woordjes V Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes V > Flashcards

Flashcards in woordjes V Deck (225):
1

vacances f, les

de vakantie

2

vacancier, le

de vakantieganger

3

vacant

openstaand (een openstaande
betrekking)

4

vacarme, le

het kabaal

5

vaccin, le

het vaccin, de entstof

6

vaccination, la

de vaccinatie, de inenting

7

vache, la

de koe

8

vague; vague

(een) vaag (voorgevoel)

9

vague, la

de golf (op zee)

10

vague de chaleur, la

de hittegolf

11

vaguement

vaag, onduidelijk, in onduidelijke termen

12

vaincre

overwinnen

13

vainement

tevergeefs

14

vainqueur, le

de overwinnaar

15

vaisseau, le; les vaisseaux

het schip

16

vaisselle, la

het vaatwerk

17

valable; valable

(een) geldig (motief)

18

valet, le

de knecht (huisknecht)

19

valeur, la

de waarde (van goud)

20

valider

geldig verklaren

21

valise, la

de koffer (reiskoffer)

22

vallée, la

het dal

23

valoir; valu

waard zijn

24

valoir la peine

de moeite waard zijn

25

vanité, la

de ijdelheid

26

vaniteux; vaniteuse; vaniteux

ijdel (zijn)

27

vantard, le

de opschepper (snoever)

28

va-nu-pieds, le

de schooier (haveloos type)

29

vapeur, la

de stoom (waterdamp)

30

vaporisateur, le

de verstuiver, de spray

31

variable; variable

veranderlijk (weer)

32

variation, la

de variatie

33

varié

(een) gevarieerd (menu)

34

varier

variëren

35

variété, la

de variëteit

36

varsovien; varsovienne

Warschaus

37

vase, le

de vaas

38

vaste; vaste

(een) uitgestrekt (land)

39

vautour, le

de gier

40

veau, le

het kalfsvlees

41

veau, le; les veaux

het kalf

42

vedette, la

de ster (filmster)

43

végétal; végétale; végétaux

plantaardig (voedsel)

44

végétarien, le; la végétarienne

de vegetariër

45

végétation, la

de plantengroei

46

véhicule, le

het voertuig

47

véhicule blindé, le

de pantserwagen

48

véhiculer; véhiculé

gebruiken, gebruikt

49

veille, la

de vorige dag

50

veiller

waken, opblijven

51

veilleur de nuit, le; les veilleurs de nuit

de nachtwaker

52

veinard, le

de geluksvogel

53

veiné

gevlamd

54

vélo, le

de fiets

55

vélomoteur, le

de bromfiets

56

velours, le

het fluweel

57

vendange, la

de wijnoogst

58

vendeur, le

de verkoper

59

vendeuse, la

de verkoopster

60

vendre; vendu

verkopen, verkocht

61

vendredi

vrijdag

62

vénéneux; vénéneuse; vénéneux

giftig (een giftige paddestoel)

63

vénérable; vénérable

eerbiedwaardig (een eerbiedwaardige leeftijd)

64

vengeance, la

de wraak

65

vengeur; vengeresse

(de) wraak(actie)

66

venimeux; venimeuse; venimeux

venijnig (zijn)

67

venir; venu

komen, gekomen

68

vent, le

de wind

69

vente, la

de verkoop

70

venue, la

de komst

71

ver, le

de worm

72

véranda, le

de veranda

73

verbe, le

het werkwoord

74

verdure, la

het groen (loof)

75

verger, le

de boomgaard

76

verglas, le

de ijzel

77

vérifier

verifiëren

78

véritable; véritable

echt (leder)

79

vérité, la

de waarheid

80

vermeil; vermeille

bloedrood

81

vermine, la
form:

het ongedierte, inform: de schurk, de boef

82

verni

gevernist, gelakt

83

verre, le

het glas (water)

84

verre à vin, le; les verres à vin

het wijnglas

85

verre de contact, le; les verres de contact

de contactlens

86

verrou, le; les verrous

de grendel (voor de deur)

87

verrouiller

(een deur) vergrendelen

88

vers

naar, tegen, rond

89

versement, le

de storting (van geld)

90

verser

(thee) inschenken

91

version, la

de versie

92

vert

groen

93

vertu, la

de deugd

94

veste, la

het vest (van een kostuum)

95

vestiaire, le

de vestiaire

96

vestibule, le

het voorportaal (van een huis)

97

veston, le

het colbert

98

vêtement, le

het kledingstuk

99

vétéran, le

de veteraan

100

vétérinaire, le

de dierenarts

101

veuf, le

de weduwnaar

102

veuve, la

de weduwe

103

vexer

(iemand) kwetsen (met beledigingen)

104

via

via

105

viande, la

het vlees (om te eten)

106

vibration, la

de trilling (van een stem)

107

vice, le

de ondeugd

108

vice-président, le; les vice-présidents

de ondervoorzitter

109

victime, la

het slachtoffer

110

victoire, la

de overwinning

111

victorieux; victorieuse; victorieux

(een) zegevierend (generaal)

112

vide; vide

(een) leeg (glas)

113

vide, le

de leegte

114

vidéo, la

de videorecorder

115

vider

(een doos) leegmaken

116

vie, la

het leven

117

vieillard, le

de oude man

118

vieillesse, la

de ouderdom

119

vieillir; vieilli

verouderen, verouderd

120

vierge, la

de maagd

121

vieux; vieil, vieille, vieux

oud (personen)

122

vif; vive

(een) levendig (kind)

123

vigilant

(een) waakzaam (dier)

124

vigne, la

de wijnstok

125

vilain

gemeen (een gemene streek)

126

villa, la

de villa

127

village, le

het dorp

128

ville, la

de stad

129

vin, le

de wijn

130

vin mousseux, le

de schuimwijn

131

vinaigre, le

de azijn

132

vingt

twintig

133

vingtaine, la

het twintigtal

134

vingtième

(de) twintigste (eeuw)

135

violence, la

het geweld

136

violent

(een) gewelddadig (karakter)

137

violer

(de wet) verkrachten

138

violet; violette

paars

139

violon, le

de viool

140

violoniste, le

de violist

141

vipère, la

de adder

142

virage, le

de bocht

143

virement, le

de overschrijving (van geld)

144

virer

(geld) overschrijven

145

virgule, la

de komma

146

vis, la

de schroef

147

visa, le

het visum

148

visage, le

het gezicht (gelaat)

149

viser

(een doel) beogen

150

visibilité, la

de zichtbaarheid

151

visible; visible

(een) zichtbaar (voorwerp)

152

vision, la

de visie

153

visite, la

het bezoek

154

visiter; visité

bezoeken, bezocht

155

visiteur, le

de bezoeker

156

visseuse, la

de elektrische schroevendraaier

157

vitalité, la

de vitaliteit

158

vite

vlug (lopen)

159

vitesse, la

de snelheid

160

vitrail, le; les vitraux

het glas-in-loodraam

161

vitre, la

de ruit (raam)

162

vitré

voorzien van glas, glazen

163

vivacité, la

de levendigheid

164

vivant

(een) levend (wezen)

165

vivre; vécu

(gelukkige dagen) beleven, beleefd

166

vivre

(in de stad) leven

167

vivres m, les

de levensmiddelen

168

vocabulaire, le

de woordenschat

169

vocation, la

de roeping (voor een beroep)

170

voeu, le; les voeux

de wens (mijn beste wensen)

171

voici

ziehier

172

voie, la

de weg (de openbare weg)
het spoor (spoor 7 in het station)

173

voie prioritaire, la

de voorrangsweg

174

voilà

ziedaar

175

voile, la

het zeil (van een boot)

176

voilier, le

de zeilboot

177

voir; vu

zien

178

voir au verso

zie ommezijde

179

voisin, le; la voisine

de buurman, de buurvrouw

180

voisin

naburig

181

voisinage, le

de buurt

182

voiture, la

de wagen (auto)

183

voiture décapotable, la

de cabriolet

184

voix, la; les voix

de stem (van de zanger)

185

vol, le

de diefstal

186

vol spatial, le

de ruimtevlucht

187

volaille, la

het gevogelte

188

volant, le

het stuur (van een auto)

189

voler

vliegen

190

voler; volé

stelen, gestolen

191

volet, le

het luik (aan het venster)

192

voleter

fladderen (in de lucht)

193

voleur, le

de dief

194

voleuse, la

de dievegge

195

volontaire, le

de vrijwilliger

196

volontairement

vrijwillig (meegaan)

197

volonté, la

de wil, de wens, het verlangen

198

volontiers!

graag!

199

volume, le

het volume

200

volumineux; volumineuse; volumineux

(een) omvangrijk (pak)

201

volupté, la

de wellust

202

vote, le

de stemming (verkiezing)

203

voter; voté

stemmen (voor een kandidaat), gestemd

204

vôtre; (pron. pos)

(de / het) uwe

205

votre, vos; (dét. pos)

uw, jullie

206

vouloir; voulu

willen, gewild

207

vous; (pron. pers.)

u

208

vous, (pour) vous (pron. pers.)

(voor) jullie

209

vous, (vous) vous (lavez); (pron. réfléchi)

(u wast) zich, u

210

voûte, la

het gewelf

211

voûté

gewelfd

212

voyage, le

de reis

213

voyager

reizen

214

voyageur, le

de reiziger

215

voyant, le

de helderziende

216

voyelle, la

de klinker (van een woord)

217

voyeur, le

de gluurder

218

vrai

(het is) waar

219

vraiment

werkelijk!

220

vraisemblable, vraisemblable

(een) geloofwaardig (verhaal)

221

vu

gezien (de omstandigheden)

222

vu que

aangezien

223

vue, la

het zicht (op de stad)

224

vulgaire; vulgaire

(een) vulgair (gedrag)

225

vulnérable; vulnérable

kwetsbaar (zijn)