeune; jeune

jong (zijn)

35

jeûne, le

het vasten

36

jeûner

vasten (tijdens de week)

37

jeunes mariés m, les

het bruidspaar

38

jeunesse, la

de jeugd

39

job, le

de job, het baantje

40

joie, la

de vreugde

41

joindre

samenvoegen

42

joindre quelqu'un

iemand ontmoeten, aantreffen

43

joli

(een) mooi (jongetje)

44

joue, la

de wang

45

jouer; joué

spelen, gespeeld

46

jouer au tennis

tennis spelen

47

jouer la carte du hasard

aan het toeval overlaten

48

jouet, le

het speelgoed

49

joueur, le

de speler

50

jouir

(van het leven) genieten

51

jouissance, la

het genot

52

jour, le

de dag

53

jour de l'an, le

nieuwjaarsdag

54

jour férié, le

de feestdag

55

jour ouvrable, le

de werkdag

56

journal, le; les journaux

de krant

57

journaliste, le

de journalist

58

journée, la

de dag

59

joyeusement

vrolijk, met plezier

60

joyeux; joyeuse, joyeux

vrolijk (zijn)

61

jubilant

jubelend

62

judiciaire; judiciaire

rechterlijk (de rechterlijke macht)

63

judicieux; judicieuse, judicieux

(een) oordeelkundig (advies)

64

juge, le

de rechter

65

jugement, le

het oordeel

66

juger; jugé

(een situatie) beoordelen

67

juger

oordelen

68

juif, le

de jood

69

juif; juive

joods

70

juillet

juli

71

juin

juni

72

jumeau, le; les jumeaux

de tweeling

73

jumeler

(steden) verbroederen

74

jument, la

de merrie

75

junior, le

de junior, de jongere

76

jupe, la

de rok (dames)

77

jupe-culotte, la

de broekrok

78

jupon, le

de onderrok

79

jurer

(voor de rechtbank) zweren

80

juridique; juridique

(een) juridisch (handboek)

81

juron, le

de vloek (krachtterm)

82

jury, le; les jurys

de jury

83

jus, le

de saus

84

jus de tomate, le

het tomatensap

85

jusqu'à

tot (zes uur werken)

86

jusqu’au bout

tot het einde, helemaal

87

jusque

tot

88

juste

rechtvaardig (zijn)

89

justement

juist (oordelen)

90

justice, la

het gerecht (justitie)

91

justifier

rechtvaardigen, verdedigen

92

juteux; juteuse; juteux

(een) sappig (stuk fruit)