woordjes B Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes B > Flashcards

Flashcards in woordjes B Deck (297):
1

babiole, la

de snuisterij

2

bagage, le

de bagage

3

bagarre, la

het opstootje (rel)

4

bague, la

de ring (aan de vinger)

5

baguette, la

het stokbrood

6

baie, la

de baai

7

baie vitrée, la

de schuifpui, het groot raam

8

baigner dans

baden in, ondergedompeld zijn in

9

baignoire, la

de badkuip

10

bail, le; les baux

de huur, het huurcontract

11

bâiller

geeuwen

12

bain, le

het bad

13

baiser, le

de kus

14

baisse, la

de verlaging (van de prijzen)

15

baisser; baissé

(de rolluiken) neerlaten, dalen, gedaald

16

bal, le; les bals

het bal (feest)

17

balade, la

de wandeling

18

balai, le; les balais

de bezem

19

balance, la

de weegschaal

20

balayer

(de kamer) vegen

21

balbutier

(verward enkele woorden) stamelen

22

balcon, le

het balkon

23

baldaquin, le

het baldakijn

24

balle, la

de kogel (van een vuurwapen)

25

ballet, le

het ballet

26

ballon, le

de bal (spel)

27

bambin, le

de peuter

28

banal; banale; banals

(een) banaal (feit)

29

banane, la

de banaan

30

banc, le

de bank (zitbank)

31

bande, la

de strook (papier)

32

bande dessinée, la

het stripverhaal

33

bandit, le

de schurk

34

banlieue, la

de voorstad

35

banque, la

de bank (instelling)

36

banque de données, la; les banques de données

de databank (van software)

37

banqueroute, la

het bankroet

38

banquier, le

de bankier

39

baptême, le

de doop

40

baptiser

(een kind) dopen

41

bar, le

de bar

42

barbare; barbare

(een) barbaars (gedrag)

43

barbe, la

de baard

44

barbouiller

(een muur) bekladden

45

Barcelone (f)

Barcelona

46

bariolé

bontgekleurd

47

baroque; baroque

barok

48

barque, la

het bootje

49

barrage, le

de versperring

50

barre, la

de reep (chocolade),de staaf, de balk

51

barreau, le; les barreaux

de tralie

52

barrer

(een zin) doorstrepen

53

barrière, la

de slagboom

54

bas; basse

laag (de lage tafel)

55

basané

gebruind

56

basculer

kantelen, omslaan

57

base, la

de basis

58

basket, le

de basketbalschoen

59

bassin, le

de kom (om in te wassen)

60

bassin, le

het bekken

61

bataille, la

de veldslag

62

bateau, le; les bateaux

de boot

63

bâtiment, le

het gebouw

64

bâtir; bâti

bouwen

65

bâton, le

de stok

66

battement, le

het geklop

67

battre; battu

(iemand) slaan, geslagen

68

bavard

praatziek (zijn)

69

bavardage, le

het gebabbel

70

bavarder

babbelen

71

beau; bel, belle, beaux

(een) mooi (dorp)

72

beaucoup de

veel (tijd)

73

beau-frère, le; les beaux-frères

de schoonbroer

74

Beaujolais, le

wijn uit de Beaujolais

75

beau-père, le; les beaux-pères

de schoonvader

76

beauté, la

de schoonheid

77

beaux-arts (m), les

de schone kunsten

78

beaux-parents (m), les

de schoonouders

79

bébé, le

de baby

80

bec, le

de bek

81

bêche, la

de schop (spade)

82

belge; belge

Belgisch

83

Belge, le

de Belg

84

Belgique, la

België

85

belle-fille, la; les belles-filles

de schoondochter

86

belle-mère, la; les belles-mères

de schoonmoeder

87

belle-soeur, la; les belles-soeurs

de schoonzuster

88

belvédère, le

het uitzichtterras

89

ben

wel (tussenwerpsel, informeel)

90

bénéfice, le

de winst

91

bénéficier

voordeel trekken (uit)

92

bénévolement

belangeloos (werken voor iemand)

93

bénin; bénigne

(een) goedaardig (gezwel)

94

bercer

(een kind) wiegen

95

berger, le

de herder

96

besoin, le

de behoefte, de nood

97

bétail, le

het vee

98

bête, la

het beest

99

bêtise, la

de domheid

100

betterave, la

de biet

101

beurre, le

de boter

102

beurrer

boter smeren

103

biais

schuin (een schuine muur)

104

bibelot, le

de snuisterij

105

bibliothèque, la

de bibliotheek

106

bic, le

de balpen

107

bicyclette, la

de fiets

108

bien, le

het goede, de weldaad

109

bien, le

het bezit

110

bien

goed, mooi, juist

111

bien héréditaire, le

het erfgoed

112

bien que

hoewel

113

bien sûr!

natuurlijk!

114

bien/mal luné

goed/slecht geluimd

115

bien-être, le

het welzijn (van de mensen)

116

bientôt

weldra

117

bienveillance, la

de welwillendheid

118

bienvenu

welkom (zijn)

119

bière, la

het bier

120

biffer

(een woord) doorhalen

121

bifteck, le

de biefstuk

122

bijou, le; les bijoux

het juweel

123

bijoutier, le

de juwelier

124

bikini, le

de bikini

125

bilan, le

de balans (afsluiten)

126

bilingue, bilingue

tweetalig (zijn)

127

billet, le

het kaartje (voor de trein)

128

billet de banque, le

het bankbiljet

129

biscotte, la

de beschuit

130

biscuit, le

het koekje

131

bisou, le

de zoen

132

bistrot, le

het café, de kroeg

133

bizarre

raar (een rare kerel)

134

blague, la

de mop

135

blâmer

(iemand officieel) berispen

136

blanc; blanche

wit

137

blanchir

wit worden (zijn haar wordt wit)

138

blanchisserie, la

de wasserij

139

blé, le

het graan

140

blême

doodsbleek (zijn)

141

blesser; blessé

verwonden, kwetsen

142

blessure, la

de verwonding, de kwetsuur

143

bleu

blauw

144

bleu, le; les bleus

de blauwe plek

145

blond

blond (zijn)

146

blouse, la

de bloes

147

bocal, le; les bocaux

de bokaal

148

boeuf, le

het rundvlees

149

bof!

och!, bah!

150

boire; le

het drinken

151

bois, le; les bois

het bos

152

bois, le

het hout

153

boisson, la

de drank

154

boîte, la

de doos

155

boîte aux lettres, la; les boîtes aux lettres

de brievenbus

156

boîte postale, la

de postbus (op het postkantoor)

157

bombardement, le

een bombardement

158

bombardier, le

de bommenwerper

159

bombe, la

de bom

160

bon; bonne

goed (het goede antwoord)

161

bon à rien, le

de nietsnut

162

bon appétit

smakelijk

163

bon de caisse, le

de kasbon

164

bon marché

(het is) goedkoop

165

bon sens, le

het gezond verstand

166

bonbon, le

het snoepje

167

bond, le

de sprong (een sprong maken)

168

bondir

springen

169

bonheur, le

het geluk

170

bonhomme, le; les bonshommes

het kereltje

171

bonjour

goedendag

172

bonne, la

het dienstmeisje

173

bonne chance!

veel geluk!

174

bonnet, le

de muts

175

bonobo, le

de bonobo

176

bonsoir

goedenavond

177

bonté, la

de goedheid

178

bord, le

de rand (van de tafel)

179

bordelais; bordelais

van Bordeaux

180

bordure, la

de rand (van de stoep)

181

bosseler

(een zilveren koffiekan) blutsen

182

botte, la

de laars

183

bouc émissaire, le

de zondebok

184

bouche, la

de mond

185

bouchée, la

de hap (een beetje eten)

186

boucher, le

de slager

187

boucher

(een gat) dichten, stoppen

188

boucherie, la

de slagerij

189

bouche-trou, le; les bouche-trous

de stoplap

190

bouchon, le

de kroonkurk, de file

191

boucle, la

de gesp

192

bouclé

krullend

193

bouddhisme, le

het boeddhisme

194

boue, la

het slijk

195

bouée, la

de boei (in zee)

196

boueux, boueuse; boueux

modderig (zand)

197

bouger

bewegen

198

bougie, la

de kaars, een autobougie

199

bouillabaisse, la

de vissoep

200

bouillant

kokend, zeer heet

201

bouillir; bouilli

koken (het water kookt), gekookt

202

bouillon, le

de bouillon

203

boulanger, le

de bakker

204

boulangerie, la

de bakkerij

205

boule de neige, la

de sneeuwbal

206

bouledogue, le

de buldog

207

boulevard, le

de boulevard

208

bouleverser

(zijn kamer) overhoophalen

209

bouleverser; bouleversé

van streek brengen, van streek gebracht

210

boulimie, la

de vraatzucht, de geweldige honger

211

boulon, le

de bout

212

boulot, le

de job

213

bouquet, le

het boeket (bloemen)

214

bourdonner

zoemen (de wespen zoemen)

215

bourgmestre, le

de burgemeester

216

bourré

volgepropt (een volgepropte boodschappentas)

217

bourreau, le

de beul

218

bourse, la

de beurs

219

bousculer

omverwerpen

220

boussole, la

het kompas

221

bout, le

het uiteinde (van een touwtje)

222

bouteille, la

de fles

223

boutique, la

de boetiek

224

bouton, le

de knoop (van een jas)

225

bouton, le

een toets (van het toetsenbord)

226

boutonner

(zijn jas) dichtknopen

227

boxe, la

het boksen

228

bracelet, le

de armband

229

braire

balken

230

branche, la

de tak (van een boom)

231

brancher; branché

(toestellen) aansluiten (op de stroom)

232

braquer

(een zaklamp op iemand) richten

233

bras, le; les bras

de arm (van het lichaam)

234

brasier, le

de vuurzee

235

brasserie, la

de brouwerij

236

brave, brave

dapper (een dappere strijder)

237

braver

(het gevaar) trotseren

238

bravo!

bravo!, goed zo!

239

bref; brève

(een) kort (verblijf)

240

brésilien; brésiliennes

Braziliaans

241

brevet, le

het brevet

242

bric-à-brac, le

de rommel (onbruikbare dingen)

243

bricoler

knutselen

244

bricoleur, le

de knutselaar

245

brièveté, la

de kortstondigheid

246

brillamment

schitterend, glansrijk

247

brillance, la

de glans, de schittering

248

brillant

(een) schitterend (juweel)

249

briller

blinken, glanzen, schijnen

250

brique, la

de baksteen

251

brise, la

het briesje

252

briser; brisé

(iemands hart) breken

253

britannique; britannique

Brits

254

brochure, la

de brochure

255

bronze, le

het brons

256

bronzer

bruinen (in de zon)

257

brosse, la

de borstel (haarborstel)

258

brosse à dents, la; les brosses à dents

de tandenborstel

259

brouette, la

de kruiwagen

260

brouillard, le

de mist

261

brouillon, le

het klad

262

brousse, la

de wildernis

263

Bruges (f)

Brugge

264

bruire

ritselen (de bladeren ritselen)

265

bruit, le

het lawaai, het geluid

266

brûler; brûlé

branden, verbranden

267

brûlure, la

de brandwonde

268

brume, la

de nevel (lichte mist)

269

brumeux, brumeuse; brumeux

mistig (weer)

270

brun

bruin (zijn)

271

brunir

bruin worden

272

brusque; brusque

(een) bars (karakter)

273

brusquement

plots (remmen)

274

brut

ruw (ruwe olie)

275

brutal; brutale; brutaux

(een) brutaal (kind)

276

brutaliser

mishandelen

277

brutalité, la

de brutaliteit

278

Bruxelles (m)

Brussel

279

bruyant

(een) luidruchtig (kind)

280

bûche, la

de houtblok

281

bûcheron, le

de houthakker

282

budget, le

de begroting (van de Staat)

283

buissons (m), les

het struikgewas

284

bulle, la

de luchtbel

285

bulletin, le

het bulletin

286

bungalow, le

de bungalow

287

bureau, le; les bureaux

het kantoor

288

bureau de change, le; les bureaux de change

het wisselkantoor

289

bureau de contrôle de chômage, le

het stempelbureau

290

bureau de police, le

het politiebureau

291

bureau de poste, le

het postkantoor

292

bus, le

de bus

293

busqué

gebogen, gekromd

294

buste, le

het borstbeeld

295

but, le

het doel

296

buté

koppig, eigenzinnig

297

buter

stoten (tegen een steen)