Woordjes T Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > Woordjes T > Flashcards

Flashcards in Woordjes T Deck (368):
1

T.G.V., le

de hogesnelheidstrein

2

T.V.A., la

de b.t.w.

3

tabac, le

de tabak

4

table, la

de tafel

5

table de salon, la

de salontafel

6

table des matières, la

de inhoudstafel

7

table ronde, la

fig: de rondetafelconferentie

8

tableau, le; les tableaux

het schilderij
het bord (in het leslokaal)

9

tablette, la

het tablet, het blad, de plaat

10

tablier, le

de schort

11

tabou, le; les tabous

het taboe

12

tabouret, le

de kruk

13

tache, la

de vlek
de taak

14

tacher

vlekken maken

15

tâcher

trachten (te)

16

tachycardie, la

de snelle hartwerking

17

taille, la

de maat (van kleding)

18

taille-crayon, le

de puntenslijper

19

tailler; taillé

(figuurtjes) snijden (in hout), snoeien, gesneden, gesnoeid

20

tailleur, le

het mantelpak

21

tailleur, le

de kleermaker

22

talon, le

de hak (van een schoen)

23

talon aiguille, le

de naaldhak

24

tambour, le

de trommel (slaginstrument)

25

tamiser; tamisé

dempen, gedempt

26

tandis que

terwijl (daarentegen)

27

tango, le

de tango

28

tant mieux

des te beter

29

tant pis!

jammer!

30

tant que

(je eet) zoveel dat (je ziek zal worden)

31

tante, la

de tante

32

tantôt

weldra, straks

33

tapage, le

de herrie

34

taper; tapé

tikken, typen, getypt

35

tapis, le

het tapijt

36

tapisser; tapissé

(de muren) behangen, behangen

37

taquiner

(iemand) plagen

38

tard

laat (toekomen)

39

tarder

dralen (treuzelen)

40

tardivement

laat

41

tarif, le

het tarief

42

tarte, la

de taart

43

tartine, la

de boterham

44

tas, un

een hoop (details)

45

tasse, la

het kopje (koffie)

46

tasse à thé, la; les tasses à thé

het theekopje

47

tasser

(aarde) aanstampen

48

tâter

betasten

49

taudis, le

het krot

50

taupe, la

de mol

51

taureau, le; les taureaux

de stier

52

taux, le

de koers (wisselkoers)

53

taux d'intérêts, le

de rentevoet

54

taxe, la

de belasting (op toegevoegde waarde)

55

taxer

(de prijs) vaststellen

56

taxi, le

de taxi

57

te, t'; (pron. pers.)

jou, je (LV), (MV)

58

technicien, le

de technicus

59

te; (tu) te (laves); (pron. réfléchi)

(jij wast) je

60

technique; technique

(een) technisch (probleem)

61

technique, la

de techniek

62

technologie, la

de technologie

63

tee-shirt, le; les tee-shirts

het T-shirt

64

teindre

(stoffen) verven

65

teint, le

de tint, de teint, de gelaatskleur

66

tel, telle, tels, telles

zo, zodanig, dergelijk

67

télé, la

de tv

68

télécommande, la

de afstandsbediening

69

télédiffusion, la

de televisie-uitzending,
de televisieomroep

70

télédistribution, la

de kabeltelevisie

71

télégramme, le

het telegram

72

télégraphier

telegraferen

73

téléphone, le

de telefoon

74

téléphoner; téléphoné

telefoneren, getelefoneerd

75

téléphoniste, la

de telefoniste

76

téléspectateur, le

de televisiekijker

77

téléviseur, le

het televisietoestel

78

télévision, la

de televisie (programma)

79

tellement

zo (mooi)

80

témoignage, le

de getuigenis

81

témoigner

(voor de rechtbank) getuigen

82

témoin, le

de getuige

83

tempe, la

de slaap (aan het hoofd)

84

tempérament, le

het temperament

85

température, la

de temperatuur

86

tempéré

(een) gematigd (klimaat)

87

tempête, la

de storm

88

temple, le

de tempel

89

temporaire; temporaire

tijdelijk (een tijdelijke betrekking)

90

temps, le; les temps

de tijd

91

temps, le

het weer

92

tenace; tenace

halsstarrig (zijn)

93

ténacité, la

de hardnekkigheid

94

tenailles f, les

de tang (werktuig)

95

tendance, la

de neiging

96

tendre; tendre

(een touw) spannen

97

tendresse, la

de tederheid

98

tendu

(een) gespannen (draad)

99

ténèbres f, les

de duisternis

100

tenir

(zijn hoed goed) vasthouden

101

tenir compte

rekening houden (met)

102

tenir le coup

standhouden, het uithouden,
het volhouden

103

tenir sa droite

rechts houden (in het verkeer)

104

tentation, la

de bekoring

105

tentative, la

de poging

106

tente, la

de tent

107

tenter

pogen (iets te doen)

108

tenu

gehouden (zijn aan een verplichting)

109

tenue, la

de kledij (avondkledij)

110

terme, le

de term

111

terminal, le; les terminaux

de terminal

112

terminer; terminé

beëindigen, afmaken, afwerken, afgewerkt

113

terminus, le

het eindpunt (autobus)

114

terne

mat (een matte kleur)

115

terrain, le

het terrein

116

terrain de camping, le;
les terrains de camping

het kampeerterrein

117

terrasse, la

het terras

118

terre, la

de aarde (is rond)

119

terre, la

de grond (de aarde)

120

terrestre; terrestre

(het) aards (paradijs)

121

terreur, la

het schrikbewind

122

terrible; terrible

(een) verschrikkelijk (moment)

123

territoire, le

het territorium

124

test, le

de test

125

testament, le

het testament

126

tête, la

het hoofd

127

tête-à-tête, le

het gesprek onder vier ogen

128

têtu

koppig (zijn)

129

textile, le

de textiel

130

thé, le

de thee

131

théâtral; théâtrale; théâtraux

theatraal, toneelmatig, toneel-

132

théâtre, le

het theater

133

théière, la

de theepot

134

thème, le

het thema

135

théorie, la

de theorie

136

thèse, la

de thesis

137

tibétain

Tibetaans

138

ticket, le

het ticket

139

tiède; tiède

lauw (water)

140

tiens!

wel wel! (verwondering)

141

tiers, le

een derde (van de taart)

142

tiers; tierce

(de) derdendaagse (koorts)

143

Tiers-Monde, le

de Derde Wereld

144

tigre, le

de tijger

145

tilleul, le

de linde

146

timbre, le

de postzegel

147

timbre-poste, le; les timbres-poste

de postzegel

148

timide; timide

verlegen (zijn)

149

timidité, la

de verlegenheid

150

tirage, le

de oplage

151

tire-bouchon, le; les tire-bouchons

de kurkentrekker

152

tire-fond, le

de ringschroef, de slotschroef

153

tirelire, la

de spaarpot

154

tirer

(op de vijand) schieten

155

tirer

(aan een touw) trekken

156

tirer au sort

loten (door het lot laten beslissen)

157

tirer parti de

gebruik maken van (een gelegenheid)

158

tirette, la

de ritssluiting

159

tireur, le

de schutter

160

tiroir, le

de lade

161

tisser

weven

162

tissu, le

de stof (weefsel)

163

titre, le

de titel
het effect (waardepapier)

164

toboggan, le

de glijbaan

165

toi;

(pron. pers.)
jij
(pron. pers.)
(was) je
(pour) (pron. pers.)
(voor) jou

166

toile, la

het linnen

167

toilette, la

de kleding

168

toilettes f, les

het toilet (w.c.)

169

toi-même; (pron. pers.)

jezelf

170

toit, le

het dak

171

toiture, la

de dakbedekking

172

tolérable; tolérable

(een) toelaatbaar (feit)

173

tolérant

verdraagzaam (zijn tegenover iemand)

174

tolérer

(geen tegenspraak) dulden

175

tomate, la

de tomaat

176

tombe, la

het graf

177

tomber; tombant, tombé

vallen, vallend, gevallen

178

tomber en panne

pech hebben (met de wagen)

179

tomber mal

niet goed uitkomen

180

tome, le

het boekdeel

181

ton, le

de toon

182

ton, ta, tes

jouw

183

tonal; tonale; tonals

tonaal

184

tondeuse à gazon, la

de grasmaaier

185

tondre

(het gras) maaien

186

tonneau, le; les tonneaux

de ton (recipiënt)

187

tonner

donderen (het dondert buiten)

188

tonnerre, le

de donder

189

torchon, le

de dweil

190

tordre

(een nat laken) uitwringen
verwringen

191

torrent, le

de bergstroom

192

torride; torride

verzengend (een verzengende hitte)

193

tort, le

het ongelijk, de fout, de schuld

194

tortue, la

de schildpad

195

torture, la

de foltering

196

torturer

martelen

197

tôt

vroeg (aankomen)

198

total; totale; totaux

totaal (het totale aantal)

199

total, le; des totaux

het totaal

200

totalement

volkomen, volledig, geheel

201

totalité, la

de totaliteit

202

touche, la

de toets (van een klavier) de stijl, het aspect

203

touffu

dichtbegroeid, weelderig

204

toucher

aanraken
verdienen

205

toujours

altijd

206

tour, la

de toren

207

tourbillon, le

de draaikolk

208

tourisme, le

het toerisme

209

touriste, le

de toerist

210

touristique; touristique

(een) toeristisch (land)

211

tourment, le

de kwelling

212

tourmenté

gekweld (zijn door verdriet)

213

tourmenter

kwellen

214

tournant, le

de bocht

215

tournée, la

de rondreis

216

tourner

(zijn stoel) draaien

217

tourner; tourné

(een film) maken, opnemen, filmen,gefilmd

218

tourner dans un film

in een film spelen

219

tournevis, le

de schroevendraaier

220

tournoyer

cirkelen (de vogels cirkelen rond een huis)

221

tour-opérateur, le

de reisorganisator

222

tous, toutes; (pron. ind.)

allen, allemaal

223

Toussaint, la

Allerheiligen

224

tout

(tegen) elke (prijs)

225

tout

alles van (Mme de Sévigné gelezen hebben)

226

tout

(buiten) alle (verwachting)
(in) heel (Venetië)
één en al (oor zijn)
(de) gehele (bevolking)
heel (zacht) wenen

227

tout à coup

plotseling (verdwijnen)

228

tout à fait

helemaal (akkoord gaan met iets)

229

tout à l'heure

straks

230

tout autre

(een) heel ander (voorkomen)

231

tout bien considéré

alles wel beschouwd

232

tout compte fait

alles welbeschouwd

233

tout de même

toch, toch maar
(geef hem dan) toch (iets te drinken)

234

tout de suite

(ik kom) dadelijk

235

tout droit

rechtdoor (gaan)

236

tout le monde

iedereen

237

toutefois

echter (evenwel)

238

trace, la

het spoor (in de sneeuw)

239

tracer

(een lijn) trekken

240

tradition, la

de traditie

241

traditionnel; traditionnelle

(een) traditioneel (gerecht)

242

traduction, la

de vertaling

243

traduire; traduit

vertalen

244

trafic, le

het verkeer (goederen)

245

trafiquant, le

de sjacheraar

246

tragédie, la

de tragedie

247

tragique; tragique

(een) tragisch (einde)

248

trahir

verraden

249

trahison, la

het verraad

250

train, le

de trein

251

traîner

slingeren, rondslingeren

252

traîner; traîné

meeslepen, overal met zich meenemen, meegesleept

253

traîner les pieds

sloffen

254

traire

melken

255

trait, le

de trek (een karaktertrek)

256

trait d'union, le; les traits d'union

het verbindingsstreepje

257

traité, le

het verdrag

258

traitement, le

de behandeling

259

traitement de texte, le

de tekstverwerking

260

traiter de

spreken over

261

traître, le

de verrader

262

trajet, le

het traject

263

tram, le

de tram

264

tranche, la

het plakje (kaas)

265

tranchée, la

de geul

266

trancher

(een touwtje) doorsnijden

267

tranchoir, le

een hakmes

268

tranquille; tranquille

rustig (zijn)

269

tranquillité, la

de rust (van dit oord)

270

transaction, la

de transactie

271

transcrire

overschrijven

272

transférer; transféré

overbrengen, verplaatsen, overgebracht

273

transformation, la

de verandering (van een winkel)

274

transformer

(een winkel) veranderen

275

transistor, le

de transistor, de transistorradio

276

transition, la

de overgang (tussenvorm)

277

transmettre

(de macht) overdragen (aan iemand)

278

transmettre

(een boodschap) overbrengen

279

transparaître

doorschemeren

280

transparence, la

de doorzichtigheid

281

transparent

(een) doorzichtig (gordijn)

282

transplantation, la

de transplantatie

283

transport, le

het transport

284

transporter; transporté

(producten) vervoeren, vervoerd

285

transports publics m, les

het openbaar vervoer

286

transports en commun m, les

het openbaar vervoer

287

trapu

(een) gedrongen (man)

288

travail, le; les travaux

het werk (doen)

289

travail saisonnier, le

de seizoenarbeid

290

travailler; travaillé

werken, gewerkt

291

travailleur, le

de werker

292

travailleur; travailleuse

ijverig

293

travailleur immigré, le

de gastarbeider

294

travaux forcés m, les

de dwangarbeid

295

travaux publics m, les

de openbare werken

296

traversée, la

de oversteek (van het Kanaal)

297

traverser; traversé

(de straat) oversteken, overgestoken

298

trébucher

struikelen

299

trèfle, le

het klaverblad

300

trembler

beven

301

trembloter

licht trillen, flakkeren

302

tremper

doorweken (de regen heeft de grond doorweekt)

303

tremplin, le

de springplank (aan het zwembad)

304

trentaine, la

het dertigtal

305

trente

dertig

306

très

heel, zeer

307

trésor, le

de schat (juwelen)

308

tressaillir

trillen

309

trêve, la

het bestand (wapenstilstand)

310

triangle, le

de driehoek

311

triangulaire; triangulaire

(een) driehoekig (voorwerp)

312

tribu, la

de volksstam

313

tribunal, le; les tribunaux

de rechtbank

314

tribune, la

de tribune

315

tricher

vals spelen (bij een spel)

316

tricheur, le

de valsspeler

317

tricot, le

de trui

318

tricoter

breien

319

trier

(brieven) sorteren

320

trimestre, le

het trimester

321

trinquer

klinken (met een glas)

322

triomphe, le

de zege

323

triompher

triomferen

324

triple; triple

(een) drievoudig (probleem)

325

triste; triste

triest (zijn), droevig

326

tristesse, la

de triestheid

327

trois

drie

328

trompe, la

de slurf (van een olifant)

329

tromper; trompé

(iemand) bedriegen, bedrogen

330

trompette, la

de trompet

331

trompeur; trompeuse

(een) bedrieglijk (karakter)

332

tronc, le

de stam (van een boom)

333

trop

te (lui)

334

tropical; tropicale, tropicaux

tropisch

335

trotter

draven (het paard draaft)

336

trottoir, le

het voetpad

337

trou, le; les trous

het gat (in de muur)

338

troublant

verwarrend (een verwarrende
gebeurtenis)

339

trouble, le

de verwarring, de verstoring, de onrust

340

trouble; trouble

troebel (water)

341

troubler

troebel maken

342

trouer

een gat maken (in iets)

343

troupe, la

de troep (groep)

344

troupeau, le; les troupeaux

de kudde (schapen)

345

trousseau, le; les trousseaux

de bos (sleutels)

346

trouvaille, la

de vondst (de gelukkige vondst)

347

trouver; trouvé

vinden, gevonden

348

truelle, la

de troffel

349

truite, la

de forel

350

t-shirt, le; les t-shirts

het T-shirt

351

tu; (pron. pers.)

jij, je

352

tube, le

de tube (zalf)

353

tuer; tué

(iemand) doden, gedood

354

tuile, la

de dakpan

355

tulipe, la

de tulp

356

tumeur, la

het gezwel, de tumor

357

tunique, la

de tuniek, de lange bloes

358

tunisien; tunisienne

Tunesisch

359

tunnel, le

de tunnel

360

turc; turque

Turks

361

tuteur, le

de voogd (van een minderjarige)

362

tutoyer

tutoyeren

363

tuyau, le; les tuyaux

de buis

364

tuyau d'écoulement, le

de afvoerpijp

365

type, le

het type

366

typique; typique

(een) typisch (kenmerk)

367

tyran, le

de tiran, de despoot, de onderdrukker

368

ultérieurement

(een zaak) later (bespreken)