Woordjes P Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > Woordjes P > Flashcards

Flashcards in Woordjes P Deck (755):
1

pacifique; pacifique

vredelievend (zijn)

2

page, la

de bladzijde

3

paiement, le

de betaling

4

paillasson, le

de deurmat

5

paille, la

het stro

6

paillette, la

het lovertje

7

pain, le

het brood

8

pair

(een) even (getal)

9

paire, la

het paar, het stel

10

paisible; paisible

(een) vredig (landschap)

11

paître

grazen

12

paix, la

de vrede

13

palais, le

het paleis

14

pâle; pâle

bleek (zijn)

15

pâleur, la

de bleekheid

16

palier, le

de overloop (gang)

17

pâlir

bleek worden, verbleken

18

pallier

verdoezelen, gedeeltelijk oplossen

19

pâlot; pâlotte

bleekjes

20

palper

betasten, bevoelen

21

pancarte, la

het uithangbord (van de winkel)

22

panier, le

de korf (met boodschappen)

23

paniquer; paniqué

in paniek raken, panikeren, gepanikeerd

24

panne, la

de pech, het defect

25

panneau de signalisation, le

het verkeersbord

26

pantalon, le

de broek (lange broek)

27

pantoufle, la

de pantoffel

28

papa, le

de papa

29

pape, le

de paus

30

papeterie, la

de papierhandel

31

papier, le

het papier

32

papier à lettres, le

het briefpapier

33

papier de verre, le

het schuurpapier

34

papier peint, le

het behangpapier

35

papillon, le

de vlinder

36

paquebot, le

het passagiersschip

37

Pâques

Pasen

38

paquet, le

het pakket

39

par

per, met, langs, via, in, uit, door, over

40

par ailleurs

overigens

41

par conséquent

bijgevolg

42

par devoir

plichtmatig (handelen)

43

par erreur

per vergissing

44

par exemple

bijvoorbeeld

45

par hasard

(iemand) toevallig (tegenkomen)

46

par l'intermédiaire de

door bemiddeling van (iemand)

47

par mégarde

door onoplettendheid (de verkeerde brief posten)

48

par rapport à

in vergelijking met

49

par retour du courrier

per kerende post

50

par suite de

ten gevolge van

51

parachute, le

het valscherm

52

paradis, le

het paradijs

53

paradoxe, le

de paradox

54

paraître; paru

schijnen (het schijnt dat...), geschenen

55

parallèle; parallèle

parallel (zijn)

56

paralysé

verlamd (zijn)

57

parapluie, le

de paraplu

58

parc, le

het park

59

parce que

omdat

60

parcelle, la

het perceel, het kavel

61

parcomètre, le

de parkeermeter

62

parcours, le

het traject, de route, de baan

63

parcourir

(de straten van Antwerpen) doorlopen

64

pardon

pardon

65

pardonner

verontschuldigen

66

pare-brise, le; les pare-brise

de voorruit (van een auto)

67

pare-chocs, le; les pare-chocs

de bumper

68

pareil; pareille

(een) dergelijk (geval)

69

parent, le

de bloedverwant

70

parenté, la

de verwantschap

71

parents m, les

de ouders

72

paresse, la

de luiheid

73

paresser

luieren

74

paresseux; paresseuse; paresseux

lui (zijn)

75

parfaire

voltooien

76

parfait

volmaakt (zijn)

77

parfaitement

(jij spreekt) perfect

78

parfois

soms

79

parfum, le

het parfum

80

parfumé

geparfumeerd, geurig

81

pari, le

de weddenschap

82

parier

wedden

83

parieur, le

de gokker

84

parking, le

de parking

85

Parlement, le

het Parlement

86

parlementaire; parlementaire

(het) parlementair (stelsel)

87

parlementaire, le

het Kamerlid

88

parler; parlé

praten, gepraat

89

parler bas

zacht, stil spreken

90

parler haut

luid spreken

91

parmi

tussen, onder

92

parmi lesquels, parmi lesquelles; (pron. rel.)

onder dewelke

93

paroi, la

de wand

94

paroisse, la

de parochie

95

parole, la

het woord

96

parole d'honneur, la

het erewoord

97

parquet, le

het parket (vloerbedekking)

98

parrain, le

de peter

99

parrainage, le

het peterschap

100

parsemer; parsemé

bestrooien, bezaaien, bezaaid

101

part, la

het deel (van een erfenis)

102

partager; partagé

(een erfenis) verdelen, verdeeld

103

partager

(een mening) delen

104

partenaire, le

de partner

105

parti, le

de partij

106

parti pris, le

het vooroordeel

107

partial; partiale; partiaux

(een) partijdig (rechter)

108

participant, le

de deelnemer

109

participation, la

de deelneming

110

participer; participé

deelnemen, deelgenomen

111

particularité, la

de bijzonderheid

112

particulier; particulière

(een) bijzonder (teken)

113

particulièrement

bijzonder, speciaal, vooral

114

partie, la

het deel, het gedeelte
de partij (juridisch)
het spel, de strijd

115

partie adverse, la

de tegenpartij (wederpartij)

116

partie de bras de fer, la

het partijtje armworstelen

117

partiel; partielle

gedeeltelijk

118

partiellement

gedeeltelijk

119

partir

vertrekken

120

partout

overal

121

parvenir

(zijn doel) bereiken, (erin) slagen (iets te doen)

122

pas, le

de pas (schrede)

123

pas de (la) porte, le

de drempel

124

pas mal de

heel wat (kinderen)

125

passable; passable

tamelijk, aanvaardbaar, redelijk

126

passablement

tamelijk (intelligent zijn)

127

passage, le

de doorgang

128

passage à niveau, le; les passages à niveau

de overweg

129

passage pour piétons, le;
les passages pour piétons

het zebrapad

130

passager, le

de passagier

131

passant, le

de voorbijganger

132

passé, le

het verleden

133

passé

verleden (week), vorig

134

passe-partout, le; les passe-partout

de loper (passe-partout)

135

passeport, le

het paspoort

136

passer; passé

(de nacht) doorbrengen, doorgebracht

137

passer; passé

(een examen) afleggen, afgelegd
voorbijgaan, voorbijkomen,
voorbijgegaan

138

passerelle, la

de loopbrug

139

passe-temps, le; les passe-temps

het tijdverdrijf

140

passif; passive

passief (zijn)

141

passion, la

de hartstocht

142

passionnant

(een) boeiend (boek)

143

passionné

hartstochtelijk, vurig, enthousiast

144

pasteur, le

de dominee

145

pâte, la

het deeg

146

pâté, le

de pastei (leverpastei)

147

paternel; paternelle

(het) vaderlijk (gezag)

148

pathétique; pathétique

pathetisch (zijn)

149

patience, la

het geduld

150

patient, le

de patiënt

151

patient

geduldig

152

patin, le

de schaats (om te schaatsen)

153

patine, la

de patina

154

patiner

schaatsen

155

pâtisserie, la

de banketbakkerij

156

pâtissier, le

de banketbakker

157

patrie, la

het vaderland

158

patrimoine, le

het erfdeel (het cultureel erfdeel)

159

patron, le

de baas (van een café)

160

patronage, le

het patronaat (bescherming)

161

patronne, la

de werkgeefster, de bazin

162

patte, la

de poot (van een dier)

163

pâturage, le

het weiland (met vee)

164

pause, la

de pauze

165

pause-café, la; les pauses-café

de koffiepauze

166

pauvre; pauvre

(een) arm (land)

167

pauvreté, la

de armoede

168

pavillon, le

het paviljoen

169

paye, la

het loon (uitbetaling)

170

payer; payé

betalen, betaald

171

pays, le; les pays

het land

172

pays natal, le

het geboorteland

173

paysage, le

het landschap

174

paysan, le

de boer (landbouwer)

175

paysan; paysanne

(het) boeren(leven)

176

paysanne, la

de boerin

177

péage, le

de tol (wegenbelasting)

178

péché, le

de zonde

179

pêche, la

de (vis)vangst

180

pêcher

vissen

181

pêcheur, le

de visser

182

pédaler

trappen (op de fiets)

183

peigne, le

de kam (voor het haar)

184

peindre; peint

schilderen, geschilderd

185

peine de mort, la; les peines de mort

de doodstraf

186

peiner

zwoegen

187

peintre, le

de schilder

188

peinture, la

de verf

189

péjoratif; péjorative

pejoratief, ongunstig, negatief

190

pelle, la

de schop (spade)

191

pellicule, la

het filmpje (voor een fototoestel)

192

pelouse, la

het grasveld

193

peluche, la

de knuffel, het knuffelbeest

194

penché

gebogen, voorovergebogen

195

pendant

gedurende, tijdens

196

penderie, la

de hangkast (kleerkast)

197

pendre

hangen

198

pendule, la

de klok (in de keuken)

199

pénétrant

doordringend (een doordringende geur)

200

pénétrer

binnendringen

201

pénible; pénible

(een) lastig (werk)

202

pénombre, la

de schemering

203

pensée, la

de gedachte

204

penser; pensé

(aan iemand) denken, gedacht

205

pensif; pensive

peinzend (een peinzende blik)

206

pension, la

het pensioen (geldsom)

207

pensionnaire, le

de pensiongast

208

pente, la

de helling

209

Pentecôte, la

Pinksteren

210

pénurie, la

het tekort, de schaarste

211

perception, la

de inning (van de belastingen)

212

percer

boren (in de muur)

213

perceuse, la

de boor (boormachine)

214

percevoir

gewaarworden

215

percolateur, le

de koffiezetmachine

216

percuter

(tegen een auto) botsen

217

percuteur, le

de slagpin, de slagpen

218

perdant, le

de verliezer

219

perdre; perdu

verliezen, verloren

220

père, le

de vader

221

père adoptif, le

de pleegvader

222

perfection, la

de volmaaktheid

223

perfectionnement, le

de vervolmaking

224

perforer

perforeren, doorboren

225

performance, la

de prestatie (sport)

226

performant

hoge prestaties leverend

227

péril, le

het gevaar (risico)

228

périlleux; périlleuse; périlleux

(een) gevaarlijk (plan)

229

périmé

(een) verlopen (paspoort)

230

période, la

de periode

231

période de transition, la

de overgangsperiode

232

périphérique, le

de ringweg

233

perle, la

de parel

234

permanence, la

de duurzaamheid, de bestendigheid

235

permanent

(een) permanent (lid)

236

permettre

(iemand iets) toestaan

237

permis, le; les permis
de vergunning

(verblijfsvergunning)

238

permis de conduire, le;
les permis de conduire

het rijbewijs

239

permission, la

de toestemming

240

perpendiculaire; perpendiculaire

loodrecht (zijn)

241

perpétuel; perpétuelle

eeuwigdurend (een eeuwigdurende beweging)

242

perquisition, la

de huiszoeking

243

persécuteur; persécutrice

(een) vervolgende (instantie)

244

persévérance, la

het doorzettingsvermogen

245

persévérer

doorzetten (met een werk)

246

persil, le

de peterselie

247

persister

volharden

248

personnage, le

het personage

249

personnalité, la

de persoonlijkheid

250

personne, la

de persoon

251

personne ne; (pron. ind.)

niemand

252

personnel; personnelle

(het) persoonlijk (belang)

253

personnel, le

het personeel

254

perspective, la

het perspectief

255

perspicace; perspicace

(een) scherpzinnig (man)

256

persuader

(iemand) overreden

257

perte, la

het verlies (van een juweel)

258

perturbation, la

de storing (weersomstandigheden)

259

perturber

verstoren (stakingen verstoren de postbestelling)

260

pesant

log (een logge stap)

261

pesanteur, la

de zwaartekracht

262

peser; pesé

(fruit) wegen, gewogen

263

pétillant

bruisend (water)

264

petit

(een) klein (kind)

265

petit déjeuner, le

het ontbijt

266

petit pois, le

het erwtje

267

petite-fille, la; les petites-filles

de kleindochter

268

petit-fils, le; les petits-fils

de kleinzoon

269

petits-enfants m, les

de kleinkinderen

270

pétrole, le

de petroleum

271

pétrolier, le

de olietanker

272

peu, un

een beetje

273

peu à peu

beetje bij beetje

274

peuple, le

het volk

275

peur, la

de angst, de vrees, de schrik

276

peureux; peureuse; peureux

angstig

277

peut-être

misschien

278

phare, le

de koplamp

279

pharmacien, le

de apotheker

280

phase, la

de fase

281

phase terminale, la

de eindfase (van een ziekte)

282

phénomène, le

het fenomeen

283

philosophe, le

de filosoof

284

philosophie, la

de filosofie

285

photo, la

de foto

286

photocopie, la

de fotokopie

287

photographe, le

de fotograaf

288

photographie, la

de fotografie

289

phrase, la

de zin (een Franse zin)

290

physique; physique

lichamelijk, lichaams-, fysiek

291

physiquement

lichamelijk, fysiek

292

pianiste, le

de pianist

293

piano, le

de piano

294

pie, la

de ekster

295

pièce, la

het onderdeel (van een machine)

296

pièce, la

het geldstuk (van 1 euro)

297

pièce, la

de kamer, het vertrek, de ruimte

298

pièce de rechange, la;
les pièces de rechange

het vervangstuk (van een apparaat)

299

pied, le

de voet

300

piège, le

de valstrik

301

pierre, la

de steen

302

piétiner

(een bloembed) vertrappen

303

piéton, le

de voetganger

304

pieu, le; les pieux

de (hei)paal

305

pieux; pieuse; pieux

vroom (zijn)

306

pigeon, le

de duif

307

pile, la

de batterij (in een elektrisch toestel)

308

pilier, le

de pilaar

309

pillage, le

de plundering

310

piller

plunderen

311

pilote, le

de piloot

312

piloter

(een vliegtuig) besturen

313

pin, le

de dennenboom

314

pinceau, le

het penseel

315

pincée, la

het snuifje (zout)

316

pincer

(iemand in de arm) knijpen

317

pioche, la

het houweel

318

pipe, la

de pijp (een pijp roken)

319

pipeline, le

de pijpleiding (voor olie, gas)

320

pique-nique, le; les pique-niques

de picknick

321

piquer

prikken (steken)

322

piquet, le

het piket (paaltje)

323

piqûre, la

de injectie, de prik

324

pire

slechter

325

pire, le

het ergste, het slechtste

326

pis

slechter, erger

327

piscine, la

het zwembad

328

piste, la

het spoor

329

piste cyclable, la

het fietspad

330

pistolet, le

het pistool

331

pitoyable; pitoyable

meelijwekkend (een meelijwekkende
blik)

332

pittoresque; pittoresque

(een) schilderachtig (plekje)

333

pizza, la

de pizza

334

pizzeria, la

de pizzeria

335

placard, le

de muurkast

336

place, la

de plaats (ruimte)

337

placement, le

de belegging (van geld)

338

placer; placé

(een kast) plaatsen, geplaatst

339

plafond, le

het plafond

340

plage, la

het strand

341

plaider

pleiten

342

plaidoirie, la

het pleidooi

343

plaine, la

de vlakte

344

plainte, la

de klacht

345

plaire

bevallen (aanstaan), plezierig vinden

346

plaisant

(het is) plezierig

347

plaisanter

grapjes maken (over iets)

348

plaisanterie, la

het grapje

349

plaisir, le

het plezier

350

plan, le

het plan (stadsplan)

351

plan, le

de plattegrond

352

plan de travail, le; les plans de travail

het werkblad

353

planche, la

de plank

354

planche à voile, la; les planches à voile

de surfplank (windsurfen)

355

plancher, le

de houten vloer

356

planer

zweven

357

planétaire; planétaire

planetair

358

planète, la

de planeet

359

plantation, la

de beplanting

360

plante, la

de plant

361

planter; planté

(een boom) planten, geplant

362

plaque, la

de plaat (in metaal)

363

plaque d'immatriculation, la;
les plaques d’immatriculation

de nummerplaat

364

plastique, le

het plastic

365

plat, le

de schotel (dagschotel)

366

plat

(een) plat (bord)

367

plat de résistance, le; les plats de résistance

het hoofdgerecht

368

plat préféré, le

het lievelingsgerecht

369

plateau, le; les plateaux

het dienblad

370

plate-forme, la

het booreiland

371

plâtre

het gipsverband

372

plein

(een) vol (glas)
(zijn zakken) vol (geld hebben)

373

pleinement

volkomen (akkoord gaan)

374

pleurer

wenen

375

pleuvoir; plu

regenen, geregend

376

pli, le

de plooi

377

plier

(een blad papier) plooien

378

plomb, le

het lood

379

plomberie, la

de loodgieterij

380

plombier, le

de loodgieter

381

plongeant

duikend, naar beneden gericht

382

plongeon, le

de duik, de duiksprong

383

plonger

duiken

384

plongeur, le

de duiker

385

pluie, la

de regen

386

pluie acide, la

de zure regen

387

plume, la

de veer (van een vogel)

388

pluriel, le

het meervoud

389

plusieurs

verschillende, meer dan één

390

plutôt

(hij is) eerder (humeurig dan koppig)

391

pneu, le; les pneus

de band (van de auto)

392

poche, la

de zak (van een broek)

393

poêle, le

de kachel

394

poème, le

het gedicht

395

poésie, la

de poëzie

396

poète, le

de dichter

397

poétique; poétique

(een) poëtisch (karakter)

398

poids, le

het gewicht

399

poids lourd, le; les poids lourds

de vrachtwagen (zware vrachtwagen)

400

poignée, la

een handvol (zout)

401

poignée de main, la

de handdruk

402

poinçonneuse, la

de kniptang

403

poinçonneuse, la
de ponsmachine, de

perforeermachine

404

poing, le

de vuist

405

point, le

het punt (leesteken)

406

point de, (ne)

geen

407

point de repère, le; les points de repère

het herkenningsteken (richtpunt)

408

point de vue, le; les points de vue

het standpunt

409

point d'ébullition, le; les points d’ébullition

het kookpunt

410

pointe, la

de punt (van een potlood)

411

pointer

(namen) aanstippen (op een lijst)

412

pointu

(een) puntig (dak)

413

pointure, la

de schoenmaat

414

poire, la

de peer

415

poireau, le

de prei

416

poisson, le

de vis

417

poissonnier, le

de vishandelaar

418

poivre, le

de peper

419

polaire; polaire

polaire, pool-

420

polémique, la

de polemiek

421

poli

beleefd (zijn)

422

police, la

de politie

423

policier, le

de politieman

424

polir

polijsten

425

politesse, la

de beleefdheid

426

politicien, le

de politicus

427

politique, la

de politiek

428

polluer

(het milieu) verontreinigen

429

pollution, la

de vervuiling (van het milieu)

430

polynésien; polynésienne

Polynesisch

431

pomme, la

de appel (fruit)

432

pomme de terre, la; les pommes de terre

de aardappel

433

pompe, la

de pomp

434

pompiers m, les

de brandweer

435

pompiste, le

de pompbediende

436

poncho, le

de poncho

437

pondre

(een ei) leggen

438

pont, l

de brug

439

populaire; populaire

populair (zijn)

440

population, la

de bevolking

441

porc, le

het varkensvlees

442

porcelaine, la

het porseleinen voorwerp

443

port, le

de haven
het dragen

444

portable, le

de draagbare computer

445

portail, le

het portaal (monumentaal)

446

portatif; portative

(een) draagbaar (televisietoestel)

447

porte, la

de deur

448

porte coulissante, la

de schuifdeur

449

porte-bagages, le; les porte-bagages

de bagagedrager (van een fiets)

450

porte-clés, le; les porte-clés

de sleutelhanger

451

portée, la

de draagwijdte

452

portefeuille, le; les portefeuilles

de portefeuille

453

portemanteau, le; les portemanteaux

de kapstok

454

porte-monnaie, le; les porte-monnaie

de portemonnee

455

porte-parole, le; les porte-parole

de woordvoerder

456

porter; porté

(een koffer) dragen, gedragen

457

porter plainte

klacht indienen (tegen iemand)

458

porteur, le

de drager (bezorger)

459

porte-voix, le; les porte-voix

de megafoon

460

portillon, le

de klapdeur (klein en laag)

461

portion, la

de portie

462

portrait, le

het portret

463

portugais; portugaise; portugais

Portugees

464

portugais, le

het Portugees

465

Portugais, le

de Portugees

466

Portugal, le

Portugal

467

pose, la

de houding, de stand, de pose

468

poser; posé

(de koffer op de grond) neerzetten, neergezet

469

poser une question; posé

een vraag stellen, gesteld

470

positif; positive

(een) positief (resultaat)

471

position, la

de ligging (op een kaart)

472

posséder; possédant

bezitten, bezittend

473

possession, la

het bezit

474

possibilité, la

de mogelijkheid

475

possible; possible

(dat is) mogelijk

476

poste, la

de post (posterijen)

477

poste, le

de functie, de betrekking

478

poster

posten
plaatsen, opstellen

479

postérieur

(op een) later (tijdstip)

480

postier, le

de postbeambte

481

pot, le

de pot (bloempot)

482

potable; potable

drinkbaar (water)

483

potage, le

de soep

484

potager, le

de moestuin

485

poteau, le

de paal (telefoonpaal)

486

pou, le; les poux

de luis

487

poubelle, la

de vuilnisbak

488

poudre, la

het poeder

489

poulain, le

het veulen

490

poule, la

de kip

491

poulet, le

de kip (op het menu)

492

poumon, le

de long

493

poupée, la

de pop

494

poupin

popperig, poppig

495

pour

om, om te, voor, wegens

496

pour autant

echter, toch

497

pour cent

(95) procent

498

pour de bon

(hij is) voor altijd (vertrokken)

499

pour le moment

op dit ogenblik

500

pour que

opdat

501

pourboire, le

de fooi

502

pourcentage, le

het percentage

503

pourfendre

bestrijden

504

pourparlers m, les

de besprekingen
(onderhandelingen)

505

pourquoi?

waarom?

506

pourrir

rotten

507

poursuivre

(een doel) nastreven

508

poursuivre; poursuivi

achtervolgen, achtervolgd

509

pourtant

nochtans (echter)

510

pourvoir; pourvu

voorzien in; voorzien in

511

pourvu que

als...maar (als je maar komt)

512

poussée, la

de duw (stoot)

513

pousser; poussé

duwen, geduwd

514

poussière, la

het stof (afnemen)

515

poussiéreux; poussiéreuse, poussiéreux

(een) stoffig (lokaal)

516

poutre, la

de balk

517

pouvoir; pu

kunnen, gekund

518

pouvoir, le

de kracht, de macht

519

pouvoir d'achat, le

de koopkracht

520

praline, la

de praline, de bonbon

521

pratiquant

praktiserend (katholiek zijn)

522

pratique, la

de praktijk

523

pratique; pratique

(een) praktisch (werktuig)

524

pratiquement

praktisch (bijna)

525

pratiquer

(een sport) beoefenen

526

pré, le

de wei

527

préalable; préalable

voorafgaand (zonder voorafgaande mededeling)

528

précaire; précaire

hachelijk (een hachelijke situatie)

529

précaution, la

de voorzorg

530

précédé

voorafgegaan (zijn door)

531

précédent

vorig (de vorige dag)

532

précéder

voorafgaan

533

prêcher

preken

534

précieux; précieuse; précieux

(een) kostbaar (juweel)

535

précipitation, la

de overhaasting

536

précipiter

bespoedigen

537

précis

(een) nauwkeurig (werk)

538

précisément

precies (te werk gaan)

539

préciser

preciseren

540

précision, la

de nauwkeurigheid

541

précoce; précoce

vroegtijdig (een vroegtijdige dood)

542

précolombien; précolombienne

pre-Columbiaans

543

prédécesseur, le

de voorganger

544

prédire

voorspellen

545

préface, la

het voorwoord (van een boek)

546

préfecture, la

de prefectuur

547

préférable; préférable

(het is) verkieslijk

548

préféré

lievelings-, favoriet, favoriete

549

préférence, la

de voorkeur

550

préférer

verkiezen (ik verkies thuis te blijven)

551

préfet, le

de prefect

552

préjudice, le

de schade (morele schade)

553

préjugé, le

het vooroordeel

554

prélèvement, le

het afnemen

555

prémédité

beraamd (een beraamde daad)

556

premier; première

eerst (de eerste dag)

557

premièrement

eerst (dit afwerken)

558

premiers soin m, les

de eerste hulp

559

prendre; pris

nemen, genomen

560

prendre congé

afscheid nemen (van iemand)

561

prendre des mesures

maatregelen treffen

562

prendre feu

vuur vatten, in brand raken

563

prendre garde

oppassen (voor de auto's)

564

prendre le relais

het overnemen

565

prendre quelque chose en main

iets ter hand nemen, aanpakken

566

prendre sa retraite

met pensioen gaan

567

prénom, le

de voornaam

568

préoccupation, la

de bezorgdheid

569

préparation, la

de voorbereiding

570

préparer; préparant, préparé

voorbereiden, bereiden, bereidend,bereid

571

préposition, la

het voorzetsel

572

près de

dichtbij (het stadhuis)

573

prescrire

voorschrijven

574

présence, la

de aanwezigheid

575

présent, le

het heden

576

présent

aanwezig

577

présentable; présentable

(een) toonbaar (interieur)

578

présentation, la

het voorstellen (van een persoon)

579

présenter

(zijn verloofde) voorstellen

580

présenter; présenté

(zijn deelneming) betuigen, aanbieden,
aangeboden

581

présenter des symptômes

(symptomen) vertonen

582

préserver

bewaren, beschermen

583

président, le

de voorzitter

584

présider

(een vergadering) voorzitten

585

presque

bijna

586

presqu'île, la

het schiereiland

587

pressant

dringend (een dringende behoefte)

588

presse, la

de pers (media)

589

pressé

gehaast (zijn)

590

presse-fruits, le; les presse-fruits

de vruchtenpers

591

pressentiment, le

het voorgevoel

592

pressentir

een voorgevoel hebben, vermoeden

593

presser le pas

vlugger gaan lopen, zijn stappen versnellen

594

pressing, le

de stomerij (droogkuis)

595

prestidigitateur, le

de goochelaar

596

présumer

vermoeden (ik vermoed dat...)

597

prêt, le

de lening

598

prêt

klaar (zijn om te vertrekken)

599

prétendre

beweren

600

prétendu

zogenaamd (een zogenaamde vriend)

601

prétentieux; prétentieuse; prétentieux

(een) verwaand (kind)

602

prétention, la

de pretentie

603

prêter

uitlenen

604

prêter attention

aandacht schenken (aan iemand)

605

prêter serment

de eed afleggen

606

prétexte, le

het voorwendsel

607

prêtre, le

de priester

608

preuve, la

het bewijs

609

prévaloir

zegevieren

610

prévenir; prévenu

(iemand) verwittigen, verwittigd

611

prévenir

voorkomen

612

prévisible; prévisible

(het was) te voorzien

613

prévisions f, les

de verwachtingen (weersverwachtingen)

614

prévoir

(moeilijkheden) voorzien

615

prévoyant

(een) vooruitziend (man)

616

prévu

voorzien (de voorziene dag)

617

prier

bidden
verzoeken, vragen

618

prière, la

het gebed

619

prime, la

de premie

620

primitif; primitive

primitief (zijn)

621

primordial; primordiale; primordiaux

(het is) uiterst belangrijk

622

prince, le

de prins

623

princesse, la

de prinses

624

principal; principale; principaux

(het) voornaamste (gebouw)

625

principalement

hoofdzakelijk (letten op...)

626

printemps, le

de lente

627

priorité, la

de voorrang (in het verkeer)

628

prise de courant, la

het stopcontact

629

prison, la

de gevangenis

630

prisonnier, le

de gevangene

631

privé

privé, particulier

632

priver

(iemand van zijn rechten) beroven

633

privilège, le

het voorrecht

634

privilégié

bevoorrecht (zijn)

635

prix, le; les prix

de prijs

636

prix indicatif, le

de richtprijs

637

probable; probable

(het is) waarschijnlijk

638

probablement

waarschijnlijk (komen ze)

639

problème, le

het probleem

640

procédé, le

de werkwijze

641

procéder

te werk gaan

642

procéder à

overgaan tot (een werk)

643

procès, le

het proces

644

procès-verbal, le; les procès-verbaux

het proces-verbaal

645

prochain, le

de medemens

646

prochain

volgend (weekend)

647

proche; proche

(een) nabijgelegen (plaats)

648

proclamer

(de uitslag) bekendmaken

649

procurer

(iemand kapitaal) verschaffen

650

producteur, le

de producent

651

production, la

de productie

652

produire

(graan) voortbrengen, produceren

653

produit, le

het product

654

produit laitier, le

het melkproduct

655

proéminent

uitstekend, vooruitstekend

656

prof, le

de leraar, de professor

657

professer

(een theorie) verkondigen

658

professeur, le

de leraar

659

profession, la

het beroep

660

professionnel; professionnelle

(een) professioneel (sportman)

661

profil, le

het profiel

662

profit, le

de winst (geld)

663

profiter

genieten (van het goede weer)

664

profond

(een) diep (gat)

665

profondément

diep

666

profondeur, la

de diepte

667

programme, le

het programma

668

programmer

programmeren

669

progrès, le

de vooruitgang

670

progresser

vorderen (de werken vorderen)

671

progressif; progressive

geleidelijk (een geleidelijke verandering)

672

progression, la

de vooruitgang

673

prohiber

(bij de wet) verbieden

674

proie, la

de prooi

675

projecteur, le

de spotlight, de schijnwerper

676

projet, le

het project

677

projeter; projeté

projecteren, geprojecteerd

678

prolixe; prolixe

breedvoerig (een breedvoerige
redevoering)

679

prolongation, la

de verlenging (van een wedstrijd)

680

prolongement, le

de verlenging (van een autoweg)

681

prolonger

(een match) verlengen

682

promenade, la

de wandeling

683

promeneur, le

de wandelaar

684

promesse, la

de belofte

685

promettre; promis

beloven, beloofd

686

promotion, la

de bevordering (tot secretaris)

687

promouvoir

(een nieuw product) promoten

688

promouvoir

promoveren, bevorderen (tot een hogere functie)

689

prompt

(een) spoedig (herstel)

690

prononcer

(een woord) uitspreken

691

prononciation, la

de uitspraak (van een bepaald woord)

692

propice; propice

(een) gunstig (moment afwachten)

693

proportion, la

de verhouding (tussen de onderdelen)

694

propos m, les

het gepraat

695

proposer; proposé

(een plan) voorstellen, voorgesteld

696

proposition, la

het voorstel

697

propre; propre

(een) proper (appartement)

698

propre à

(een karaktertrek) eigen aan (iemand)

699

propreté, la

de netheid (in het huis)

700

propriétaire, le

de eigenaar (van het huis)

701

propriété, la

de eigendom

702

proscrire

(juridisch) verbieden

703

prospérer

voorspoedig zijn

704

prospérité, la

de voorspoed

705

protagoniste, le

de hoofdrolspeler

706

protecteur, le; la protectrice

de beschermer

707

protecteur; protectrice

beschermend

708

protection, la

de bescherming

709

protégé, le

de beschermeling

710

protéger

beschermen

711

protestation, la

het protest

712

protester; protesté

protesteren, geprotesteerd

713

prouver

bewijzen

714

provenance, la

de herkomst

715

provençal; provençale; provençaux

Provençaals

716

provenir

afkomstig zijn (deze dadels zijn afkomstig uit Tunesië)

717

province, la

de provincie

718

provincial; provinciale; provinciaux

(het) provinciaal (belang)

719

provision, la

de voorraad

720

provisoire; provisoire

(een) voorlopig (oordeel)

721

provocant

uitdagend, provocerend

722

provoquer

uitdagen (door te tarten)
veroorzaken, teweegbrengen

723

proximité, la

de nabijheid

724

prudemment

voorzichtig

725

prudence, la

de voorzichtigheid

726

prudent

voorzichtig (zijn)

727

prune, la

de pruim

728

psychologique; psychologique

psychologisch

729

psychologue, le

de psycholoog

730

pub, la
(la publicité)

de reclame

731

pub, le

de pub (Engelse kroeg)

732

public; publique

(een) openbaar (gebouw)

733

publication, la

de publicatie

734

publicitaire; publicitaire

publicitaire, reclame-

735

publicité, la

de reclame

736

publier

(een boek) publiceren

737

puce, la

de chip (computer)

738

pudeur, la

het schaamtegevoel

739

puer

stinken

740

puéricultrice, la

de kinderverzorgster

741

puis

daarna (vervolgens)

742

puiser

(water) putten (uit een bron)

743

puisque

vermits

744

puissance, la

de macht (kracht)

745

puissan

(een) machtig (politicus)

746

puits, le

de put

747

pull, le

de trui

748

punir

straffen

749

punition, la

de straf

750

pupitreur, le; la pupitreuse

de deskoperator, de computeroperator

751

pur

zuiver (zuivere wijn)

752

pureté, la

de zuiverheid (van het product)

753

purifier

zuiveren, reinigen

754

puzzle, le

de puzzel

755

pyjama, le

de pyjama