woordjes D Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes D > Flashcards

Flashcards in woordjes D Deck (533):
1

d'abord

eerst (dit, dan dat)

2

d'accord!

in orde!

3

dactylo, la

de typiste

4

dadaïsme, le

het dadaïsme

5

daigner

zich verwaardigen om, zo goed zijn om

6

d'ailleurs

trouwens

7

dalle, la

de tegel (vloersteen)

8

dame, la

de dame

9

danger, le

het gevaar

10

dangereux; dangereuse, dangereux

gevaarlijk (zijn)

11

dans

binnen, in

12

dans le délai

binnen de termijn

13

dans lequel, dans laquelle,
dans lesquels, dans lesquelles; (pron. rel.)

waarin

14

danse, la

de dans

15

danser

dansen

16

d'après

(een verhaal) naar (Andersen)

17

d'après

volgens

18

date, la

de datum

19

date de naissance, la

de geboortedatum

20

dater

dateren (van 23 oktober)

21

dauphin, le

de kroonprins

22

d'autant plus

des te meer

23

d'autre part

anderzijds

24

d'avance

op voorhand (betalen)

25

davantage

(er) meer (vanaf weten)

26

de (d’)

te, om te, van, uit

27

dé, le

de dobbelsteen

28

de la part de

vanwege (dhr. De Laet)

29

de nos jours

tegenwoordig (heden ten dage)

30

de nouveau

opnieuw

31

de peur que

uit vrees dat

32

de rien

geen dank

33

de sorte que

zodat

34

de toute façon

hoe dan ook

35

déballer

(pakjes) uitpakken

36

débarcadère, le

de losplaats (op de kade)

37

débarquement, le

de ontscheping

38

débarquer

aan land gaan (ontschepen)

39

débarras, le

de opbergkast

40

débarrasser

ontdoen (van), bevrijden (van), ontlasten

41

débat, le

het debat

42

débauche, la

de ontucht

43

débiteur, le

de schuldenaar (geld)

44

déborder

overlopen (de emmer water loopt over)

45

déboucher

(een buis) ontstoppen
(een fles) ontkurken

46

debout

recht (overeind staan)

47

déboutonner

(zijn jas) losknopen

48

débrancher

(de stroom van een apparaat) uitschakelen

49

débrayer

ontkoppelen (de koppeling indrukken)

50

débris (m), les

de scherven (van een vaas)

51

débrouillard

(een) bijdehand (kind)

52

début, le

het begin (van het jaar)

53

débutant, le

de beginneling

54

débuter

debuteren

55

décacheter

(een brief) ontzegelen

56

décamper

zich uit de voeten maken, ervandoor gaan

57

déceler

(een geheim) onthullen

58

décembre

december

59

décennie, la

het decennium

60

décent

fatsoenlijk (fatsoenlijke kledij)

61

déception, la

de teleurstelling

62

décerner

(een prijs) toekennen

63

décevoir

teleurstellen

64

décharge, la

de ontlading (elektriciteit)

65

décharger; déchargé

uitladen

66

déchéance, la

het verval (ondergang)

67

déchets (m), les

de afval

68

déchiffrer

(een boodschap) ontcijferen

69

déchiqueter

(stof) verscheuren

70

déchirer; déchiré

(papieren) verscheuren, verscheurd

71

déchoir

in verval zijn

72

décibel, le; les décibels

de decibel

73

décidé

vastbesloten (zijn)

74

décidément

(het is) beslist (goed)

75

décider

beslissen

76

décisif, décisive

(een) beslissend (argument)

77

décision, la

de beslissing

78

déclaration, la

de aangifte (van goederen)

79

déclaration, la

de verklaring

80

déclarer; déclaré

verklaren, verklaard

81

déclencher

(een crisis) ontketenen

82

déclencheur, le

brengt iets op gang, ontketent iets

83

décoller

opstijgen (het vliegtuig stijgt op)

84

décombres (m), les

het puin

85

décommander

afbestellen

86

décomposition, la

de ontbinding (in staat van ontbinding)

87

décongeler

(voedingswaren) ontdooien

88

décongestionner

(een drukke verkeersader) ontlasten

89

déconseiller

(iemand iets) afraden

90

décontracter

(de spieren) ontspannen

91

décontraction, la

de ontspanning

92

décor, le

het decor

93

décoratif; décorative

decoratief, versierend

94

décoration, la

de versiering

95

décorer

(het huis) versieren

96

découdre

lostornen

97

découragé

moedeloos (zijn)

98

découragement, le

de ontmoediging

99

décourager

(iemand) ontmoedigen

100

découverte, la

de ontdekking

101

découvrir; découvert

ontdekken, ontdekt

102

décrire; décrit

beschrijven, beschreven

103

décrocher

(de hoorn van de telefoon) opnemen

104

décrocher

(een prijs) in de wacht slepen

105

décroître

dalen (het waterpeil daalt), afnemen

106

déçu

teleurgesteld (zijn)

107

dédaigner

(iemand) verachten

108

dédaigneux; dédaigneuse, dédaigneux

minachtend,verachtelijk

109

dédain, le

de minachting

110

dedans

erin

111

dédié à

gewijd aan

112

dédommagement, le

de vergoeding, de schadevergoeding

113

déductibilité, la

de aftrekbaarheid

114

déduire

(een gevolgtrekking) afleiden, deduceren

115

défaillir

in zwijm vallen

116

défaire

(een knoop) losmaken, (een koffer) uitpakken

117

défaite, la

de nederlaag

118

défaut, le

het gebrek, de fout

119

défavorable, défavorable

(een) ongunstig (moment)

120

défavoriser

benadelen

121

défectueux, défectueuse, défectueux

(een) defect (werktuig)

122

défendre

verdedigen

123

défense, la

de verdediging

124

défenseur, le

de verdediger

125

défi, le

de uitdaging

126

déficit, le

het tekort (budgettair)

127

défier

(een vriend) uitdagen
(voor een partijtje schaken)

128

défilé, le

de optocht (demonstratie)

129

définir

definiëren

130

définitif; définitive

(een) definitief (afscheid)

131

définition, la

de definitie

132

définitivement

definitief, voorgoed

133

déformer

vervormen

134

défricher

(een bos) ontginnen

135

dégagé

helder (een heldere hemel)

136

dégager

(ruimte) vrijmaken

137

dégarni, dégarni

kaal, leeg

138

dégâts (m), les

de schade

139

dégel, le

de dooi

140

dégeler

dooien (het dooit buiten)

141

dégoût, le

de afkeer

142

dégoûtant

(dat is) walgelijk

143

dégoûter

doen walgen

144

degré, le

de graad (Celsius)

145

dégriser

(een dronken persoon) ontnuchteren

146

déguisement, le

de vermomming

147

déguiser

vermommen

148

déguster

proeven (van een wijn)

149

dehors

buiten (spelen)

150

déjà

al (reeds)

151

petit déjeuner

ontbijten

152

déjeuner, le

de lunch

153

délabré

(een) bouwvallig (gebouw)

154

délai, le

de termijn

155

delco, le

de stroomverdeler

156

délégation, la

de delegatie

157

délégué, le

de afgevaardigde

158

délégué syndical, le

de vakbondsafgevaardigde

159

déléguer

afvaardigen

160

délibérer

overleggen (over een onderwerp)

161

délicat

(een) delicaat (onderwerp)

162

délicatesse, la

de fijngevoeligheid (tact)

163

délice, le

de lekkernij

164

délices (m), les

de geneugten (van het leven)

165

délicieux; délicieuse, délicieux

(een) heerlijk (gerecht)

166

délimiter

(het onderwerp van een tekst) aflijnen

167

délit, le

het misdrijf

168

délivrer

(een gevangene) bevrijden

169

demain

morgen (de volgende dag)

170

demande, la

de vraag

171

demande d'emploi, la

de sollicitatie (voor een vacature)

172

demander; demandé

vragen, gevraagd

173

demandeur; demanderesse

vragend (de vragende partij)

174

démarches (f), les

de toenaderingspogingen

175

démarrer

(de auto) starten

176

démasquer

(de dader) ontmaskeren

177

démêler

(touwtjes) ontwarren

178

déménagement, le

de verhuizing

179

déménager; déménage

verhuizen, verhuisd

180

déménageur, le

de verhuizer

181

démentir

(een feit) loochenen, ontkennen

182

demeurer

verblijven (te)

183

demi; demie

half (anderhalf uur, half twee)

184

demi-finale, la; les demi-finales

de halve finale

185

demi-heure, la

het halfuur

186

demi-litre, le

de halve liter

187

demi-pension

half pension

188

démissionner

zijn ontslag indienen

189

démocratie, la

de democratie

190

démocratique, démocratique

(een) democratisch (land)

191

démodé

ouderwets (zijn)

192

demoiselle, la

de juffrouw

193

démolir

(huizen) afbreken

194

démolition, la

de afbraak (sloop)

195

démonstration, la

de demonstratie

196

démontrer

(met bewijzen) aantonen

197

dénaturé

(een) ontaard (kind)

198

dénombrer

(de bevolking) tellen

199

dénomination, la

de benaming

200

dénoncer

(een dief) aangeven

201

dénonciation, la

de aanbrenging (verraad van iemand)

202

dénouement, le

de ontknoping (van een avontuur)

203

dénouer

(een touwtje) losknopen

204

denrées alimentaires (f), les

de levensmiddelen

205

dense, dense

dicht (dichte mist)

206

densité, la

de dichtheid (bevolkingsdichtheid)

207

dent, la

de tand

208

dentelle, la

de kant (van een bruidsjurk)

209

dentifrice, le

de tandpasta

210

dentiste, le

de tandarts

211

dénudé

naakt, kaal

212

départ, le

het vertrek (naar het buitenland)

213

département, le

het departement

214

départir

toebedelen

215

dépassé

achterhaald (een achterhaalde theorie)

216

dépasser

(iemands verwachtingen) overtreffen

217

dépasser

overschrijden

218

dépeindre

afschilderen (beschrijven)

219

dépendance, la

de afhankelijkheid

220

dépendre

afhangen (van iemand)

221

dépens (m), les

de onkosten

222

dépense, la

de uitgave (kosten)

223

dépenser; dépensé

uitgeven, uitgegeven

224

dépensier, dépensière

verkwistend (zijn)

225

déplacement, le

de verplaatsing

226

déplacer

verplaatsen

227

déplaire

(iemand) mishagen

228

dépliant, le

de folder

229

déplier

openvouwen

230

déplorable

(een) beklagenswaardig (voorval)

231

déplorer

betreuren

232

déployer

(de zeilen) openvouwen

233

dépôt, le

de opslagplaats

234

dépouillé

kaal, sober

235

dépouiller

(de resultaten van een enquête grondig)onderzoeken, uitpluizen

236

dépourvu de

zonder, ontdaan (van)

237

dépression, la

de depressie

238

depuis

sinds, sedert, vanaf

239

député, le

de afgevaardigde (van de Kamer)

240

déraciner

ontwortelen

241

dérailler

raaskallen (onzin uitslaan)

242

déranger

(iemand) storen

243

déraper

slippen (op ijzel)

244

dérégler

ontregelen

245

dérisoire, dérisoire

(een) bespottelijk laag (salaris)

246

dériver

afdrijven (van de kust)

247

dernier; dernière

laatst (de laatste dag)

248

dernièrement

laatst (vernam ik dat...)

249

dérobé

gestolen, geroofd,
(iemands portefeuille) roven

250

déroulement, le

het verloop, de ontwikkeling

251

dérouler

(een bobijntje draad) afrollen

252

dérouter

in de war brengen

253

derrière

achter

254

dès

sedert, sinds, vanaf

255

dès que

zodra

256

désaccord, le

de onenigheid

257

désagréable, désagréable

(een) onaangenaam (geluid)

258

désagrément, le

de onaangenaamheid

259

désaltérant

dorstlessend (fruitsap)

260

désaltérer

de dorst lessen

261

désapprouver

afkeuren

262

désarmement, le

de ontwapening

263

désarmer

ontwapenen

264

désarroi, le

de ontreddering

265

désastre, le

de ramp (onheil)

266

désastreux, désastreuse, désastreux

(een) rampzalig (resultaat)

267

désavantage, le

het nadeel

268

désavantager

(iemand) benadelen

269

désavantageux, désavantageuse,

(een) nadelig (effect)

270

descendant, le

de afstammeling

271

descendre; descendu

naar beneden gaan, naar beneden gegaan

272

descente, la

de afdaling

273

description, la

de beschrijving

274

déséquilibre, le

de onevenwichtigheid

275

désert, le

de woestijn

276

désert

verlaten, onbewoond

277

désertique, désertique

(een) woestijnachtig (gebied)

278

désespérant

(een) hopeloos (kind)

279

désespéré

wanhopig (zijn)

280

désespérer

wanhopen

281

désespoir, le

de wanhoop

282

des fois

soms

283

déshabiller

uitkleden

284

déshonorer

(iemand) onteren

285

désigner

aanwijzen

286

désintéressé

ongeïnteresseerd (zijn)

287

désinvolte, désinvolte

(een) ongedwongen (houding)

288

désir, le

het verlangen

289

désirable, désirable

(het is) wenselijk (dat...)

290

désirer

verlangen

291

désireux, désireuse, désireux

verlangend (zijn naar iets)

292

désobéir

niet gehoorzamen

293

désobéissant

(een) ongehoorzaam (kind)

294

désoler

bedroeven

295

désordonné

(een) wanordelijk (mens)

296

désordre, le

de wanorde

297

désorganiser

(iemands plannen) in de war sturen

298

désormais

van nu af aan

299

dessein, le

het plan (opzet)

300

desserrer

(zijn riem ietsje) losser maken

301

dessert, le

het nagerecht

302

desservir

(een station) aandoen, rijden naar

303

dessin, l

de tekening

304

dessinateur, le

de tekenaar

305

dessiner

(een plan) tekenen

306

dessus, le

de bovenkant

307

destin, le

het lot (lotsbestemming)

308

destinataire, le

de geadresseerde

309

destination, la

de bestemming

310

destinée, la

de lotsbestemming

311

destiner

bestemmen

312

destruction, la

de vernietiging

313

détaché

(een) gedetacheerd (ambtenaar)

314

détacher

(een zelfklever) losmaken

315

détail, le; les détails

het detail

316

détaillé

uitvoerig, precies

317

déteindre

verkleuren (in de was)

318

dételer

(een wagon) afkoppelen

319

détenir

(een misdadiger) gevangen houden

320

détente, la

de ontspanning (op politiek vlak)

321

détenteur, le

de houder

322

détention, la

de hechtenis (de voorlopige hechtenis)

323

détériorer

(een toestel) stuk maken

324

détériorer

verslechteren, verergeren

325

détermination, la

de bepaling (vaststelling)

326

déterminé

(een) vastgesteld (tarief)

327

déterminer

(een feit) bepalen

328

déterrer

(iets uit de bodem) opgraven

329

détester

haten (hij haat wachten)

330

détour, le

de omweg

331

détourner

(een vliegtuig) kapen

332

détruire; détruit

vernielen

333

dette, la

de schuld (geld)

334

deuil, le

de rouw (bij een overlijden)

335

deux

twee

336

deuxième

tweede

337

deuxièmement

op de tweede plaats, ten tweede

338

dévaliser

leegroven

339

devancer

(enkele meters) vooruitlopen

340

devant

voor, tegenover

341

devanture, la

het uitstalraam, het winkelraam, de etalage

342

dévaster

(een natuurgebied) verwoesten

343

développement, le

de ontwikkeling

344

développer

(een film) ontwikkelen

345

devenir; devenu

worden, geworden

346

déviation, la

de omleiding (wegomlegging)

347

dévier

(het verkeer) omleiden

348

deviner

raden

349

devinette, la

het raadseltje (woordenspel)

350

devis, le

het bestek (de prijsopgave)

351

devise, la

de leus

352

dévisser

losschroeven

353

devoir, le

de plicht het huiswerk, de taak

354

devoir; dû

moeten, gemoeten

355

dévorer

verslinden

356

dévoué

(een) toegewijd (medewerker)

357

dévouement, le

de toewijding

358

d'habitude

gewoonlijk

359

diable, le

de duivel

360

diabolique; diabolique

duivels, diabolisch

361

dialecte, le

het dialect, de streektaal

362

dialogue, le

de dialoog

363

diam, le

de diamant

364

diamant, le

de diamant

365

diamètre, le

de diameter

366

dictature, la

de dictatuur

367

dicter

dicteren

368

dictionnaire, le

het woordenboek

369

dieu, le; les dieux

de god

370

différence, la

het verschil

371

différences raciales (f), les

de rassenverschillen

372

différent

verschillend (zijn van elkaar)

373

différer

(in leeftijd) verschillen

374

difficile, difficile

moeilijk (zijn)

375

difficulté, la

de moeilijkheid

376

diffus

verward, onduidelijk, vaag

377

diffuser

(een bericht) verspreiden

378

diffusion, la

de verspreiding (van een bericht)

379

digérer

verteren

380

digestif; digestive

betrekking hebbend op de spijsvertering

381

digne, digne

(een) waardig (man)

382

dignité, la

de waardigheid

383

diligenter

versneld uitvoeren, versnellen, tot spoed aandrijven

384

dimanche

zondag

385

dimension, la

de dimensie

386

diminuer

(de snelheid) verminderen

387

diminution, la

de vermindering

388

dîner; dîné

dineren, gedineerd

389

dîner, le

het avondmaal

390

diplomatique, diplomatique

diplomatisch (zijn)

391

diplôme, le

het diploma

392

dire; disant

zeggen, zeggende

393

direct

rechtstreeks (een rechtstreekse trein)

394

directement

rechtstreeks, onmiddellijk

395

directeur, le

de directeur

396

direction, la

de richting

397

directive, la

de richtlijn

398

directrice, la

de directrice

399

dirigeant, le

de leider (directeur)

400

diriger

(een ploeg) leiden

401

discerner

(kleuren) onderscheiden

402

discipline, la

de tucht

403

discothèque, la

de discotheek

404

discourir

uitweiden

405

discours, le

de redevoering

406

discret; discrète

discreet (blijven)

407

discrètement

onopvallend, discreet

408

discrétion, la

de discretie

409

disculper

(de beschuldigde) vrijpleiten

410

discussion, la

de discussie

411

discutable, discutable

(een) betwistbaar (argument)

412

discuter

(een probleem) bespreken

413

disgrâce, la

de ongenade

414

disjoindre

uit elkaar halen

415

disparaître; disparu

verdwijnen, verdwenen

416

disparition, la

de verdwijning

417

dispenser

(iemand) vrijstellen (van verplichtingen)

418

dispenser à

rijkelijk, veel (licht) geven aan

419

dispersion, la

de verstrooiing (van as)

420

disponibilité, la

de beschikbaarheid

421

disponible, disponible

beschikbaar (zijn)

422

disposer

beschikken (over)

423

disposer

schikken, rangschikken

424

dispositif, le

toestel, installatie, voorziening

425

dispositif d'alarme, le

de alarminstallatie

426

dispute, la

de ruzie

427

disque, le

de grammofoonplaat

428

disque de stationnement, le

de parkeerschijf

429

disquette, la

de diskette

430

dissimuler

(zijn gevoelens) verbergen

431

dissipation, la

het optrekken (van de mist)

432

dissolution, la

het oplossen (van stoffen in een vloeistof)

433

dissoudre

(suiker) oplossen

434

dissuader

(iemand iets) uit het hoofd praten

435

distance, la

de afstand

436

distancer

(een concurrent) voorbijstreven

437

distant

verwijderd, ver

438

distinctif, distinctive

(een) onderscheidend (kenmerk)

439

distinction, la

het onderscheid

440

distingué

(een) gedistingeerd (voorkomen)

441

distinguer

onderscheiden, uit elkaar houden

442

distordre

verwringen

443

distraction, la

de verstrooidheid

444

distraire

vermaken, ontspannen, afleiden

445

distrait

verstrooid (een verstrooide leerling)

446

distribuer; distribué

(papieren) uitdelen, uitgedeeld

447

distributeur, le

de automaat (met frisdrank)

448

distribution, la

de verdeling (van kranten)

449

district, le

het district

450

dit

(Lodewijk XIV) bijgenaamd (de Zonnekoning)

451

divers; divers

verschillend (verschillende feiten)

452

diversité, la

de verscheidenheid

453

divertissement, le

het vermaak

454

divin

(een) goddelijk (wezen)

455

diviser

(een getal) delen (door drie)

456

division, la

de verdeling (van het terrein)

457

divorce, le

de echtscheiding

458

divorcer

(uit de echt) scheiden

459

divulguer

(een geheim) openbaar maken

460

dix

tien

461

dizaine, la

het tiental

462

docile, docile

(een) volgzaam (kind)

463

doctrine, la

de doctrine

464

document, le

het document

465

documentation, la

de documentatie

466

documents justificatifs, les

het bewijsmateriaal (schriftelijk)

467

doigt, le

de vinger

468

domaine, le

het domein

469

domicile, le

de woonplaats

470

domicilié

gehuisvest (zijn te Antwerpen)

471

dominer

overheersen

472

dominer la situation

de toestand meester zijn

473

don, le

de gift

474

donateur, le

de schenker

475

donc

dus

476

donné

gegeven, bepaald

477

donnée, la

het gegeven

478

donner

(iemand iets) geven

479

donner de publicité à

(iets) ruchtbaar maken

480

donner l'alerte

alarm slaan

481

donner sur

uitgeven op (de straat)

482

donner un coup de main

een handje helpen

483

dont; (pron. rel.)

waarvan, waarover, waarop, waarmee,
waaruit, waarin

484

dont; (une personne) dont (je me souviens; (pron. rel.)

(een persoon) die (ik me herinner)

485

d'ordre

(een) ordelijk (man)

486

doré

verguld

487

dorénavant

voortaan, in het vervolg

488

dorer

(iets) vergulden

489

dormir; dormi

slapen, geslapen

490

dortoir, le

de slaapzaal

491

dos, le

de rug (van een mens)

492

dose, la

de dosis

493

dossier, le

het dossier , de rugleuning

494

douane, la

de douane

495

douanier, le

de douanebeambte

496

double, double

dubbel (een dubbele knoop)

497

doubler

(een auto) inhalen

498

doucement

zachtjes (praten)

499

douceur, la

de zachtheid

500

douche, la

het stortbad

501

doué

begaafd (zijn voor wiskunde)

502

douleur, la

de pijn

503

doute, le

de twijfel

504

douter; douté

twijfelen, getwijfeld

505

douteux; douteuse, douteux

(het is) twijfelachtig

506

d'outre-mer

(een) overzees (volk)

507

doux; douce

zacht (leder)

508

doux; douce

zachtaardig, vriendelijk

509

douzaine, la

het dozijn

510

dramatique, dramatique

(een) dramatisch (ongeval)

511

drame, le

het drama

512

drap, le

het laken

513

drapeau, le; les drapeaux

de vlag

514

draperie, la

het gordijn

515

dressoir, le

het buffet

516

droit, le

het recht (rechtspraak)

517

droits successoraux (m), les

de successierechten

518

drôle

(dat is) grappig

519

dû à

te wijten aan

520

du moins

tenminste (zo zegt hij)

521

duc, le

de hertog

522

duchesse, la

de hertogin

523

d'une part

enerzijds

524

duo, le

het duo

525

duquel, de laquelle, desquels,
desquelles; (pron. int.)

waarover

526

dur

hard (werken)

527

durable; durable

(een) duurzaam (effect)

528

durant

gedurende, tijdens, onder

529

durcir

hard worden (het brood is hard geworden)

530

durée, la

de duur (tijdspanne)

531

durer; duré

duren

532

dureté, la

de hardheid (van een materie)

533

dynamique; dynamique

(een) dynamisch (mens)