woordjes L Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes L > Flashcards

Flashcards in woordjes L Deck (200):
1

la; (pron. pers.)

hem, haar, ze

2

(kijk) daar

3

là-bas

ginds

4

labeur, le

het harde werk (inspanning)

5

laboratoire, le

het laboratorium

6

laborieux; laborieuse; laborieux

(een) hardwerkend (man)

7

labourer

(het land) omploegen

8

lac, le

het meer (van Genève)

9

lacer

(zijn schoenen) vastmaken (met veters)

10

lacet, le

de veter

11

lâche; lâche

laf (zijn)

12

lâcher

(de duiven) loslaten

13

lâcheté, la

de lafheid

14

lacune, la

de leemte (in een tekst)

15

là-dedans

daarin, daarbinnen

16

lady, la; les ladies

de lady

17

là-haut

daarboven

18

laïc, le

de leek

19

laid

lelijk (zijn)

20

laideur, la

de lelijkheid

21

lainage, le

de wollen stof

22

laine, la

de wol

23

laisser; laissé

laten, gelaten

24

lait, le

de melk

25

lait battu, le

de karnemelk

26

laiterie, la

de melkerij

27

laitue, la

de sla (groentesoort)

28

lambeau, le

de lap (gescheurde stof)

29

lame, la

het lemmet

30

lamentable; lamentable

erbarmelijk (een erbarmelijke oefening)

31

lampadaire, le

de staande lamp, de schemerlamp

32

lampe, la

de lamp

33

lampe de chevet, la

het bedlampje

34

lancer

(een bal) gooien

35

lancer; lancé

(een raket) lanceren, gelanceerd

36

langoureusement

smachtend, kwijnend

37

langue, la

de taal (Engels)

38

langue maternelle, la

de moedertaal

39

lapin, le

het konijn

40

larcin, le

de kruimeldiefstal

41

lard, le

het spek

42

large; large

breed (zijn)

43

l'argent ne fait pas le bonheur

geld maakt niet gelukkig

44

largeur, la

de breedte

45

larme, la

de traan

46

las; lasse

(een) vermoeid (kind)

47

lasagne, la

de lasagne

48

latin, le

het Latijn

49

lavable; lavable

wasbaar (een wasbare stof)

50

lavabo, le

de lavabo, de wastafel

51

laver; lavé

wassen, gewassen

52

lave-vaisselle, le

de vaatwasmachine

53

le long de

(bomen planten) langs (de weg)

54

le, l', la; (pron. pers.)

het (LV)

55

lécher

likken

56

leçon, la

de les

57

lecteur, le; la lectrice

de lezer, de lezeres

58

lecture, la

de lectuur

59

légal; légale; légaux

wettelijk (de wettelijke leeftijd)

60

légende, la

de legende

61

léger; légère

licht (een lichte koffer)

62

légèrement

licht, lucht, een beetje

63

légèreté, la

de lichtheid

64

législatif; législative

(een) wetgevend (orgaan)

65

légitime; légitime

(een) wettig (kind)

66

légitimement

rechtmatig (iets verworven hebben)

67

légumes m, les

de groenten

68

lendemain, le

de volgende dag

69

lent

traag (zijn)

70

lentement

langzaam, traag

71

lenteur, la

de traagheid

72

lentille, la

de lens

73

lequel, laquelle, lesquels, lesquelles; (pron. int.)

dewelke, hetwelk

74

les; (pron. pers.)

hen, ze (LV)

75

lésion, la

de verwonding, het letsel, de wond

76

lessive, la

het wasmiddel

77

lettre, la

de brief

78

lettre, la

de letter

79

lettre recommandée, la

de aangetekende brief

80

leur; (pron. pers.)

hen, hun (MV)

81

levée, la

het lichten (van de brievenbus)

82

lever ; levé

(de zitting) opheffen, sluiten, gesloten

83

levier, le

de hendel

84

lèvre, la

de lip

85

levure, la

de gist

86

lézard, le

de hagedis

87

liaison, la

de verbinding (trein)

88

libanais; libanaise; libanais

Libanees

89

libeller

(een akte) opstellen

90

libéral; libérale; libéraux

liberaal (zijn)

91

libéralisme, le

het liberalisme

92

libération, la

de bevrijding

93

libérer

bevrijden

94

liberté, la

de vrijheid

95

libraire, le

de boekhandelaar

96

librairie, la

de boekhandel

97

libre; libre

vrij (zijn)

98

libre-service, le

de zelfbediening

99

licence, la

de licentie (in rechten)

100

licenciement, le

het ontslag

101

licencier

(iemand) ontslaan

102

lié

gelinkt

103

Liège f

Luik

104

lien, le

de band (de huwelijksband)

105

lier

(twee stukken met elkaar) verbinden

106

lierre, le

de klimop

107

lieu, le; les lieux

de plaats, de plek

108

lieu de naissance, le;
les lieux de naissance

de geboorteplaats

109

lieu de stationnement, le;
les lieux de stationnement

de parkeerplaats (voor 1 wagen)

110

lieue, la

de mijl (afstandsmaat)

111

lieutenant, le

de luitenant

112

lièvre, le

de haas

113

lifting, le

de facelift, de metamorfose

114

ligne, la

de lijn (streep), de lijn, het figuur

115

limitation, la

de beperking

116

lime, la

de vijl

117

limité

(een) beperkt (aantal)

118

limiter

beperken

119

limpide; limpide

doorzichtig (water)

120

linge, le

de was (de vuile was)

121

lingot, le

de baar (een baar goud)

122

lion, le

de leeuw

123

liquide; liquide

vloeibaar (vloeibare zeep)

124

liquide, le

de vloeistof

125

lire; lu

lezen, gelezen

126

lisible; lisible

(een) leesbaar (artikel)

127

lisse; lisse

(een) glad (oppervlak)

128

lissé

glad gemaakt, plat

129

liste, la

de lijst (met namen)

130

lit, le

het bed

131

literie, la

het beddengoed (lakens en matrassen)

132

litre, le

de liter

133

littéraire; littéraire

literair (een literaire prijs)

134

littérature, la

de literatuur

135

littoral, le

de kuststreek

136

livraison, la

de levering

137

livre, la

het pond (een pond suiker)

138

livre, le

het boek

139

livrer

(koopwaar) leveren

140

livret, le

het boekje

141

livreur, le

de bezorger (leverancier)

142

local; locale; locaux

plaatselijk (de plaatselijke krant)

143

local, le; les locaux

het lokaal

144

localement

plaatselijk

145

localité, la

het oord (plaats)

146

locataire, le

de huurder

147

location, la

het verhuren (van appartementen)

148

locuteur, le

de spreker

149

locution, la

de uitdrukking (zegswijze)

150

locutrice, la

de spreekster

151

logement, le

de huisvesting

152

loger

logeren

153

logiciel, le

de software

154

logique; logique

(het is) logisch

155

logistique, la

de logistiek

156

logistique; logistique

logistiek, logistisch

157

loi, la

de wet

158

loin

(de stad is) ver (van hier)

159

lointain

(een) ver verwijderd (dorp)

160

loisir, le

de vrije tijd

161

Londres m

Londen

162

long; longue

lang (een lange draad)

163

longer

lopen langs (de huizen)

164

longitude, la

de lengte (geografisch)

165

longtemps

lang (wachten)

166

longuement

langdurig (praten)

167

longueur, la

de lengte

168

look, le

de look

169

lors de

gedurende, tijdens

170

lorsque

wanneer (ze komen, dan ...)

171

loto, le

de lotto

172

louche, la

de soeplepel (om soep uit te scheppen)

173

louche; louche

verdacht, duister, onguur

174

louer; loué

huren, gehuurd

175

loup, le

de wolf

176

loupe, la

de loep, het vergrootglas

177

lourd

zwaar (een zware koffer)

178

lourdeur, la

de logheid (van geest)

179

Louvain m

Leuven

180

loyal; loyale; loyaux

loyaal (zijn)

181

loyer, le

de huurprijs

182

lucarne, la

het dakvenster, het zolderraam

183

lueur, la

het schijnsel (licht)

184

lui; (pron. pers.)

hem, haar

185

lui; (pron. pers.)

hij

186

lui-même; (pron. pers.)

hijzelf

187

luire

glanzen

188

luisant, le

de glans (van een satijnen stof)

189

lumière, la

het licht

190

lumineux; lumineuse; lumineux

lichtgevend (een lichtgevende
wijzerplaat)

191

lundi

maandag

192

lune, la

de maan

193

lune de miel, la

de wittebroodsweken

194

lunettes f, les

de bril

195

l'urgence f

de dienst spoedgevallen

196

lustre, le

de hanglamp, de luchter

197

lutte, la

de strijd (tegen kanker)

198

lutter

(tegen een ziekte) strijden

199

luxe, le

de luxe

200

lycée, le

de middelbare school