woordjes S Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes S > Flashcards

Flashcards in woordjes S Deck (790):
1

sable, le

het zand

2

s'abonner; abonné

zich abonneren, geabonneerd

3

sabot, le

de klomp (van de boer)

4

s'abriter

(onder een regenscherm) schuilen

5

s'abstenir

zich onthouden (van commentaar)

6

sac, le

de zak (een plastic zak)

7

sac à dos, le; les sacs à dos

de rugzak

8

sac à main, le; les sacs à main

de handtas

9

sac de couchage, le; les sacs de couchage

de slaapzak

10

s'accorder

overeenstemmen

11

s'accouder

met de ellebogen leunen (op de tafel)

12

s'accroître

toenemen (het bedrag neemt toe)

13

s'accroupir

hurken (neerhurken)

14

s'accumuler

zich opstapelen (het werk stapelt zich op)

15

s'acharner

zich hardnekkig toeleggen (op een taak)

16

sachet, le

het zakje (thee)

17

sacrifice, le

de opoffering

18

sacrifier

opofferen

19

s'adresser; s'adressant

zich wenden (tot iemand), zich richtend tot, bestemd voor

20

sage; sage

(een) braaf (kind)

21

s'agenouiller

knielen

22

sagesse, la

de wijsheid

23

s'aggraver

verergeren (de toestand van de zieke Is verergerd)

24

s'agiter

zich opwinden

25

saillant

(een) in het oog springend (detail)

26

saillir

vooruitsteken

27

sain

gezond

28

saint

heilig

29

saint, le

de heilige

30

sainteté, la

de heiligheid

31

saisir

(naar zijn wapen) grijpen

32

saison, la

het seizoen

33

salade, la

de sla

34

salaire, le

het salaris

35

salarié, le

de loontrekkende

36

sale; sale

vuil (zijn)

37

saler

(aardappelen) zouten

38

saleté, la

de vuilheid

39

salir

vuilmaken

40

salle, la

de zaal

41

salle à manger, la; les salles à manger

de eetkamer

42

salle d'attente, la; les salles d'attente

de wachtkamer

43

salle de bains, la; les salles de bains

de badkamer

44

salle de séjour, la; les salles de séjour

de huiskamer

45

salle du conseil, la

de raadzaal

46

s'allonger

zich uitstrekken, gaan liggen

47

salon, le

het salon

48

saluer; salué

(iemand) groeten, gegroet

49

salut!

hallo! (daag!)

50

salutation, la

de begroeting, de groet

51

samedi

zaterdag

52

s'améliorer

zich verbeteren (in hardlopen)

53

s'amuser; amusé

zich amuseren; zich geamuseerd hebben

54

sanatorium, le

het sanatorium

55

sanctuaire, le

het heiligdom

56

sandale, la

de sandaal

57

sandwich, le; les sandwiches

de sandwich

58

sangloter

snikken

59

sans

zonder

60

sans aucun doute

(de vergadering gaat) ongetwijfeld (door)

61

sans bornes

grenzeloos (een grenzeloze vreugde)

62

sans cesse

onophoudelijk (roken)

63

sans engagement

(de offerten zijn) vrijblijvend

64

sans interruption

onafgebroken (werken)

65

sans peine

zonder moeite

66

sans préjugés

(een) onbevooroordeeld (jurylid)

67

sans rien dire; (pron. ind.)

zonder iets te zeggen

68

santé, la

de gezondheid

69

s'apaiser

bedaren

70

saper

(iemands gezag) ondermijnen

71

s'appeler

(Johan) heten

72

s'appliquer

zich toeleggen (op de studie)

73

s'apprêter

zich klaarmaken (om iets te doen)

74

s'approcher; approché

naderen, naderbij komen, genaderd

75

sarcasme, le

het sarcasme

76

sardine, la

de sardine

77

s'arrêter

stoppen

78

s'articuler sur

zich richten op, zich toespitsen op

79

s'asseoir

gaan zitten

80

s'assoupir

indommelen, indutten

81

s'assurer

zich verzekeren (tegen brand)

82

satellite, le

de satelliet

83

satisfaction, la

de voldoening

84

satisfaire

voldoen (aan de eisen)

85

satisfaisant

(een) bevredigend (resultaat)

86

satisfait

voldaan (zijn)

87

s'attacher

zich hechten (aan een vriend)

88

s'attarder

blijven plakken (bij vrienden)

89

s'attendre

zich verwachten (aan het ergste)

90

saucisse, la

de worst

91

sauf

behalve

92

sauf-conduit, le; les sauf-conduits

de vrijgeleide

93

saugrenu

ongerijmd (een ongerijmde leugen)

94

saumon, le

de zalm

95

saupoudrer

(pannenkoeken) bestrooien
(met bloemsuiker)

96

saut, le

de sprong

97

sauter

(in het water) springen

98

sauvage; sauvage

(een) wild (dier)

99

sauver; sauvé

redden, gered

100

sauveur, le

de redder

101

savant, le

de geleerde

102

s'avérer

blijken te zijn

103

saveur, la

de smaak (van een vrucht)

104

s'aviser de

het in zijn hoofd halen (om)

105

savoir; su

weten, geweten

106

savoir par coeur

uit het hoofd kennen

107

savon, le

de zeep

108

savourer

(met volle teugen) genieten van

109

savoureux; savoureuse; savoureux

(een) smakelijk (stuk fruit)

110

scandale, le

het schandaal

111

scandaleux; scandaleuse; scandaleux

(een) schandalig (gedrag)

112

scanner, le

de scanner

113

scénariste, le

de scenarioschrijver

114

scène, la

de scène (van een toneelstuk)

115

sceptique; sceptique

sceptisch (zijn)

116

schéma, le

het schema

117

scie, la

de zaag (werktuig)

118

science, la

de wetenschap

119

sciences appliquées f, les

de toegepaste wetenschappen

120

scientifique; scientifique

(een) wetenschappelijk (artikel)

121

scier

(een plank) zagen

122

scintiller

fonkelen, glinsteren, flikkeren

123

scolaire; scolaire

school-, onderwijs-

124

scolarité obligatoire, la

de schoolplicht

125

scrupule, le

het gewetensbezwaar

126

scrupuleux; scrupuleuse; scrupuleux

gewetensvol (zijn)

127

scruter

(iemands motieven) doorgronden

128

sculpter

beeldhouwen

129

sculpteur, le

de beeldhouwer

130

sculpture, la

het beeldhouwwerk

131

se bagarrer

ruzie maken, vechten

132

se baigner

baden (in de zee)

133

se baisser

zich bukken

134

se balader

wandelen

135

se battre

vechten

136

se blesser

zich verwonden

137

se borner

zich beperken

138

se bousculer

elkaar omverlopen (in het gedrang)

139

se brosser les dents

zijn tanden poetsen

140

se cacher

zich verbergen

141

se casser la jambe; cassé

(een been) breken, gebroken

142

se chamailler

kibbelen

143

se chausser

zijn schoenen aantrekken

144

se cogner

zich stoten

145

se coiffer

zijn haar kammen

146

se complaire; complu

voldoening vinden, voldoening gevonden

147

se comporter

zich gedragen

148

se concentrer sur

zich concentreren (op)

149

se connaître

elkaar kennen

150

se consacrer

zich wijden (aan)

151

se contenter

zich tevreden stellen (met iets)

152

se contredire

zichzelf tegenspreken

153

se convaincre

zich overtuigen

154

se coucher; couché

gaan slapen, naar bed gaan,
naar bed gegaan

155

se couvrir

zich bedekken

156

se débarrasser

zich ontdoen (van oude rommel)

157

se débattre

zich verzetten

158

se débrouiller

zijn plan trekken, zich behelpen

159

se décider

het besluit nemen (iets te doen)

160

se déclarer

uitbreken (er is een brand uitgebroken)

161

se découdre

losgaan (de naad van de mantel ging los)

162

se décourager

de moed verliezen

163

se défendre

zich verdedigen

164

se défouler

zich afreageren

165

se dégoûter

een afkeer krijgen (van iets)

166

se délasser

ontspanning vinden

167

se demander

zich afvragen

168

se démettre

ontslag nemen

169

se dépêcher; dépêché

zich haasten, zich gehaast hebben

170

se déplacer

zich verplaatsen

171

se déplaire; déplu

zich niet thuis voelen, zich niet
thuis gevoeld (hebben)

172

se déprendre

zich onthechten van

173

se dérouler

zich afspelen (te Brussel)

174

se déshabiller

zich uitkleden

175

se désintéresser

zich niet meer interesseren

176

se détendre

zich ontspannen

177

se dévêtir

zich uitkleden

178

se dévouer

zich wijden (aan), zich opofferen

179

se diriger

zich begeven (naar)

180

se disputer

ruziemaken

181

se dissiper

optrekken (de mist trekt op), verdwijnen

182

se distinguer

zich onderscheiden

183

se distraire

zich vermaken

184

se divertir

zich vermaken, zich ontspannen

185

se douter

(iets) vermoeden

186

se fâcher

zich kwaad maken

187

se faire remarquer

opvallen (door zijn kleding)

188

se fatiguer

zich vermoeien

189

se fiancer

zich verloven

190

se figurer

zich voorstellen (stel je voor...!)

191

se friper

kreuken (die jurk kreukt snel)

192

se frotter

zich wrijven

193

se gêner

zich generen

194

se gratter

zich krabben

195

se hasarder

het erop wagen

196

se hâter

zich haasten

197

se heurter

stoten (op een afwijzing)

198

se justifier

zich rechtvaardigen

199

se lamenter

(over iets) jammeren

200

se lasser

(het saaie werk) beu worden

201

se laver

zich wassen

202

se lever; se levant

('s morgens om 7 uur) opstaan, opstaand

203

se libérer

zich bevrijden

204

se livrer

zich overgeven

205

se maintenir

zich handhaven

206

se manifester

zich voordoen (problemen)

207

se maquiller

zich schminken

208

se marier

(met iemand) trouwen

209

se méfier de; méfié

(iemand) wantrouwen, gewantrouwd

210

se mêler

zich moeien

211

se méprendre

zich vergissen

212

se mettre d'accord

het eens worden

213

se moquer; moqué

(met iemand) spotten, gespot

214

se mouvoir

zich bewegen

215

se munir

zich voorzien (van een kompas)

216

se nommer

(Anja) heten

217

se noyer

(zelf) verdrinken

218

se parer

zich mooi aankleden

219

se passer

gebeuren, voorvallen, verlopen

220

se peigner

(zijn haren) kammen

221

se pencher

zich vooroverbuigen

222

se pendre

zich ophangen, zich verhangen

223

se permettre

zich veroorloven

224

se placer

zich plaatsen

225

se plaindre

klagen

226

se préoccuper

zich bezorgd maken, zich bekommeren (om iets)

227

se présenter

zich voorstellen (aan iemand)

228

se préserver

zich beschermen (tegen de kou)

229

se presser

zich haasten

230

se procurer

zich verschaffen (zich kapitaal
verschaffen)

231

se produire

zich voordoen, gebeuren

232

se promener; promené

wandelen, gewandeld

233

se protéger

zich beschermen

234

se rabattre

(bruusk) invoegen (in een file)

235

se rafraîchir

zich verfrissen

236

se rappeler; rappelé

zich herinneren; zich herinnerd hebben

237

se raser

zich scheren

238

se rassembler

zich verzamelen (voor het station)

239

se rasseoir

weer gaan zitten

240

se recroqueviller

verschrompelen

241

se refroidir; refroidi

se refroidir; refroidi
afkoelen (het weer koelt af), afgekoeld

242

se réfugier

een toevlucht zoeken (bij iemand)

243

se régaler

smullen (van een lekker maal)

244

se réjouir

zich verheugen (over iets)

245

se remarier

hertrouwen

246

se rencontrer; rencontré

elkaar ontmoeten, elkaar ontmoet hebben

247

se rendre à

zich begeven naar

248

se rendre compte

beseffen (zich rekenschap geven)

249

se renseigner

informeren naar

250

se repentir

berouw hebben

251

se replier

in zichzelf keren, zich (in zichzelf) terugtrekken

252

se reposer; reposé

rusten, gerust

253

se reproduire

zich voortplanten

254

se résigner

zich neerleggen (bij een beslissing)

255

se ressaisir

zich herpakken (na een
woede-uitbarsting)

256

se ressembler; ressemblé

op elkaar gelijken; op elkaar geleken hebben

257

se ressouvenir

zich herinneren

258

se restreindre

bezuinigen (in zijn uitgaven)

259

se restreindre

zich beperken

260

se retrouver

elkaar terugvinden

261

se réunir

bijeenkomen (op een afgesproken plaats)

262

se réveiller; réveillé

wakker worden, wakker geworden (zijn)

263

se révolter

in opstand komen

264

se ruer vers; rué

zich haasten naar, afvliegen op,
afgevlogen op

265

se sauver

zich uit de voeten maken

266

se servir; servi

(van iets) gebruik maken, zich bedienen, zich bediend hebben

267

se soigner; soigné

zich verzorgen, zich verzorgd hebben

268

se soucier; soucié

zich bezorgd maken, zich bekommeren
(over), zich bekommerd hebben

269

se soumettre

zich onderwerpen

270

se souvenir; souvenu

zich herinneren, zich herinnerd hebben

271

se suivre

opeenvolgen (kinderen in een gezin)

272

se surmener

zich overwerken

273

se surpasser

zichzelf overtreffen

274

se taire

zwijgen

275

se tenir à l'écart de

zich verre houden van

276

se tordre de rire

zich een ongeluk lachen

277

se tromper; trompé

zich vergissen, zich vergist hebben

278

se valoir

evenveel waard zijn

279

se vanter

opscheppen (over zijn rijkdom)

280

se venger

zich wreken

281

se vêtir

zich kleden, zich aankleden

282

se voiler

(haar gezicht) sluieren

283

se, s'; (pron. réfléchi)

zich

284

séance, la

de zitting (van het parlement)

285

seau, le; les seaux

de emmer

286

s'ébattre

s'ébattre
stoeien

287

sec; sèche

(een) droog (terrein)

288

séchage, le

het drogen

289

s'écarter

afwijken (van de weg)

290

s'échapper

ontsnappen (uit een plaats)

291

sèche-cheveux, le; les sèche-cheveux

de haardroger

292

sèche-linge, le

de droogtrommel

293

sécher

(de was laten) drogen

294

sécheresse, la

de droogte

295

s'éclaircir

ophelderen (de lucht heldert op)

296

seconde, la

de seconde

297

secouer

schudden

298

s'écouler

wegvloeien

299

secourir

(iemand) ter hulp komen

300

secousse, la

de schok (van een aardbeving)

301

secret, le

het geheim

302

secret; secrète

geheim

303

secrétaire, la

de secretaresse

304

secrétariat, le

het secretariaat

305

s'écrier

uitroepen

306

s'écrouler; écroulé

instorten, ingestort

307

secteur, le

de zone, de plaats, de plek

308

secteur, le

de sector, de afdeling

309

section, la

de afdeling

310

sécurité, la

de veiligheid

311

sécurité sociale, la

de sociale zekerheid

312

séduction, la

de verleiding (van het meisje)

313

séduire

verleiden

314

séduisant

(een) verleidelijk (salaris)

315

s'effondrer

instorten

316

s'efforcer

zich inspannen

317

s'effrayer

schrikken

318

s'égarer

verdwalen

319

seigle, le

de rogge

320

seigneur, le

de heer (adellijk)

321

sein, le

de borst

322

séjour, le

het verblijf (kortstondig)

323

séjourner

verblijven (voor korte periode)

324

sel, le

het zout

325

s'élancer

toesnellen

326

sélection, la

de selectie

327

sélectionner

selecteren

328

s'élever à

oplopen tot (de kosten lopen op tot 20 euro)

329

selle, la

het zadel

330

s'éloigner

zich verwijderen (van een plek)

331

selon

volgens

332

selon lequel, selon laquelle, selon
lesquels, selon lesquelles; (pron. rel.)

volgens dewelke, volgens hetwelk

333

semaine, la

de week

334

semblable

gelijkaardig (zijn aan)

335

sembler

(nuttig) lijken

336

s'emboire

dof worden

337

s'emboîter

ineenschuiven (deze buizen schuiven perfect in elkaar)

338

s'embourber

vast raken (in de modder)

339

s'embrouiller

in de war raken

340

semelle, la

de zool (van de schoenen)

341

semer

zaaien

342

s'émerveiller

zich verbazen (over iets)

343

semestre, le

het semester

344

s'émouvoir

ontroerd worden

345

s'emparer

zich meester maken (van een object), bemachtigen

346

s'empresser

zich uitsloven

347

s'en aller

weggaan

348

s'en sortir

zich eruit redden

349

Sénat, le

de Senaat

350

sénateur, le

de senator

351

s'endormir

in slaap vallen

352

s'énerver

zenuwachtig worden

353

s'enfermer

zich opsluiten

354

s'enflammer

vuur vatten

355

s'enfoncer

wegzinken (in de modder)

356

s'enfuir; enfui

wegvluchten

357

s'engager

(een straat) inrijden

358

s'engager

zich engageren

359

senior, le

de bejaarde

360

s'enivrer

zich bedrinken

361

s'ennuyer; ennuyé

zich vervelen

362

s'enorgueillir de

ergens prat op gaan

363

s'enquérir

onderzoek doen

364

s'enrichir

zich verrijken

365

sens, le; les sens

het zintuig

366

sens giratoire, le

de verplichte rijrichting (op een rond punt)

367

sens interdit, le

de verboden richting

368

sens unique, le

het eenrichtingsverkeer

369

sensation, la

de gewaarwording

370

sensationnel; sensationnelle

sensationeel (zijn)

371

sensé

(een) zinnig (mens)

372

sensibilité, la

de gevoeligheid

373

sensible; sensible

gevoelig (zijn)

374

sensiblement

merkbaar, aanzienlijk, duidelijk

375

sensuel; sensuelle

sensueel

376

s'ensuivre

volgen uit

377

sentence, la

het vonnis (een vonnis uitspreken)

378

s'entendre

overeenkomen (met iemand)

379

sentier, le

het pad (weggetje)

380

sentier forestier, le

het bospad

381

sentiment, le

het gevoel

382

sentimental; sentimentale; sentimentaux

sentimenteel (zijn)

383

sentir; senti

voelen, gevoeld

384

sentir; senti

ruiken, geroken

385

s'entraîner

(zelf) trainen (voor een match)

386

s'entremettre

tussenbeide komen

387

s'envoler; envolé

wegvliegen (de losse papieren vliegen weg), weggevlogen

388

seoir

betamen

389

s'épanouir

zich ontplooien

390

séparable, séparable

(een) scheidbaar (deeltje)

391

séparation, la

de scheiding (van 2 dingen)

392

séparément

afzonderlijk (verkopen)

393

séparer

(twee zaken) scheiden

394

s'éprendre

verliefd worden

395

sept

zeven

396

septembre

september

397

séquence, la

de scène (film)

398

serein

sereen, rustig, kalm

399

sérénité, la

de sereniteit

400

sergent, le

de sergeant

401

série, la

de serie

402

sérieusement

serieus, ernstig

403

sérieux; sérieuse; sérieux

serieus (zijn)

404

serment, le

de eed

405

sermon, le

de preek

406

serpent, le

de slang (dier)

407

serre, la

de serre, de broeikas

408

serré

dicht opeen (staan)

409

serrer

(de hand) drukken

410

serrer à droite

rechts voorsorteren

411

serrer la main à quelqu’un

iemand de hand drukken

412

serrure, la

het slot (grendel)

413

serrurier, le

de slotenmaker

414

serveur, le

de ober

415

serviable; serviable

(een) hulpvaardig (man)

416

service, le

de dienst (inbegrepen)

417

service de secours, le;
les services de secours

de hulpdienst

418

serviette, la

de boekentas

419

serviette, la

de handdoek

420

servir; servi

bedienen (in het restaurant), opdienen, opgediend

421

servir de

dienen, fungeren als

422

serviteur, le

de dienaar

423

servitude, la

de onderworpenheid (slaafsheid)

424

s'estomper

vervagen, vervloeien

425

s'établir

zich vestigen

426

s'éteindre

uitdoven (het vuur dooft uit)

427

s'étendre

zich uitstrekken (over 3 hectaren)

428

s'étirer

zich uitrekken (bij het ontwaken)

429

s'étonner

zich verwonderen

430

seuil, le

de drempel

431

seul

alleen (zijn)

432

seulement

(een huis met) slechts (twee
verdiepingen)

433

s'évader

ontvluchten

434

s'évader; évadé

ontsnappen, ontvluchten, ontsnapt

435

s'évanouir

flauwvallen

436

s'évanouir; évanoui

flauwvallen, verdwijnen
flauwgevallen, verdwenen

437

s'évaporer

verdampen

438

sève, la

het sap (van bomen, planten)

439

s'éveiller

ontwaken

440

sévère; sévère

streng (zijn)

441

sévérité, la

de strengheid

442

sévir

streng optreden

443

s'excuser; excusé

zich verontschuldigen,
zich verontschuldigd hebben

444

s'exercer

zich oefenen (in iets)

445

s'exprimer

zich uitdrukken

446

s'habiller

zich aankleden

447

s'habituer

wennen (aan het klimaat)

448

si

als (indien)

449

si bien que

zodat

450

siècle, le

de eeuw

451

siège, le

de zitplaats

452

siéger

zitting houden

453

sieste, la

de siësta, het middagslaapje

454

sifflement, le

het gefluit

455

siffler; sifflé

fluiten, gefloten

456

signal, le; les signaux

het signaal

457

signalement, le

de persoonsbeschrijving

458

signaler; signalé

(een ongeval) melden, gemeld

459

signalisation, la

de bewegwijzering

460

signature, la

de handtekening

461

signe, le

het teken

462

signé

(een) ondertekend (schrijven)

463

signer

(documenten) ondertekenen

464

signification, la

de betekenis

465

signifier

betekenen

466

silence, le

de stilte

467

silencieux; silencieuse; silencieux

(een) stil (publiek)

468

silhouette, la

het silhouet

469

s'imaginer

zich inbeelden

470

s'impatienter

ongeduldig worden

471

simple; simple

(een) eenvoudig (probleem)

472

simplement

gewoonweg, simpelweg

473

simplicité, la

de eenvoud

474

simplifier

vereenvoudigen

475

sincère; sincère

oprecht (berouw)

476

sincérité, la

de oprechtheid

477

s'incliner

buigen (voor iemand)

478

s'indigner

zich verontwaardigen (over iets)

479

singe, le

de aap

480

singulier, le

het enkelvoud

481

singulier; singulière

bijzonder, buitengewoon

482

singulier; singulière

opvallend, eigenaardig

483

singulièrement

(zich) zonderling (gedragen)

484

sinistre; sinistre

(een) onheilspellend (voorteken)

485

sinistre, le

het onheil, de ramp

486

sinon

zo niet (anders...)

487

s'inquiéter; inquiété

zich zorgen maken, zich ongerust maken
zich ongerust gemaakt (hebben)

488

s'inscrire; inscrit

zich inschrijven,
zich ingeschreven hebben

489

s'installer

zich installeren

490

s'instruire

zich op de hoogte stellen (van de actualiteit)

491

s'intéresser

zich interesseren

492

s'interposer

bemiddelen (bij een ruzie)

493

sirène, la

de zeemeermin

494

sirop, le

de siroop

495

site web, le

de website

496

situation, la

de situatie

497

situé

(een goed) gelegen (winkel)

498

situer

situeren

499

six

zes

500

ski, le

de ski

501

skier

skiën

502

slogan, le

de slagzin

503

snob; (inv)

snob

504

sobre; sobre

sober (zijn)

505

sobriquet, le

de scheldnaam

506

s'obstiner

(hardnekkig) volhouden (iets te doen), volharden

507

s'occuper

zich bezighouden (met iets)

508

social; sociale; sociaux

(het) sociaal (contact)

509

socialisme, le

het socialisme

510

société, la

de maatschappij (samenleving)

511

société anonyme, la

de naamloze vennootschap

512

socioculturel; socioculturelle

sociaal en cultureel

513

sociologue, le

de socioloog

514

soeur, la

de zus

515

soeur jumelle, la

de tweelingzus

516

soi-disant

zogezegd, zogenaamd

517

soie, la

de zijde (stof)

518

soigneusement

zorgvuldig, met zorg

519

soigneux; soigneuse; soigneux

zorgvuldig (zijn)

520

soi-même; (pron. pers.)

zichzelf

521

soin, le

de zorg (zorg dragen voor)

522

soir, le

de avond

523

soirée, la

de avond (een avondje uit)

524

soit

het zij zo

525

soixantaine, la

het zestigtal

526

soixante

zestig

527

sol, le

de grond, de vloer

528

solaire; solaire

zon-, zonne-

529

soldat, le

de soldaat

530

solde, le

het saldo

531

soldé

in afslag, in uitverkoop

532

sole, la

de tong (vis)

533

soleil, le

de zon

534

solennel; solennelle

plechtig (een plechtige eed)

535

solidaire; solidaire

samenhorig (zijn)

536

solidarité, la

de solidariteit

537

solide; solide

flink (een flink en dapper karakter)

538

solide; solide

(een) stevig (gebouw)

539

solitaire; solitaire

(een) eenzaam (mens)

540

solitude, la

de eenzaamheid

541

solliciter

aanvragen

542

solliciter un emploi

solliciteren (naar een baan)

543

sollicitude, la

de bezorgdheid

544

soluble; soluble

oplosbaar (oplosbare koffie)

545

solution, la

de oplossing (van een probleem)

546

sombre; sombre

(een) somber (gezicht opzetten)

547

sommaire

(een) beknopt (verslag)

548

somme, la

het totaal, de som, het bedrag

549

sommeil, le

de slaap, de slaperigheid

550

sommelier, le

de wijnkelner

551

somnambule, le

de slaapwandelaar

552

somnoler

dommelen, soezen

553

somptueux; somptueuse; somptueux

(een) weelderig (paleis)

554

son, le

het geluid (van de radio)

555

son, sa, ses; (dét. pos)

zijn, haar, hun

556

sondage, le

de peiling (naar opinies)

557

songer; songé

(eraan) denken (te vertrekken), gedacht

558

songer

mijmeren

559

sonner

(aan de deur) bellen

560

sonnerie, la

het gerinkel (van de telefoon)

561

sonnette, la

de bel (van de voordeur)

562

sonore; sonore

helder klinkend (een helder klinkende stem)

563

sophistiqué

geavanceerd

564

s'opposer

zich verzetten (tegen een voorstel)

565

sorcière, la

de heks

566

s'orienter

zich oriënteren

567

sort, le

het noodlot

568

sorte, la

de soort

569

sortie, la

de uitgang (van de zaal)

570

sortie de secours, la

de nooduitgang

571

sortir

uitgaan (tijdens het weekend)

572

sortir; sortant, sorti

naar buiten gaan, naar buiten gaand,
naar buiten gegaan

573

sosie, le

sosie, le
de dubbelganger

574

sot; sotte

dwaas (zijn)

575

sottise, la

de dwaasheid (stommiteit)

576

sou, le; les sous

de stuiver, de cent

577

souci, le

de zorg (bezorgdheid)

578

soucieux; soucieuse; soucieux

bezorgd (zijn om)

579

soucoupe, la

het schoteltje (van een kopje)

580

soudain

plotseling (een plotselinge beweging)

581

souder

(metaal) solderen

582

souffler

blazen

583

souffler

fluisteren, influisteren

584

souffrance, la

het lijden

585

souffrir; souffert

lijden, geleden

586

souhait, le

de wens (naar wens)

587

souhaitable; souhaitable

wenselijk

588

souhaiter; souhaité

(iemand iets) toewensen, wensen, gewenst

589

souhaiter la bienvenue à quelqu'un

iemand welkom heten

590

soûl

zat

591

soulagé

opgelucht (zijn na alle problemen)

592

soulagement, le

de opluchting

593

soulager; soulagé

verlichten, verzachten, opgelucht

594

soulever

optillen

595

soulier, le

de schoen

596

souligner

onderstrepen

597

soumettre

onderwerpen

598

soupçon, le

de verdenking

599

soupçonner

(iemand) verdenken

600

soupière, la

de soepterrine

601

soupir, le

de zucht

602

soupirail, le; les soupiraux

het kelderraam

603

soupirer

zuchten

604

souple; souple

(een) lenig (lichaam)

605

souplesse, la

de soepelheid (lenigheid)

606

source, la

de bron

607

source d'énergie, la

de energiebron

608

sourcil, le

de wenkbrauw

609

sourd-muet, le; les sourds-muets

de doofstomme

610

souriants

glimlachend, opgewekt, vriendelijk

611

sourire; souri

glimlachen, geglimlacht

612

souris, la

de muis

613

sournois; sournoise; sournois

(een) stiekem (kind)

614

sous

onder, beneden

615

sous peu

binnenkort

616

sous prétexte de

onder voorwendsel van

617

souscrire

ondertekenen

618

sous-marin, le; les sous-marins

de onderzeeër

619

soussigné

ondergetekende (ik ondergetekende...)

620

sous-sol, le; les sous-sols

de kelderverdieping

621

soustraction, la

de aftrekking (van twee getallen)

622

soustraire

(een getal van een ander) aftrekken

623

sous-vêtement, le; les sous-vêtements

het ondergoed

624

soutenir

(een zieke) ondersteunen

625

soutien, le

de steun (hulp)

626

soutien-gorge, le; les soutiens-gorge

de beha

627

souvenir, le

de herinnering

628

souvent

vaak

629

souverain, le

de heerser

630

souverain

soeverein, oppermachtig

631

s'ouvrir; s'ouvrant

opengaan, opengaand

632

soyeux; soyeuse; soyeux

(een) zijdeachtig (tapijt)

633

spacieux; spacieuse; spacieux

(een) ruim (appartement)

634

spasmodique; spasmodique

spastisch, krampachtig

635

spécial; spéciale, spéciaux

speciaal (zijn)

636

spécialement

speciaal

637

spécialiser; spécialisé

specialiseren, gespecialiseerd

638

spécialiste, le

de specialist

639

spécialité, la

de specialiteit

640

spécifier

specificeren

641

spécifique; spécifique

specifiek

642

spectacle, le

het schouwspel

643

spectaculaire; spectaculaire

(een) spectaculair (schouwspel)

644

spectateur, le

de toeschouwer

645

spéculation, la

de speculatie

646

spéléologie, la

de speleologie, het grondonderzoek

647

splendeur, la

de pracht (praal)

648

splendide; splendide

prachtig (weer)

649

spontané

spontaan (zijn)

650

spontanément

spontaan (lachen)

651

sport, le

de sport

652

sport d'hiver, le; les sports d’hiver

de wintersport

653

sportif; sportive

sportief (zijn)

654

sportif, le

de sportman

655

spot, le

de spot, de spotlight, de schijnwerper

656

sprint, le

de sprint

657

stable; stable

stabiel (zijn)

658

stade, le

het stadion

659

stade, le

de fase, de periode

660

standing

de standing, de luxe, het comfort

661

stationnement, le

het parkeren

662

stationner

stilstaan (parkeren)

663

station-service, la

het benzinestation

664

statue, la

het standbeeld

665

statuette, la

het beeldje

666

statut, le

het statuut

667

steward, le

de steward

668

stimuler

stimuleren

669

stop!

stop!

670

stopper

stopzetten

671

store, le

het zonnegordijn, het ophaalgordijn, de jalousie

672

strapontin, le

het klapstoeltje (in de metro)

673

stratégie, la

de strategie, het beleid, het beleidsplan

674

strictement

strikt (vertrouwelijk)

675

structure, la

de structuur

676

studio, le

de studio (waar één persoon woont)

677

stupéfait

verstomd (staan van iets)

678

stupide; stupide

(een) dom (voorval)

679

style, le

de stijl (van een boek)

680

stylo, le

de balpen

681

subir; subi

ondergaan, ondergaan

682

subit

plotseling, onverwacht

683

subitement

plotseling (te voorschijn komen)

684

subjectif; subjective

subjectief

685

sublime; sublime

(een) subliem (landschap)

686

subordonné

(een) ondergeschikt (ambtenaar)

687

substance, la

de substantie

688

substituer

vervangen

689

subtil

(een) subtiel (detail)

690

subtiliser; subtilisé

achteroverdrukken, achterovergedrukt

691

subvenir

voorzien (in de behoeften van een groep)

692

subvention, la

de subsidie

693

succéder à; succédé

(zijn vader) opvolgen, opgevolgd

694

succès, le

het succes

695

successif; successive

opeenvolgend (opeenvolgende
gebeurtenissen)

696

succession, la

de opvolging (van zijn vader)

697

succomber à

bezwijken, overweldigd worden, niet kunnen weerstaan

698

succulent

(een) verrukkelijk (gerecht)

699

succursale, la

het filiaal

700

sucer

zuigen (op een snoepje)

701

sucette, la

de lolly

702

sucre, le

de suiker

703

sucré

zoet, gesuikerd, gezoet

704

sucrer

(de koffie) zoeten

705

sucrerie, la

de zoetigheid, het suikergoed

706

sucrier, le

de suikerpot

707

sud, le

zuiden

708

Sud-Américain, le; les Sud-Américains

de Zuid-Amerikaan

709

Suède, la

Zweden

710

suédois, suédoise, suédois

Zweeds

711

suffire

volstaan

712

suffisant

(een) voldoende (resultaat)

713

suffocant

verstikkend, drukkend, benauwd

714

suggérer

suggereren

715

suisse

Zwitsers

716

suite à votre lettre

in antwoord op uw schrijven

717

suivant

volgend, die volgt

718

suivre; suivant, suivi

volgen, volgend, gevolgd

719

sujet à; sujette à

onderhevig aan (onderhevig zijn aan zeeziekte)

720

super

te gek

721

superbe; superbe

schitterend (weer)

722

superficie, la

de oppervlakte (van een terrein)

723

superficiel; superficielle

(een) oppervlakkig (contact)

724

superflu

overbodig (overbodige commentaar)

725

supérieur

(de) bovenste (verdieping)

726

supériorité, la

de superioriteit

727

supermarché, le

de supermarkt

728

superstitieux; superstitieuse; superstitieux

bijgelovig (zijn)

729

superstition, la

het bijgeloof

730

supplément, le

het supplement

731

supplémentaire; supplémentaire

(een) bijkomend (gerecht)

732

supplice, le

de marteling

733

supplier

(iemand) smeken

734

supporter

(iemand) verdragen

735

supposer

veronderstellen

736

supposition, la

de veronderstelling

737

suppression, la

de afschaffing (van een wet)

738

supprimer

(een wet) opheffen

739

suprême; suprême

hoogst (hoogste autoriteit)

740

sur

op, over

741

sûr

zeker (zijn van)

742

sur ce sujet

over dit onderwerp

743

surchargé

overladen, overvol

744

surcharger

(een wagen) overbelasten (met bagage)

745

surestimer

overschatten

746

surface, la

de oppervlakte

747

surfaire

overschatten

748

surgeler

(groenten) invriezen

749

surgir

(uit het niets) opduiken

750

sur-le-champ

meteen (vertrekken)

751

surmené

overspannen, overwerkt

752

surmonter

(zijn verdriet) te boven komen

753

surnom, le

de bijnaam

754

surplus, le

de overschot (rest)

755

surprenant

(een) verrassend (effect)

756

surprendre; surpris

(iemand) verrassen, verrast

757

surprise, la

de verrassing

758

surprise-partie, la

de verrassingsfuif

759

surtaxe, la

de heffingstoeslag

760

surtout

vooral

761

surveillance, la

het toezicht (tijdens de speeltijd)

762

surveillant, le

de toezichthouder

763

surveiller

toezicht houden, bewaken

764

survenir

(plotseling) gebeuren, onverwachts komen

765

survivant, le

de overlevende

766

survivre

overleven

767

survoler

vliegen over (de vliegtuigen vliegen over het huis)

768

susceptibilité, la

de lichtgeraaktheid (prikkelbaarheid)

769

susceptible; susceptible

vatbaar (zijn voor kritiek)

770

susciter

(een gevoelen) opwekken

771

suspect

(een) verdacht (individu)

772

suspendre

(een vergadering) opschorten, schorsen

773

suspendre

ophangen

774

suspense, le

de spanning (afwachting)

775

suspension, la

de verdaging (van een zitting)

776

syllabe, la

de lettergreep

777

symbole, le

het symbool

778

symboliser

symboliseren

779

sympa
(sympathique)

sympathiek,prettig,
aangenaam, leuk

780

sympathie, la

de sympathie

781

sympathique; sympathique

sympathiek (zijn)

782

symptôme, le

het symptoom, het ziekteverschijnsel

783

syndical; syndicale; syndicaux

vakbonds- (de vakbondsleider)

784

syndicat, le

de vakbond

785

Syndicat d'initiative, le; les Syndicats d'initiative

de VVV (de toeristische informatiedienst)

786

syndiqué, le

de gesyndiceerde

787

syndrome, le

het syndroom, het ziektebeeld

788

synthèse, la

de synthese

789

synthétique; synthétique

(een) synthetisch (stofje)

790

système, le

système, le
het systeem