woordjes C Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes C > Flashcards

Flashcards in woordjes C Deck (800):
1

ça; (pron. dem.)

dit, dat, het

2

ça coûte

dat kost (12 euro)

3

ça suffit

dat volstaat

4

cabane, la

de hut

5

cabine, la

de cabine, het hokje

6

cabine de bain, la

het kleedhokje (bij het zwembad)

7

cabine téléphonique, la

de telefooncel

8

caché

(een) verborgen (schat)

9

cache-cache, le

verstoppertje

10

cacher

verstoppen

11

cachet, le

de stempel (werktuig)

12

cacheter

(een brief) verzegelen

13

cachette, la

de schuilplaats (om zich te verstoppen)

14

cadeau, le; les cadeaux

het geschenk

15

cadet, le

de jongere broer

16

cadet; cadette

jongste (de jongste zus)

17

cadran, le

de wijzerplaat

18

cadre, le

het kaderlid

19

caduc; caduque

bouwvallig, verouderd (een bouwvallig huis)

20

café, le

de koffie, het café

21

cafétéria, la

de cafetaria

22

cafetière, la

de koffiepot

23

cage, la

de kooi, de schacht (van een lift)

24

cageot, le

het kistje

25

cahier, le

het schrift

26

caillou, le; les cailloux

de kei (op de weg)

27

Caire, Le

Caïro

28

caisse, la

de kassa

29

caisse d'épargne, la

de spaarkas

30

caissier, le

de kassier

31

calcul, le

de berekening (van de onkosten)

32

calculatrice, la

de rekenmachine

33

calculer

uitrekenen

34

caleçon, le

de legging, de onderbroek

35

calepin, le

het notitieboekje

36

câliner

(een kindje) liefkozen

37

calme; calme

kalm (zijn)

38

calmement

kalm

39

calmer

(iemand) kalmeren

40

calorie, la

de calorie

41

camarade, le

de kameraad

42

camaraderie, la

de kameraadschap

43

cambriolage, le

de inbraak

44

cambrioler

inbreken (in een huis)

45

cambrioleur, le

de inbreker

46

camembert, le

de camembert

47

caméra, la

de camera

48

camion, le

de vrachtwagen

49

camionnette, la

de bestelwagen

50

camp, le

het kamp

51

campagne, la

het platteland

52

campagne électorale, la

de verkiezingscampagne

53

campagne publicitaire, la

de reclamecampagne

54

camper

kamperen

55

campeur, le

de kampeerder

56

canal, le; les canaux

het kanaal

57

canapé, le

de zitbank

58

canard, le

de eend

59

canari, le

de kanarievogel

60

cancer, le

de kanker

61

candélabre, le

de kandelaar

62

candidat, le

de kandidaat

63

candidature, la

de kandidatuur

64

caniculaire; caniculaire

van, als in de hondsdagen;
van de heetste tijd van het jaar

65

canne, la

de wandelstok

66

canne à pêche, la; les cannes à pêche

de vishengel

67

canon, le

het kanon

68

canot, le

het bootje (kano)

69

canot à rames, le

de roeiboot

70

canot de sauvetage, le

de reddingssloep

71

canton, le

het kanton

72

cantonner

gelegerd zijn (de legertroepen zijn hier gelegerd)

73

caoutchouc, le

de rubber

74

cap, le

de kaap

75

capable, capable

bekwaam (zijn)

76

capacité, la

de capaciteit, het vermogen

77

capitaine, le

de kapitein

78

capital, le; les capitaux

het kapitaal

79

capitale, la

de hoofdstad

80

capitaliste, capitaliste

(een) kapitalistisch (land)

81

capituler

zich overgeven (bij een gevecht)

82

capot, le

de motorkap

83

caprice, le

de gril (bevlieging)

84

capricieux, capricieuse; capricieux

(een) wispelturig (karakter)

85

capsule, la

de kroonkurk (van een flesje frisdrank)

86

capter

(geluidsgolven) opvangen

87

captivant

(een) spannend (boek)

88

captiver

boeien (fascineren)

89

captivité, la

de gevangenschap

90

capturer

(een boosdoener) gevangennemen

91

car

want

92

caractère, le

het karakter (van een persoon)

93

caractériser

kenmerken, karakteriseren

94

caractéristique, la

het kenmerk

95

carafe, la

de karaf, de tafelfles

96

cardiaque; cardiaque

hart-

97

cardinal, le; les cardinaux

de kardinaal

98

caresse, la

de liefkozing

99

caresser

liefkozen

100

cargaison, la

de lading (vracht)

101

cargo, le

het vrachtschip

102

carnaval (m), le; les carnavals

het carnaval

103

carnet, le

het zakboekje

104

carnivore, le

de vleeseter

105

carotte, la

de wortel (groente)

106

carpette, la

het vloerkleedje

107

carré

(een) vierkant (schilderij)

108

carreau, le; les carreaux

de tegel (vloersteen)

109

carrefour, le

het kruispunt

110

carrelage, le

de tegelvloer

111

carrément

ronduit (zijn mening zeggen)

112

carrière, la

de loopbaan

113

carrossier, le

de wagenmaker

114

cartable, le

de boekentas

115

carte, la

de spijskaart

116

carte bancaire, la

de bankkaart

117

carte de crédit, la

de kredietkaart

118

carte de fidélité, la

de getrouwheidskaart

119

carte de membre, la

de lidmaatschapskaart

120

carte de visite, la

het visitekaartje

121

carte d'identité, la; les cartes d'identité

de identiteitskaart

122

carte géographique, la

de landkaart

123

carte postale, la

de postkaart

124

carte routière, la

de wegenkaart

125

carton, le

het karton

126

cartouche, la

de patroon (voor een geweer)

127

cas, le; les cas

het geval

128

cascade, la

de waterval

129

cascadeur, le

de stuntman

130

case, la

het hokje (in een kruiswoordraadsel)

131

caserne, la

de kazerne

132

cash

cash

133

casque, le

de helm

134

casque de protection, le

de valhelm

135

casquette, la

de pet

136

casse-noisettes, le; les casse-noisettes

de notenkraker

137

casser; cassé

(een glas) breken

138

casserole, la

de pan (braadpan)

139

cassette, la

de cassette

140

casting, le

de casting

141

catalogue, le

de catalogus

142

cataloguer; catalogué

classificeren, geclassificeerd

143

catastrophe, la

de catastrofe

144

catégorie, la

de categorie

145

cathédrale, la

de kathedraal

146

catholique, catholique

katholiek (zijn)

147

cauchemar, le

de nachtmerrie

148

cauchemardesque; cauchemardesque

op een nachtmerrie lijkend

149

cause, la

de oorzaak

150

causer

veroorzaken

151

causerie, la

het praatje (op de radio)

152

cavalier, le

de ruiter

153

cave, la

de kelder

154

caverne, la

de spelonk

155

caviar, le

de kaviaar

156

cavité, la

de holte

157

ce que; (pron. dém.)

wat (LV)

158

ce qui; (pron. dém.)

wat (Ond.)

159

ce sont; (pron. dém.)

het zijn

160

ce, cet, cette, ces; (pron. dem.)

dit, dat, deze

161

ceci

dit, dit hier

162

céder

bezwijken (voor een voorstel)

163

céder sa place

zijn plaats afstaan

164

ceinture, la

de riem (gordel)

165

ceinture de sécurité, la

de veiligheidsgordel

166

cela

dat, het voorafgaande

167

célèbre, célèbre

beroemd (zijn)

168

célébrer

(een jubileum) vieren

169

célébrité, la

de roem, de bekendheid

170

céleste, céleste

hemels (een hemelse schoonheid)

171

célibataire, célibataire

ongehuwd (zijn)

172

cellier, le

de provisiekast

173

cellule, la

de cel (kern)

174

celui qui, celle qui; (pron. dém.)

diegene die, wie

175

celui, celle; (pron. dém.)

die, dat

176

celui-là, celle-là, ceux-là, celles-là; (pron. dém.)

die daar, dat daar

177

cendre, la

de as (van een sigaret)

178

cendrier, le

de asbak

179

cendrillon

assepoester

180

cent

honderd

181

cent, le

het muntstuk ter waarde van 0,01 euro

182

centaine, la

het honderdtal

183

centime, le

de centime

184

centimètre, le

de centimeter

185

central; centrale; centraux

(een) centraal (punt)

186

centrale nucléaire, la

de kerncentrale

187

centralisation, la

de centralisatie

188

centre, le

het centrum

189

centre-ville, le

het stadscentrum

190

cependant

echter

191

cercle, le

de cirkel

192

céréales (f), les

de graangewassen

193

cérébrale, cérébrale

cerebraal, hersen-

194

cérémonie, la

de ceremonie

195

cerf, le

het hert

196

cerf-volant, le; les cerfs-volants

de vlieger

197

cerise, la

de kers

198

cerisier, le

de kersenboom

199

cerne, le

de kring

200

cerner

(een wijk) omsingelen

201

certain

(een) zeker (aantal)

202

certainement

(hij komt) zeker

203

certes!

voorzeker! (inderdaad)

204

certificat, le

het getuigschrift

205

certifier

verzekeren (bevestigen)

206

certitude, la

de zekerheid (stelligheid)

207

cerveau, le

de hersenen

208

cesser

ophouden (met roken)

209

cessez-le-feu, le

het staakt-het-vuren

210

c'est; (pron. dém.)

het is

211

c'est bon

het is lekker

212

c'est dommage!

het is jammer!

213

c'est fini

het is klaar (het is volbracht)

214

c'est le bouquet

dat is het toppunt, dat spant de kroon

215

chacun; (pron. ind.)

ieder(een), elk(een)

216

chacun pour soi; (pron. pers.)

ieder voor zich

217

chagrin, le

het verdriet

218

chahuter

herrie schoppen (in de klas)

219

chaîne, la

de ketting

220

chaîne de montage, la

de lopende band

221

chair, la

het vlees (van een vrucht)

222

chaise, la

de stoel

223

châle, le

de omslagdoek, de sjaal

224

chaleur, la

de warmte

225

chaleureux; chaleureuse, chaleureux

hartelijk

226

challenger, le

de uitdager

227

chaloupe, la

de sloep

228

chambre, la

de kamer

229

chambre à coucher, la;
les chambres à coucher

de slaapkamer

230

chameau, le

de kameel

231

champ, le

het veld

232

champagne, le

de champagne

233

champignon, le

de paddestoel

234

champion, le

de kampioen

235

championnat, le

het kampioenschap

236

chance, la

de kans

237

chanceler

wankelen

238

chandail, le

de trui

239

change, le

het wisselen (van geld)

240

changement, le

de verandering

241

changer

(in Leuven) overstappen

242

chanson, la

het lied

243

chant, le

het gezang

244

chanter; chanté

zingen, gezongen

245

chanteur, le

de zanger

246

chanteuse, la

de zangeres

247

chantier, le

de werf (bouwterrein)

248

chantier naval, le

de scheepswerf

249

chantonner

neuriën

250

chapeau, le; les chapeaux

de hoed

251

chapelle, la

de kapel

252

chapitre, le

het hoofdstuk

253

chaque

elk (jaar)

254

charbon, le

de steenkool

255

charcuterie, la

de vleeswaren

256

charge, la

de lading (van een vrachtwagen)

257

chargement, le

het laden

258

charger

(een vrachtwagen) beladen

259

charitable; charitable

liefdadig (zijn)

260

charité, la

de liefdadigheid

261

charmant

charmant (zijn)

262

charme, le

de charme

263

charmer; charmé

boeien, fascineren, geboeid

264

charpentier, le

de timmerman

265

charrette, la

de kar

266

charrue, la

de ploeg (landbouwwerktuig)

267

chasse, la

de jacht

268

chasser

jagen (op dieren)

269

chasseur, le

de jager

270

chat, le

de kat

271

châtain

kastanjebruin

272

château, le; les châteaux

het kasteel

273

chatouilleux; chatouilleuse, chatouilleux

kittelachtig, gevoelig

274

chatte, la

de kattin

275

chaud

(het is) warm

276

chaudière, la

de verwarmingsketel

277

chauffage, le

de verwarming

278

chauffage central, le

de centrale verwarming

279

chauffe-assiettes, le; les chauffe-assiettes

de bordenwarmer

280

chauffe-eau, le; les chauffe-eau

het heetwatertoestel, de boiler

281

chauffer

verwarmen

282

chauffeur, le

de bestuurder

283

chaussée, la

de steenweg

284

chaussette, la

de sok

285

chaussure, la

de schoen

286

chauve, chauve

(een) kaal (hoofd)

287

chauve-souris, la

de vleermuis

288

chauvin

chauvinistisch

289

chavirer

kapseizen

290

chef, le

de leider, de baas

291

chef d'orchestre, le

de dirigent

292

chef-d'oeuvre, le; les chefs-d'oeuvre

het meesterwerk

293

chef-lieu, le; les chefs-lieux

de hoofdplaats (van departement)

294

chemin, le

de weg

295

chemin de fer, le

de spoorweg

296

cheminée, la

de schoorsteen

297

cheminot, le

de spoorwegbeambte

298

chemise, la

het hemd (overhemd)

299

chemise de nuit, la

de nachtjapon

300

chemisier, le

de overhemdbloes

301

chêne, le

de eik

302

chèque, le

de cheque

303

chèque à ordre, le; les chèques à ordre

de cheque op naam

304

chèque au porteur, le;
les chèques au porteur

de cheque aan toonder

305

chèque bancaire, le

de bankcheque

306

chéquier, le

het chequeboekje

307

cher; chère

geachte (Geachte Heer,...), (een) duur (juweel)

308

chéri, le, la chérie

lief (dat lief meisje), de lieveling, de lievelinge, het schatje

309

chercher; cherché

zoeken, gezocht

310

chercheur, le

de onderzoeker

311

cheval, le; les chevaux

het paard

312

chevalier, le

de ridder

313

chevet, le

het bed, het ziekbed

314

cheveux (m), les

het haar (deze vrouw heeft mooi haar)

315

chèvre, la

de geit

316

chevreuil, le

de ree (soort hert)

317

chez

bij

318

chic; (inv)

chic, deftig

319

chicons (m), les

het witloof

320

chien, le

de hond

321

chiffon, le

de vod

322

chiffre, le

het cijfer

323

chiffrer

berekenen, ramen, schatten

324

chignon, le

een knot, een dot

325

chimie, la

de scheikunde

326

chimique, chimique

(een) chemisch (product)

327

chimiste, le

de scheikundige

328

chimpanzé, le

de chimpansee

329

Chine

China

330

chinois; chinoise; chinois

Chinees

331

choc, le

de schok

332

chocolat, le

de chocolade

333

choeur, le

het koor (zangkoor)

334

choisir; choisi

kiezen, gekozen

335

choix, le

de keuze

336

chômage, le

de werkloosheid

337

chômer

werkloos zijn

338

chômeur, le

de werkloze

339

chope, la

de pils

340

choquer; choqué

(iemand emotioneel) schokken, geschokt

341

choquer

botsen

342

chose, la

het ding

343

chou, le; les choux

de kool (groente)

344

chouchou, le; les chouchous

de lieveling, het lieverdje

345

chouette!

(dat is) leuk!

346

chou-fleur, le

de bloemkool

347

chrétien; chrétienne

christelijk

348

christianisme, le

het christendom

349

chrysanthème, le

de chrysant

350

chuchoter

fluisteren

351

chute, la

de val (van een object)

352

cible, la

het doelwit (schietschijf)

353

cibler

als doelgroep kiezen

354

ciboulette, la

de bieslook

355

ciel, le

de hemel

356

cigare, le

de sigaar

357

cigarette, la

de sigaret

358

ci-inclus

hierbij ingesloten

359

ci-joint

hierbij ingesloten

360

cime, la

de top (van een berg)

361

ciment, le

de cement

362

cimetière, le

het kerkhof

363

cinéma, le

de bioscoop

364

cingler

striemen (de regen striemt haar in het gelaat)

365

cinq

vijf

366

cinquantaine, la

het vijftigtal

367

cinquante

vijftig

368

cintre, le

de kleerhanger

369

cintré

getailleerd

370

cintré

gebogen, gewelfd

371

circonscrire

afbakenen

372

circonstance, la

de omstandigheid

373

circonvenir

misleiden

374

circuit, le

het circuit (sport)

375

circulaire, la

de omzendbrief

376

circulation, la

het verkeer (op de weg)

377

circuler

circuleren (in de straten van de stad)

378

cirer

(schoenen) poetsen

379

cirque, le

het circus

380

ciseaux (m), les

de schaar

381

citadin, le

de stedeling

382

cité, la

de stadskern

383

citer

(een auteur) citeren

384

civil

(een) burgerlijk (huwelijk)

385

civilisation, la

de beschaving

386

clair

helder (water)

387

clairement

duidelijk, begrijpelijk

388

clandestin

clandestien, ondergronds, verboden

389

claquer

(de deur) dichtslaan

390

clarté, la

de helderheid

391

classe, la

de klasse (de werkende klasse)

392

classement, le

het klassement

393

classer

rangschikken

394

classeur, le

de map (opbergmap)

395

classique, classique

(een) klassiek (boek)

396

clavier, le

het toetsenbord

397

clé, la

de sleutel

398

clef, la

de sleutel

399

clémence, la

de vergevingsgezindheid

400

clément

vergevingsgezind (zijn)

401

clergé, le

de geestelijkheid (clerus)

402

cliché, le

het negatief

403

cliché, le

het cliché, de stereotiepe uitdrukking

404

client, le

de klant

405

cliente, la

de klant

406

clientèle, la

de cliënteel

407

clignotant, le

de richtingaanwijzer (van de auto)

408

clignoter

knipperen (met de ogen)

409

climat, le

het klimaat

410

clin d'oeil, le; les clins d'oeil

de knipoog

411

cliquer

klikken

412

cloche, la

de klok (in de kerktoren)

413

clocher, le

de klokkentoren

414

cloison, la

de tussenwand

415

clore

sluiten

416

clos

(een) gesloten (ruimte)

417

clôture, la

de omheining

418

clou, le; les clous

de spijker

419

clouer

(een kistje) spijkeren

420

clown, le

de clown

421

club, le

de club, de vereniging

422

cobaye, le

het proefkonijn (persoon)

423

cocher

aankruisen (op een antwoordformulier)

424

cochon, le

het varken

425

code, le

de code

426

code postal, le

het postnummer

427

coéquipier, le

de ploegmaat

428

coeur, le

het hart

429

coffre, le

de kofferruimte

430

coffre, le

de koffer, de kist

431

coffre à linge, le

de wasmand

432

coffre-fort, le; les coffres-forts

de brandkast

433

coffrer; coffré

opsluiten, inrekenen, ingerekend

434

cognac, le

de cognac

435

cohabiter

(ongehuwd) samenwonen

436

cohue, la

het gedrang (de mensenmassa)

437

coiffeur, le

de kapper

438

coiffure, la

het kapsel

439

coin, le

de hoek (van een straat)

440

coïncidence, la

de samenloop (van omstandigheden)

441

coïncider

samenvallen (2 gebeurtenissen die samenvallen)

442

coin-cuisine, le

de kookhoek, de (kleine) open keuken

443

col, le

de kraag

444

colère, la

de woede

445

coléreux, coléreuse, coléreux

(een) driftig (man)

446

colérique, colérique

driftig, opvliegerig

447

colis, le

het postpakket

448

collaborateur, le

de medewerker

449

collaboration, la

de medewerking (met medewerking van)

450

collaborer

meewerken (aan een krant),samenwerken

451

collants (m), les

de panty

452

colle, la

de lijm

453

collectif; collective

(een) collectief (contract)

454

collection, la

de verzameling (postzegels)

455

collection privée, la

de privé-verzameling

456

collectionner

(postzegels) verzamelen

457

collectionneur, le

de verzamelaar

458

collège, le

het college (school)

459

collège des échevins, le

het schepencollege

460

collègue, le

de collega

461

coller

kleven

462

collerette, la

het kraagje

463

collier, le

het halssnoer

464

colline, la

de heuvel

465

collision, la

de aanrijding

466

colonel, le

de kolonel

467

colonie, la

de kolonie

468

colonne, la

de zuil

469

colorant, le

De kleurstof

470

coloré

gekleurd, kleurrijk

471

colorer

(iets blauw) kleuren

472

coloris, le

de kleur, de kleurrijkheid

473

combat, le

het gevecht

474

combatif

(een) strijdlustig (man)

475

combattant, le

de strijder

476

combattre

(de honger) bestrijden

477

combien?

hoeveel?

478

combinaison, la

de combinatie

479

combinaison de plongée, la

het badpak, het duikpak

480

combiner

combineren

481

comble, le

het toppunt (van geluk)

482

comblé

overgelukkig (zijn)

483

combler

(een gat) opvullen

484

combustible, le

de brandstof

485

comédie, la

de komedie

486

comédien, le; la comédienne

de toneelspeler, de toneelspeelster

487

comestible, comestible

(een) eetbaar (product)

488

comique, comique

(een) komisch (jongetje)

489

comité, le

het comité

490

commandant, le

de bevelhebber (in het leger)

491

commande, la

de bestelling (van goederen)

492

commande à distance, la

de afstandsbediening (van televisie)

493

commandement, le

het bevel

494

commander

(een kast) bestellen (bij de fabrikant), (iemand) gebieden

495

comme

zoals (jij), als

496

comme si

alsof (het gisteren was)

497

commencement, le

de aanvang

498

commencer; commencé

beginnen, begonnen

499

comment?

hoe?

500

commentaire, le

de commentaar

501

commenter; commenté

verklaren, verklaard

502

commerçant, le

de handelaar

503

commerce, le

de handel

504

commercial; commerciale; commerciaux

commercieel (talent)

505

commettre; commis

(een misdaad) begaan, plegen,
gepleegd

506

commissaire, le

de commissaris

507

commissariat, le

het politiebureau

508

commission, la

de commissie (raad)

509

commode; commode

(een) gemakkelijk (werkinstrument)

510

commode, la

de commode, het ladekastje

511

commodité, la

de gerieflijkheid (gemak)

512

commun

gemeenschappelijk, gezamenlijk

513

communal; communale; communaux

gemeente-

514

communauté, la

de gemeenschap
(Europese gemeenschap)

515

commune, la

de gemeente

516

commune de banlieue, la

de randgemeente

517

communication, la

de communicatie

518

communiqué, le

de mededeling (een officiële mededeling)

519

communiquer

(nieuws) meedelen

520

communisme, le

het communisme

521

compagne, la

de gezellin

522

compagnie, la

de maatschappij (verzekeringsmaatschappij)

523

compagnie, la

het gezelschap, (in goed gezelschap zijn)

524

compagnie aérienne, la

de luchtvaartmaatschappij

525

compagnon, le

de metgezel

526

comparable

vergelijkbaar (zijn)

527

comparaison, la

de vergelijking

528

comparaître

verschijnen

529

comparativement à

vergeleken bij

530

comparer

vergelijken

531

compartiment, le

de coupé (in de trein)

532

compatriote, le

de landgenoot

533

compensation, la

de compensatie

534

compenser

compenseren

535

compétence, la

de bekwaamheid

536

compétence, la

de bevoegdheid (van een
burgemeester)

537

compétent

(een) deskundig (ambtenaar)

538

compétition, la

de competitie

539

complaire

behagen, een plezier doen

540

complet; complète

voltallig (zijn)

541

complètement

(iets) volledig (lezen)

542

compléter

(een tekst) vervolledigen

543

complexe

(een) complex (probleem)

544

complexité, la

de ingewikkeldheid

545

complice, le

de medeplichtige

546

compliment, le

het compliment

547

complimenter

complimenten geven

548

compliqué

(een) ingewikkeld (probleem)

549

compliquer

ingewikkeld maken

550

comportement, le

het gedrag, de houding

551

comporter

bevatten, bestaan uit

552

composer; composé

samenstellen, samengesteld

553

compositeur, le

de componist

554

composition, la

de samenstelling

555

compréhensible

(het is) begrijpelijk

556

compréhensif, compréhensive

(een) begrijpend (man)

557

compréhension, la

het bevattingsvermogen, het begrip

558

comprendre; comprenant

inhouden, bevatten, bevattend

559

comprendre

(een tekst) begrijpen

560

comprimer

(lucht) samenpersen

561

compris

(dienst) inbegrepen

562

compromettre

compromitteren, in opspraak brengen

563

comptabilité, la

de boekhouding

564

comptable, le

de boekhouder

565

compte, le

de rekening

566

compte chèques, le;
les comptes chèques

de zichtrekening

567

compte en banque, le;
les comptes en banque

de bankrekening

568

compter

tellen

569

compte-rendu, le

de korte inhoud (van een boek)

570

comptoir, le

de toonbank

571

comte, le

de graaf

572

concave

hol (een holle lens)

573

concentration, la

de concentratie

574

concentré

geconcentreerd (zijn tijdens de les)

575

conception, la

het ontwerp

576

concernant

betreffend, aangaande

577

concerné

betreffende

578

concerner

betreffen, aangaan

579

concert, le

het concert

580

concertation, la

het overleg (politiek overleg)

581

concerto, le

het concert (muziekstuk)

582

concession, la

de toegeving

583

concevable

(het is) voorstelbaar (dat)

584

concevoir; conçu

concipiëren, geconcipieerd

585

concierge, le

de huisbewaarder

586

concis

(een) bondig (verslag)

587

concitoyen, le

de medeburger

588

conclure

besluiten

589

conclusion, la

het besluit

590

concourir

meedingen

591

concours, le

de samenloop (van omstandigheden)

592

concours, le

de wedstrijd

593

concret; concrète

(een) concreet (plan)

594

concurrence, la

de concurrentie

595

concurrent, le

de concurrent

596

condamnation, la

de veroordeling

597

condamné, le

de veroordeelde

598

condamner

(iemand) veroordelen

599

condescendant

minzaam, neerbuigend, inschikkelijk

600

condescendre

inwilligen

601

condiment, le

de specerij

602

condition, la

de voorwaarde

603

conditionnement, le

het conditioneren

604

condoléances (f), les

het rouwbeklag

605

conduire; conduit

(een auto) besturen, bestuurd

606

conduit, le

de leiding (een koperen leiding)

607

conduite, la

het gedrag

608

conférence, la

de conferentie

609

conférence au sommet, la

de topconferentie

610

conférer

beraadslagen

611

confesser

biechten (in de kerk)

612

confession, la

de biecht

613

confiant

vol vertrouwen (zijn)

614

confidence, la

de vertrouwelijke mededeling

615

confidentiel; confidentielle

(een) vertrouwelijk (document)

616

confier

(iemands iets) toevertrouwen

617

confins (m), les

de uiterste grenzen (van een gebied)

618

confirmation, la

de bevestiging (van het bericht)

619

confirmer

(een datum) bevestigen

620

confiture, la

de jam

621

conflit, le

het conflict

622

confondre

verwarren

623

conforme; conforme

conform (zijn)

624

conformément à

overeenkomstig (de wet handelen)

625

conformer

in overeenstemming brengen (met)

626

confort, le

het comfort

627

confortable; confortable

(een) comfortabel (appartement)

628

confrère, le

de vakgenoot (collega)

629

confus; confus

verward (zijn)

630

confusion, la

de verwarring

631

congé, le

het verlof (vakantie)

632

congédier

wegsturen, ontslaan

633

congélateur, le

de diepvriezer

634

congeler

invriezen

635

congrès, le

het congres

636

conjointement

samen, tegelijkertijd

637

conjugal; conjugale; conjugaux

echtelijk (geluk)

638

conjuguer

(een werkwoord) vervoegen

639

connaissance, la

de kennis (van iets), de kennis (persoon), de vriend

640

connaître

kennen

641

connu

(een) bekend (auteur)

642

conquérir

veroveren

643

conquête, la

de verovering

644

consacré

(een boek) gewijd (aan politiek)

645

consacrer

wijden (aan), besteden (aan)

646

conscience, la

het bewustzijn, het besef, het inzicht

647

consciencieux; consciencieuse,
consciencieux

(een) gewetensvol (man)

648

conscient

bewust, zelfbewust

649

conseil, le

de raad (een goede raad geven)

650

conseil municipal, le

de gemeenteraad

651

conseiller, le; la conseillère

de raadgever, de raadgeefster

652

conseiller

aanraden

653

consensus, le

de overeenstemming, het akkoord

654

consentement, le

de instemming (goedkeuring)

655

consentir; consenti

toestemmen, toegestemd

656

conséquence, la

het gevolg

657

conséquent

consequent (zijn)

658

conservateur, conservatrice

conservatief (de conservatieve partij)

659

conservation, la

het bewaren (van voedsel)

660

conserver

(voedingswaren) bewaren

661

conserves (f), les

de conserven

662

considérable, considérable

(een) aanzienlijk (bedrag)

663

considération, la

de beschouwing

664

considérer; considéré

(alle mogelijkheden) beschouwen,beschouwd

665

consigne, la

het bagagedepot (station)

666

consistant

(een) gegrond (argument)

667

consister

bestaan (uit)

668

consolateur; consolatrice

troostend, opbeurend

669

consolation, la

de troost

670

consoler

troosten

671

consolider

(een bouwwerk) verstevigen

672

consommateur, le

de verbruiker

673

consommation, la

de consumptie

674

consommer

(voedsel) verbruiken

675

consonne, la

de medeklinker

676

conspiration, la

de samenzwering

677

conspuer

honen (uitfluiten)

678

constamment

voortdurend

679

constant

(een) constant (geluid)

680

constater; constaté

(een feit) vaststellen, vastgesteld

681

constituer

(de regering) samenstellen

682

constitution, la

de grondwet

683

constructeur, le

de bouwer (fabrikant)

684

construction, la

de constructie

685

construire; construit

(een huis) bouwen, gebouwd

686

consulat, le

het consulaat

687

consulter; consulté

raadplegen, geraadpleegd

688

contact, le

het contact (tussen mensen)

689

contacter

contact opnemen met

690

contagieux; contagieuse, contagieux

besmettelijk

691

contamination, la

de besmetting

692

conte, le

het verhaal (vertelling)

693

contempler

(iets aandachtig) bekijken

694

contemporain

(een) hedendaags (schrijver)

695

contemporain, le

de tijdgenoot

696

contenance, la

de inhoud (van het reservoir)

697

contenir; contenu

in bedwang houden, weerhouden,
in bedwang gehouden

698

contenir; contenant

(225 liter) bevatten, bevattend

699

content

tevreden (zijn)

700

contenter

(iemand) tevreden stellen

701

contenu, le

de inhoud

702

contestable, contestable

(een) aanvechtbaar (feit)

703

contestation, la

de aanvechting (betwisting)

704

contester

(een feit) betwisten

705

contexte, le

de context

706

continent, le

het werelddeel

707

continu

(een) onafgebroken (beweging)

708

continuation, la

de voortzetting

709

continuel, continuelle

(een) voortdurend (geluid)

710

continuer

voortdoen (met praten)

711

contour, le

de omtrek (omtreklijn van het gebouw)

712

contracter

(een levensverzekering) afsluiten

713

contradiction, la

de tegenspraak

714

contradictoire, contradictoire

(een) tegenstrijdig (antwoord)

715

contraindre

(iemand) dwingen

716

contrainte, la

de dwang

717

contraire, le

het tegendeel

718

contrairement à

in tegenstelling tot

719

contrarier

ontstemmen (dat bericht ontstemt mij)

720

contrarier

(iemands plannen) tegenwerken

721

contraste, le

het contrast

722

contrat, le

het contract

723

contrat de location, le

het huurcontract

724

contravention, la

de bekeuring (proces-verbaal)

725

contre

tegen

726

contre lequel, contre laquelle, contre, lesquels, contre lesquelles; (pron. rel.)

tegen dewelke, tegen hetwelk

727

contrebande, la

de smokkelarij

728

contre-battre

fel bestrijden

729

contredire

tegenspreken

730

contrée, la

de landstreek

731

contrefaire

(geld) namaken

732

contremaître, le

de opzichter (ploegbaas)

733

contretemps, le

de tegenslag

734

contrevenir

overtreden

735

contribuable, le

de belastingbetaler

736

contribuer; contribué

bijdragen (tot), bijgedragen (tot)

737

contribution, la

de bijdrage (van geld)

738

contrôle, le

de controle

739

contrôler; contrôlé

controleren, gecontroleerd

740

contrôleur, le

de controleur

741

convaincre

overtuigen

742

convaincu

overtuigd (zijn)

743

convenable; convenable

(een) geschikt (moment)

744

convenir

passen (die datum past me)

745

convenir

overeenkomen

746

convention, la

de overeenkomst (afspraak)

747

convenu

overeengekomen, afgesproken

748

conversation, la

het gesprek

749

convertir

(iemand) bekeren

750

conviction, la

de overtuiging

751

convivial; conviviale; conviviaux

harmonieus, gezellig

752

convocation, la

de bijeenroeping (door een advocaat)

753

convoi, le; les convois

het konvooi

754

convoquer

(de vergadering) bijeenroepen

755

coopérative, la

de coöperatieve (vereniging)

756

copain, le

de vriend

757

copie, la

de kopie

758

copier

(een tekst) overschrijven

759

copine, la

de vriendin

760

coq, le

de haan

761

coquelicot, le

de klaproos

762

coquet; coquette

koket, elegant

763

coquille, la

de schelp

764

corail, le; les coraux

de koraal

765

corbeau, le; les corbeaux

de raaf

766

corbeille, la

de mand

767

corbeille à papier, la

de papiermand

768

corde, la

het touw

769

cordial; cordiale; cordiaux

(een) hartelijk (onthaal)

770

cordonnier, le

de schoenmaker

771

cornée, la

het hoornvlies

772

cornichon, le

de augurk

773

corporel, corporelle

lichamelijk, lichaams-

774

corps, le; les corps

het lichaam

775

correct

(het is) correct

776

correction, la

de verbetering (van huiswerk)

777

correspondance, la

de correspondentie

778

correspondre

corresponderen (met een vriend)

779

correspondre à

overeenkomen met,
overeenstemmen met

780

corridor, le

de gang (in het huis)

781

corriger; corrigé

(een tekst) verbeteren, verbeterd

782

corriger

afstellen, regelen

783

corrompre

(een getuige) omkopen

784

cortège, le

de stoet (optocht)

785

corvée, la

het karwei (een zwaar werk)

786

costume, le

het kostuum

787

côte, la

de kust

788

côté, le

de zijde (zijkant)

789

cotisation, la

de bijdrage (voor een abonnement)

790

coton, le

de katoen

791

cou, le; les cous

de hals

792

couche, la

de laag (verf)

793

coucher

(de kinderen) naar bed brengen

794

coucher de soleil, le

de zonsondergang

795

coudre

naaien

796

couler

(naar zee) stromen

797

couleur, la

de kleur

798

couloir, le

de gang

799

coup, le

de slag (klap)

800

coup de chance, le; les coups de chance

de meevaller