woordjes I Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes I > Flashcards

Flashcards in woordjes I Deck (405):
1

ici

hier

2

idéal; idéale; idéals (idéaux)

ideaal (zijn)

3

idéal m, l'; les idéaux

het ideaal

4

idéalisme m, l'

het idealisme

5

idée f, l'

het idee

6

identifier

identificeren

7

identique; identique

identiek (zijn)

8

identité f, l'

de identiteit

9

idiot

(een) idioot (gezicht)

10

idole f, l'

het idool

11

ignoble; ignoble

(een) laaghartig (gedrag)

12

ignorance f, l'

de onwetendheid

13

ignorant

onwetend (zijn)

14

ignorer

(het bestaan van iets) niet weten

15

ignorer; ignoré

negeren, genegeerd

16

il; (pron. pers.)

hij

17

il arrive que

het gebeurt dat (...)

18

il en résulte que

daaruit vloeit voort dat

19

il fait froid

het is koud

20

il faut que

het is nodig dat

21

il pleut

het regent

22

il pleut des cordes

het regent pijpenstelen

23

il s'agit de

het betreft

24

il se peut que

het is mogelijk dat

25

il s'est avéré

het is gebleken

26

il vaut mieux que

het is beter dat

27

il y a

er is (veel volk hier)

28

il y a tout lieu de

er is alle reden om te (denken dat...)

29

île f, l'

het eiland

30

illégal; illégale; illégaux

(een) onwettelijk (verblijf)

31

illégitime; illégitime

(een) onwettig (huwelijk)

32

illimité

onbeperkt (onbeperkte macht)

33

illisible; illisible

(een) onleesbaar (handschrift)

34

illuminer

(een zaal feestelijk) verlichten

35

illusion f, l'

de illusie

36

illustration f, l'

de illustratie

37

illustrer

illustreren

38

îlot m, l'

het eilandje

39

ils; (pron. pers.)

zij, ze

40

image f, l'

het beeld (prent)

41

imaginaire; imaginaire

(een) denkbeeldig (feit)

42

imagination f, l'

de verbeelding

43

imaginer

zich voorstellen, zich verbeelden

44

imbécile; imbécile

achterlijk (zijn)

45

imbiber

(een vod) drenken (in water)

46

imitation f, l'

de imitatie

47

imiter

(een persoon) nabootsen

48

immaculé

rein, onbevlekt

49

immangeable; immangeable

oneetbaar (een oneetbare vrucht)

50

immatriculation f, l'

de inschrijving, de registratie

51

immédiat; immédiate

direct, onmiddellijk (een directe ervaring)

52

immédiatement

onmiddellijk (komen)

53

immense; immense

onmetelijk (een onmetelijke ruimte)

54

immensité f, l'

de onmetelijkheid

55

immersion f, l'

de onderdompeling, de overstroming, het onderlopen

56

immeuble m, l'

het flatgebouw

57

immigré m, l'

de immigrant

58

immobile; immobile

onbeweeglijk (blijven staan)

59

immoral; immorale; immoraux

immoreel (gedrag)

60

immortel; immortelle

onsterfelijk (zijn)

61

impact m, l'

het effect, de invloed, de indruk

62

impair

(een) onpaar (getal)

63

impardonnable; impardonnable

onvergeeflijk (een onvergeeflijke daad)

64

imparfait

onvolmaakt (zijn)

65

impartial; impartiale; impartiaux

onpartijdig (zijn)

66

impasse f, l'

de doodlopende straat

67

impassible; impassible

(een) onbewogen (gezicht)

68

impatience f, l'

het ongeduld

69

impatient

ongeduldig (zijn)

70

impensable; impensable

ondenkbaar, onvoorstelbaar

71

impératrice f, l'

de keizerin

72

imperceptible; imperceptible

(een) onwaarneembaar (verschil)

73

imperfection f, l'

de onvolmaaktheid

74

impérial; impériale; impériaux

(een) keizerlijk (gebouw)

75

impérieux, impérieuse, impérieux

(een) gebiedend (gebaar)

76

imperméable f, l'

de regenjas

77

impersonnel, impersonnelle

(een) onpersoonlijk (gesprek)

78

impertinent

(een) onbeschaamd (gedrag)

79

imperturbable; imperturbable

(een) onverstoorbaar (man)

80

impétueux; impétueuse; impétueux

(een) onstuimig (karakter)

81

impitoyable; impitoyable

(een) meedogenloos (man)

82

implantation, l'

de implantatie

83

impliquer

impliceren

84

implorer

(iemands vergeving) afsmeken

85

impoli

onbeleefd (zijn)

86

importance f, l'

het belang

87

important

belangrijk (zijn)

88

important m, l'

de hoofdzaak, het voornaamste

89

importation f, l'

de invoer

90

importer; importé

(goederen) invoeren, ingevoerd

91

imposé

(een) opgelegd (werk)

92

imposer

(een verbod) opleggen

93

impossibilité f, l'

de onmogelijkheid

94

impossible; impossible

(het is) onmogelijk

95

impôts m, les

de belastingen

96

impression f, l'

de indruk

97

impressionnant

(een) indrukwekkend (resultaat)

98

impressionné

onder de indruk zijn

99

impressionner

indruk maken (op iemand)

100

imprévu

(een) onvoorzien (voorval)

101

imprimante f, l'

de printer (afdrukeenheid)

102

imprimé m, l'

het drukwerk

103

imprimer; imprimé

(een boek) drukken, gedrukt

104

imprimerie f, l'

de drukkerij

105

imprimeur m, l'

de drukker

106

impro f, l’

de improvisatie

107

improbable; improbable

(een) onwaarschijnlijk (feit)

108

improvisation f, l'

de improvisatie

109

imprudence f, l'

de onvoorzichtigheid

110

imprudent

onvoorzichtig (zijn)

111

impuissance f, l'

de onmacht (machteloosheid)

112

impuissant

machteloos (zijn)

113

impureté f, l'

de onzuiverheid

114

inachevé

(een) onafgewerkt (boek)

115

inadmissible; inadmissible

(een) ontoelaatbaar (gedrag)

116

inaperçu

(een) onopgemerkt (voorval)

117

inapte; inapte

ongeschikt, onbekwaam, onbruikbaar

118

inattendu

onverwacht (bezoek)

119

inattention f, l'

de onoplettendheid

120

inauguration f, l'

de inhuldiging

121

inaugurer

(een nieuw gebouw) inwijden

122

inca

Inca-

123

incalculable; incalculable

(een) onberekenbaar (gevolg)

124

incapable; incapable

onbekwaam (zijn)

125

incapacité f, l’

het onvermogen

126

incassable; incassable

onbreekbaar (glas)

127

incendie m, l'

de brand

128

incendier

(een huis) in brand steken

129

incertain

(een) onzeker (succes)

130

incertitude f, l'

de onzekerheid

131

incessant

(een) onophoudelijk (geluid)

132

incident m, l'

het voorval

133

incisif; incisive

bijtend (bijtende kritiek)

134

incitant m, l’

het stimulerend middel

135

inciter

(iemand) aanzetten (tot geweld)

136

incliner

(het hoofd) buigen

137

incolore; incolore

kleurloos (een kleurloze vloeistof)

138

incommode; incommode

(een) ongemakkelijk (werkinstrument)

139

incommoder

hinderen (dat geluid hindert me)

140

incommodité f, l'

het ongemak (last)

141

incomparable; incomparable

onvergelijkbaar (zijn)

142

incompatibilité f, l'

de onverenigbaarheid (van ideeën)

143

incompatible; incompatible

onverenigbaar (zijn met elkaar)

144

incompétent

(een) onbevoegd (departement)

145

incomplet; incomplète

onvolledig (een onvolledige groep)

146

incompréhensible, incompréhensible

(een) onbegrijpelijk (verhaal)

147

incompréhension f, l'

het onbegrip

148

inconnu

onbekend (zijn)

149

inconnu m, l'

de onbekende

150

inconscient

onbewust (zijn van het gevaar)

151

inconstant

onstandvastig (zijn in zijn ideeën)

152

incontestable; incontestable

onbetwistbaar, onweerlegbaar

153

inconvenant

(een) onbetamelijk (betoog)

154

inconvénient m, l'

het nadeel

155

incorrect

onjuist, verkeerd, onnauwkeurig

156

incorruptible; incorruptible

onomkoopbaar (zijn)

157

incroyable; incroyable

(een) ongelooflijk (feit)

158

inculpation f, l'

de aanklacht (beschuldiging)

159

inculper

(iemand) beschuldigen

160

inculte; inculte

(een) onbebouwd (terrein)

161

indécent

(een) onfatsoenlijk (gebaar)

162

indécis; indécise; indécis

(een) besluiteloos (karakter)

163

indéfini

(een) onbepaald (aantal)

164

indemne; indemne

ongedeerd (zijn na een ongeluk)

165

indemnisation, l'

de vergoeding, de schadevergoeding

166

indemnité f, l'

de schadevergoeding

167

indéniable; indéniable

(een) onontkenbaar (bewijs
van intelligentie)

168

indépendance f, l'

de onafhankelijkheid

169

indépendant

onafhankelijk (zijn)

170

indescriptible; indescriptible

onbeschrijfelijk (een onbeschrijfelijke rommel)

171

index m, l'; les index

de index

172

indicatif m, l'

het kengetal

173

indication f, l'

de aanduiding

174

indien; indienne

indiaans, Indisch

175

indifférence f, l'

de onverschilligheid

176

indifférent

onverschillig (zijn)

177

indigène

autochtoon (de autochtone bevolking)

178

indigne; indigne

onwaardig (zijn)

179

indigné

verontwaardigd (zijn)

180

indiquer; indiqué

aanduiden, aangeduid

181

indirect

(een) onrechtstreeks (effect)

182

indiscret; indiscrète

onbescheiden, indiscreet

183

indiscrétion f, l'

de onbescheidenheid

184

indispensable

(een) onontbeerlijk (voorwerp)

185

individu m, l'

het individu

186

individuel; individuelle

(een) individueel (geval)

187

indolent

lusteloos (een lusteloze scholier)

188

indubitable; indubitable

(een) onbetwijfelbaar (bewijs)

189

induire

(iets) afleiden (uit een verhaal)

190

indulgence f, l'

de toegeeflijkheid

191

indulgent

toegeeflijk (zijn)

192

industrie f, l'

de nijverheid

193

industriel m, l'

de industrieel

194

inébranlable; inébranlable

onwrikbaar, standvastig, stevig

195

inédit

(een) onuitgegeven (boek)

196

inégal; inégale; inégaux

(een) ongelijk (terrein)

197

inéluctablement

onherroepelijk (verloren zijn)

198

inerte; inerte

inert (zijn)

199

inespéré

(een) onverhoopt (succes)

200

inévitable; inévitable

(een) onvermijdelijk (gebeuren)

201

inexact

(een) onjuist (gegeven)

202

inexorable; inexorable

onverbiddelijk (zijn)

203

inexpérimenté

(een) onervaren (jongen)

204

inexplicable; inexplicable

(een) onverklaarbaar (fenomeen)

205

infaillible; infaillible

(een) onfeilbaar (middel)

206

infantile; infantile

(een) kinderlijk (gedrag)

207

infatigable; infatigable

onvermoeibaar (zijn)

208

infect

walgelijk (een walgelijke geur)

209

inférieur

(de) onderste (verdieping)

210

inférieur

(de) minder algemeen (term)

211

infériorité f, l'

de minderwaardigheid

212

infernal; infernale; infernaux

(een) hels (lawaai)

213

infime; infime

(een) gering (aantal)

214

infiniment

oneindig (groot)

215

infirme m/f, l'

de invalide

216

infirmier m, l'

de verpleger

217

infirmière f, l’

de verpleegster

218

inflammable; inflammable

(een) ontvlambaar (product)

219

inflexible; inflexible

(een) onverbiddelijk (man)

220

infliger

(een straf) opleggen

221

influence f, l'

de invloed

222

influencer

beïnvloeden

223

influer

invloed hebben (op iets)

224

info centre m, l'

het informatiecentrum

225

informaticien m, l'

de informaticus

226

informaticienne f, l’

de informaticus (vrouw)

227

information f, l'

de informatie

228

informatique f, l'

de informatica

229

infraction f, l'

de inbreuk (op de wet)

230

infrastructure f, l'

de infrastructuur

231

infusion f, l'

de kruidenthee

232

ingénieur m, l'

de ingenieur

233

ingénieux, ingénieuse, ingénieux

vindingrijk (zijn)

234

ingéniosité f, l'

het vernuft

235

ingrat

ondankbaar (zijn)

236

ingratitude f, l'

de ondankbaarheid

237

inhabité

(een) onbewoond (appartement)

238

inhabituel; inhabituelle

ongewoon, vreemd, niet alledaags

239

inhumain

onmenselijk (zijn)

240

inimaginable; inimaginable

(dat is) onvoorstelbaar

241

initial; initiale; initiaux

(de) aanvangs(woorden)

242

initiale f, l'

de beginletter

243

initiative f, l'

het initiatief

244

initier

(iemand) inwijden (in geheimen)

245

injure f, l'

het scheldwoord

246

injurieux, injurieuse, injurieux

(een) beledigend (schrijven)

247

injuste; injuste

onrechtvaardig (zijn)

248

injustice f, l'

de onrechtvaardigheid

249

injustifiable; injustifiable

(een) niet te rechtvaardigen (daad)

250

innocence f, l'

de onschuld

251

innocent

onschuldig (zijn)

252

innombrable; innombrable

ontelbaar (zijn)

253

inoccupé

(een) leegstaand (appartement)

254

inodore; inodore

geurloos (gas)

255

inoffensif; inoffensive

ongevaarlijk (een ongevaarlijke hond)

256

inondation f, l'

de overstroming

257

inondé

overstroomd, overstelpt

258

inonder

overstromen (de rivier stroomt over)

259

inoubliable; inoubliable

(een) onvergetelijk (moment)

260

inouï

(een) ongehoord (feit)

261

inoxydable; inoxydable

roestvrij (staal)

262

inquiet; inquiète

ongerust (zijn)

263

inquiétant

(een) verontrustend (feit)

264

inquiéter

verontrusten

265

inquiétude f, l'

de ongerustheid

266

inscription f, l'

de inschrijving

267

inscrire

(iets) opschrijven (in een boekje)

268

insecte m, l'

het insect

269

insensé

onzinnig (een onzinnige redenering)

270

insensible; insensible

ongevoelig (zijn)

271

insigne m, l'

het onderscheidingsteken, het speldje

272

insignifiant

(een) onbeduidend (detail)

273

insister

de nadruk leggen (op een kwestie)

274

insolence f, l'

de onbeschoftheid

275

insolent

onbeschaamd (zijn)

276

insolite; insolite

(het is) ongewoon

277

insomnie f, l'

de slaaploosheid

278

insouciant

onbezorgd (zijn)

279

inspecteur m, l'

de inspecteur

280

inspection f, l'

de inspectie

281

inspirateur; inspiratrice

(de) inspirerende (gedachte)

282

inspiration f, l'

de inspiratie

283

inspirer; inspiré

inboezemen, wekken, gewekt

284

installation f, l'

de installatie

285

instabilité f, l’

de instabiliteit

286

installer; installé

installeren, geïnstalleerd

287

instance f, l'

de instantie, de procedure

288

instant!, un

een ogenblik!

289

instinct m, l'

het instinct

290

instinctif; instinctive

(een) instinctief (karakter)

291

institut m, l'

het instituut

292

instituteur m, l'

de onderwijzer

293

institution f, l'

de instelling

294

instructif; instructive

(een) leerrijk (boek)

295

instructions f, les

de richtlijnen

296

instruire

onderrichten

297

instrument m, l'

het instrument

298

insuffisance f, l'

de ontoereikendheid

299

insuffisant

(dat is) onvoldoende

300

insulte f, l'

de belediging

301

insulter

(iemand) uitschelden

302

insupportable; insupportable

(een) onverdraaglijk (geluid)

303

intact

(een) ongeschonden (document)

304

intellectuel; intellectuelle

intellectueel (zijn)

305

intelligence f, l'

de intelligentie

306

intelligent

intelligent (zijn)

307

intenable; intenable

onhoudbaar (een onhoudbare situatie)

308

intense; intense

(een) intens (verlangen)

309

intensifier

intensiveren

310

intensité f, l'

de intensiteit

311

intenter

(een proces) aanspannen (tegen iemand)

312

intention f, l'

de bedoeling

313

intentionnel; intentionnelle

opzettelijk (een opzettelijke daad)

314

intentionnellement

opzettelijk (te laat komen)

315

intercaler

(een citaat) inlassen (in een tekst)

316

intercepter

(een brief) onderscheppen

317

interdiction f, l'

het verbod

318

interdire

verbieden

319

interdit

verboden (toegang)

320

interdit

onthutst, stomverbaasd, sprakeloos

321

intéressant

interessant (zijn)

322

intéresser

interesseren

323

intérêt m, l'

de intrest, de interesse, de belangstelling

324

intérieur

inwendig, innerlijk

325

intérieur m, l'

het interieur

326

intérim m, l'

de interim

327

intérimaire; intérimaire

(een) waarnemend (directeur)

328

interlocuteur m, l'

de gesprekspartner

329

interminable; interminable

eindeloos (een eindeloze redevoering)

330

intermittent

periodiek, onregelmatig, onderbroken

331

international; internationale; internationaux

(een) internationaal (verdrag)

332

interne; interne

inwendig (gebruik)

333

Internet m, l'

het internet

334

interprétation f, l'

de interpretatie

335

interprète m/f, l'

de tolk

336

interpréter

interpreteren

337

interrogation f, l'

de ondervraging

338

interroger; interrogé

ondervragen, ondervraagd

339

interrompre; interrompu

onderbreken, onderbroken

340

interrupteur m, l'

de schakelaar (lichtschakelaar)

341

interruption f, l'

de onderbreking

342

intervenir

tussenbeide komen

343

intervention f, l'

de tussenkomst

344

interview f, l'

het interview

345

interviewer

interviewen

346

intime; intime

intiem (een intieme vriend)

347

intimité f, l'

de intimiteit

348

intolérable; intolérable

(een) onduldbaar (gedrag)

349

intolérance f, l'

de onverdraagzaamheid

350

intriguer; intrigué

intrigeren, geïntrigeerd

351

introduction f, l'

de inleiding

352

introduire

(iemand) introduceren, binnenleiden, binnenlaten

353

introduire

(gegevens) invoeren

354

introuvable; introuvable

(een) onvindbaar (document)

355

intuition f, l'

de intuïtie

356

inusable; inusable

(een) onverslijtbaar (kledingstuk)

357

inutile; inutile

(een) nutteloos (geschenk)

358

invariable; invariable

onveranderlijk

359

invasion f, l'

de inval (in een land)

360

inventaire m, l'

de inventaris

361

inventer; inventé

uitvinden, uitgevonden

362

inventeur m, l'

de uitvinder

363

invention f, l'

de uitvinding

364

investissement m, l'

de investering

365

investisseur m, l’

de investeerder

366

invincible; invincible

onoverwinnelijk (zijn)

367

invisible; invisible

onzichtbaar (zijn in het donker)

368

invitation f, l'

de uitnodiging

369

invité m, l'

de genodigde

370

inviter; invité

uitnodigen, uitgenodigd

371

involontaire; involontaire

onvrijwillig (een onvrijwillige beweging)

372

invoquer

inroepen

373

invraisemblable; invraisemblable

(een) ongeloofwaardig (feit)

374

ironie f, l'

de ironie

375

ironique; ironique

ironisch (zijn)

376

irrationnel; irrationnelle

onverstandig, onredelijk, irrationeel

377

irréalisable; irréalisable

(een) onverwezenlijkbaar (project)

378

irréductible; irréductible

(een) onvermurwbaar (karakter)

379

irréfléchi

onberedeneerd (een onberedeneerde
daad)

380

irréfutable; irréfutable

(een) onweerlegbaar (argument)

381

irrégulier; irrégulière

(een) onregelmatig (werkwoord)

382

irremplaçable; irremplaçable

(een) onvervangbaar (onderdeel)

383

irréparable; irréparable

(een) onherstelbaar (verlies)

384

irréprochable; irréprochable

(een) onberispelijk (gedrag)

385

irrésistible; irrésistible

(een) onweerstaanbaar (verlangen)

386

irresponsable; irresponsable

(iemand) ontoerekenbaar (verklaren)

387

irréversible; irréversible

onomkeerbaar

388

irritable; irritable

(een) prikkelbaar (persoon)

389

irritation f, l'

de ergernis

390

irrité

geprikkeld, geërgerd, geïrriteerd

391

irriter

irriteren

392

ischémie froide f, l'

de koude ischemie (belemmerde doorbloeding)

393

isolé

(een) afgezonderd (dorp)

394

isolé, l'

de eenzame, de alleenstaande

395

isolément

op zichzelf, afzonderlijk

396

isolement m, l'

de afzondering

397

isoler

(een zieke) afzonderen

398

Italie f, l'

Italië

399

italien; italienne

Italiaans

400

italique; italique

schuin (de schuine letters in een tekst)

401

itinéraire m, l'

de reisweg

402

ivre; ivre

dronken (zijn)

403

ivre mort

stomdronken, ladderzat

404

ivresse f, l'

de dronkenschap

405

ivrogne m/f, l'

de dronkaard, de zuiplap