woordjes E Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes E > Flashcards

Flashcards in woordjes E Deck (638):
1

eau f, l'

het water

2

eau gazeuse f, l'

het spuitwater

3

éblouir

(iemand) verblinden

4

éblouissant

(een) verblindend (resultaat)

5

éboueur m, l'

de vuilnisman

6

ébouriffé

verward, verwilderd

7

ébranler

(de grondvesten) doen schudden

8

écarter

(de tafel) verwijderen (van de muur)
(een idee) afwijzen, verwerpen

9

ecclésiastique; ecclésiastique

kerkelijk (bestuur)

10

échafaudage m, l'

de steiger (stelling rond een gebouw)

11

échange m, l'

de uitwisseling

12

échanger

ruilen

13

échantillon m, l'

het staal (een staal waspoeder)

14

échapper

ontsnappen (aan)

15

écharpe f, l'

de sjaal

16

échauffement m, l'

de opwarming

17

échec m, l'

de mislukking

18

échelle f, l'

de schaal (landkaart)
de ladder

19

échevin m, l'

de schepen (van de gemeente)

20

échelon m, l'

de sport (van een ladder)

21

échevin m, l'

de schepen (van de gemeente)

22

échiquier m, l'

het schaakbord

23

écho m, l'

de echo

24

échoir

vervallen

25

échouer

mislukken

26

éclaboussure f, l'

de spat (modder)

27

éclair m, l'

de bliksem

28

éclairage m, l'

de verlichting (van de kamer)

29

éclaircie f, l'

de opklaring (van het weer)

30

éclaircir

(een kleur) lichter maken

31

éclaircissement m, l'

de opheldering (van de feiten)

32

éclairé

verlicht (een verlichte kamer)

33

éclairer

(de kamer) verlichten

34

éclatant

blakend (een blakende gezondheid)

35

éclater

barsten

36

éclats m, les

de scherven (glasscherven)

37

éclore

ontluiken (bloemen ontluiken)

38

écluse f, l'

de sluis

39

école f, l'

de school

40

école communale f, l'

de gemeenteschool

41

école maternelle f, l'; les écoles maternelles

de kleuterschool

42

école primaire f, l'

de basisschool

43

école supérieure f, l'

de hogeschool

44

écolier m, l'

de scholier

45

éconduire

(iemand) afschepen

46

économe; économe

zuinig (zijn met iets)

47

économie f, l'

de economie

48

économique; économique

zuinig (zijn)

49

économique; économique

(een) economisch (stelsel)

50

économiser

besparen (op uitgaven)

51

économiste m/f, l'

de econoom, de econome

52

écossais

Schots

53

écoute f, l'

het luisteren

54

écouter; écouté

luisteren, geluisterd

55

écran m, l'

het scherm (van de televisie)

56

écrasant

(een) verpletterend (gewicht)

57

écraser

(een voetganger) overrijden

58

écrémé

afgeroomd (afgeroomde melk)

59

écrire; écrit

schrijven, geschreven

60

écrit

schriftelijk

61

écriteau m, l'

het bord

62

écriture f, l'

het handschrift (manier van schrijven)

63

écrivain m, l'

de schrijver

64

écrou m, l'

de moer, de schroefmoer

65

écroulement m, l'

de instorting

66

écueil m, l'

de klip (in zee)

67

écurie f, l'

de stal (dieren)

68

édifice m, l'

het gebouw (openbaar)

69

édifier

(een gebouw) oprichten

70

éditer

(een boek) uitgeven

71

éditeur m, l'

de uitgever

72

édition f, l'

de uitgave (van een boek)

73

éducation f, l'

de opvoeding

74

éduquer

opvoeden

75

effacé

(een) onopvallend (man)

76

effacer

uitwissen

77

effectif; effective

effectief (een effectieve maatregel)

78

effectivement

daadwerkelijk, inderdaad

79

effectuer

(werkzaamheden) verrichten

80

effet m, l'

het effect

81

efficace; efficace

doeltreffend (een doeltreffende remedie)

82

efficacité f, l'

de doeltreffendheid

83

effleurer

(een onderwerp) aanstippen

84

effondrement m, l'

de instorting (van het huis)

85

effort m, l'

de inspanning

86

effrayant

(een) schrikwekkend (geluid)

87

effrayer

doen schrikken

88

effroyable; effroyable

(een) ontzettend (ongeval)

89

égal; égale; égaux

(het is mij) gelijk

90

également

eveneens

91

égaler

(iemand) evenaren

92

égalité f, l'

de gelijkheid (van burgers)

93

égayer

opvrolijken

94

église f, l'

de kerk

95

égoïste; égoïste

egoïstisch (zijn)

96

égout m, l'

de goot (straatgoot)

97

Égypte f, l'

Egypte

98

égyptien; égyptienne

Egyptisch

99

élaborer

(een project) uitwerken

100

élan m, l'

de geestdrift (met geestdrift praten)

101

élargir

verbreden

102

élastique m, l'

het elastiek

103

électeur m, l'

de kiezer

104

élection f, l'

de verkiezing (van een president)

105

électricien m, l'

de elektricien

106

électricité f, l'

de elektriciteit

107

électrique, électrique

elektrisch (toestel)

108

électronique, électronique

elektronisch

109

élégance f, l'

de elegantie

110

élégant

elegant (zijn)

111

élément m, l'

het element

112

élémentaire; élémentaire

(een) elementair (niveau)

113

éléphant m, l'

de olifant

114

élevage m, l'

de veeteelt

115

élévation de voix f, l'

de stemverheffing

116

élevé

(een goed) opgevoed (kind)
hoog, groot

117

élève m/f, l'

de leerling, de leerlinge

118

élever

(kinderen) grootbrengen, opvoeden

119

éleveur m, l'

de veehouder

120

élimination f, l'

de uitschakeling (van een rivaal)

121

éliminer

(een concurrent) uitschakelen

122

élire

(een president) verkiezen

123

elle; (pron. pers.)

zij, ze

124

elle: d'elle; (pron. pers.)

(over) haar

125

elle-même; (pron. pers.)

zichzelf

126

elles; (pron. pers.)

zij, ze

127

elles: (sans) elle; (pron. pers.)

(zonder) hen

128

éloge m, l'

de lofrede

129

éloigné

(een) verwijderd (dorp)

130

éloignement m, l'

de verwijdering (van iemand)

131

éloigner

verwijderen, wegzetten

132

éloquence f, l'

de welsprekendheid

133

éloquent

welsprekend (zijn)

134

élu

verkozen (zijn)

135

emballage m, l'

de verpakking

136

emballer

(het eetservies goed) inpakken

137

embarquer

aan boord gaan

138

embarras m, les

de moeilijkheden (problemen)

139

embarrasser

in verlegenheid brengen

140

embauchage m, l'

de aanwerving (van een arbeider)

141

embaucher

(een nieuwe arbeider) aanwerven

142

embellir

mooier maken

143

embêtant

vervelend

144

embêter

lastig vallen

145

embouchure f, l'

de monding (van een rivier)

146

embouteillage m, l'

de verkeersopstopping

147

embouteiller

(het verkeer) versperren

148

embrasser; embrassé

(grootmoeder) kussen, zoenen, omhelzen, gekust, omhelsd

149

émetteur m, l'

de zender (op t.v.)

150

émettre

uitzenden (op de televisie)

151

émeute f, l'

de volksoproer

152

émigration f, l'

emigratie, uitwijking

153

éminent

voortreffelijk (een voortreffelijke
dienst bewijzen)

154

émission f, l'

de uitzending (op televisie)

155

emménager

intrekken (in een woning)

156

emmener

meebrengen

157

emmitoufler

warm inpakken, warm aankleden

158

émotion f, l'

de ontroering

159

émouvant

(een) ontroerend (afscheid)

160

émouvoir

ontroeren

161

empêchement m, l'

de belemmering

162

empêcher

verhinderen

163

empereur m, l'

de keizer

164

empester

(de lucht) verpesten

165

empiler

(hout) opstapelen

166

empire m, l'

het keizerrijk

167

empirer

verslechteren

168

emplacement m, l'

de plek (om de tent op te slaan)

169

emploi m, l'

de betrekking (werk)

170

employé m, l'

de bediende (m)

171

employée f, l'

de bediende (v)

172

employer

gebruiken

173

employeur m, l'

de werkgever

174

empoisonner

vergiftigen

175

emporter

(iets) meenemen

176

empreinte f, l'

de afdruk (vingerafdruk)

177

empressé

(zeer) gedienstig (zijn)

178

emprisonner

(iemand) gevangen zetten

179

emprunt m, l'

de lening (bij de bank)

180

emprunter; emprunté

(een boek) lenen (van iemand), geleend

181

ému

ontroerd (zijn)

182

en

als, binnen, in, naar, er, er ... van, er ... over, er … toe, er ... aan

183

en amont

stroomopwaarts (varen)

184

en apparence

schijnbaar (rustig zijn)

185

en arrière

(een pas) achteruit

186

en attendant

voorlopig, in afwachting

187

en aucun cas

in geen geval

188

en aval

stroomafwaarts (varen)

189

en avoir marre

het zat zijn

190

en bas

(de koffers staan) beneden

191

en bas de

onder

192

en bord de mer

aan zee

193

en cas de

in geval van

194

en ce qui concerne

wat betreft

195

en commun

gemeenschappelijk

196

en cours de route

onderweg

197

en dehors de

buiten

198

en dépit de

ondanks, in weerwil van

199

en dessous de

onder

200

en détresse

(schip) in nood

201

en échange de

in ruil voor

202

en effet

inderdaad

203

en état de

in staat van (oorlog)

204

en face de

aan de overzijde, tegenover

205

en fait

in feite

206

en faveur de

ten gunste van

207

en fin de compte

per slot van rekening

208

en fuite

op de vlucht (zijn)

209

en général

in het algemeen

210

en grande partie

grotendeels

211

en l'honneur de

ter ere van

212

en moyenne

gemiddeld (2 per week)

213

en outre

bovendien

214

en particulier

in het bijzonder

215

en partie

gedeeltelijk, voor een deel

216

en permanence

permanent, voortdurend, blijvend

217

en plein air

in open lucht

218

en principe

in principe

219

en profondeur

grondig

220

en retard

(de trein is) te laat

221

en revanche

daarentegen

222

en secret

in het geheim

223

en sens inverse

in tegengestelde richting

224

en somme

alles tezamen genomen

225

en sursaut

met een schok (wakker schrikken)

226

en un clin d'oeil

in een oogwenk

227

en vertu de

krachtens (de wet)

228

en vogue

in de mode

229

en vouloir

(iemand iets) kwalijk nemen

230

en vue de

met het oog op (het inwinnen van informatie)

231

encadrement m, l'

de omlijsting (van een schilderij)

232

encadrer

(een foto) inlijsten

233

encadrer; encadrant

omringen, omlijsten, omringende

234

encaisser

(een cheque) innen

235

encastrer; encastré

invoegen, inpassen, ingebouwd

236

encéphale m, l'

de (grote en kleine) hersenen

237

encercler

omcirkelen

238

enchaîner; enchaîné

ketenen, vastketenen, geketend

239

enchanté

aangenaam (Aangenaam, Mevrouw)

240

enchantement m, l'

de verrukking

241

enchanteur; enchanteresse

betoverend, verleidelijk
(een verleidelijke vrouw)

242

enclore

omheinen

243

encombrement m, l'

de opstopping (van het verkeer)

244

encore

nog

245

encourageant

(een) bemoedigend (woord)

246

encourager; encouragé

aanmoedigen, aangemoedigd

247

encourir

oplopen

248

encre f, l'

de inkt

249

encrier m, l'

de inktpot

250

encyclopédie f, l'

de encyclopedie

251

endive f, l'

de andijvie

252

endommager

beschadigen (de storm heeft het huis zwaar beschadigd)

253

endormi

ingeslapen, slaperig

254

endroit m, l'

de plaats (streek)

255

enduire

insmeren

256

endurer

(pijn) verdragen

257

énergie f, l'

de energie

258

énergie nucléaire f, l'

de kernenergie

259

énergie solaire f, l'

de zonne-energie

260

énergique, énergique

energiek (zijn)

261

énervant

(een) enerverend (werk)

262

énervé

zenuwachtig, gespannen

263

enfance f, l'

de kinderjaren

264

enfant m/f, l'

het kind

265

enfant prodige m/f, l'

het wonderkind

266

enfantillage m, l'

de kinderachtigheid,
het kinderachtig gedrag

267

enfantin; enfantine

kinderlijk (zijn)

268

enfer m, l'

de hel

269

enfermer; enfermé

opsluiten, opgesloten

270

enfin

eindelijk

271

enfoncer

(een spijker) inslaan

272

enfreindre

(het reglement) overtreden

273

engagement m, l'

de indienstneming

274

engager; engagé

(een nieuwe bediende) aannemen, aangenomen

275

engendrer

(een kind) verwekken

276

engin m, l'

het werktuig

277

engrais m, l'

de mest

278

engraisser

(het vee) vetmesten

279

énigmatique, énigmatique

(een) raadselachtig (mysterie)

280

énigme f, l'

het raadsel

281

enjambée f, l'

de stap (een grote stap, schrede)

282

enjamber

stappen over (een muurtje)

283

enjeu m, l'

de inzet (bij een spel)

284

enjoindre

gelasten

285

enlèvement m, l'

de ontvoering, de schaking

286

enlever

(iemand) ontvoeren,(zijn trui) uittrekken,wegnemen

287

enneigé

(een) besneeuwd (plateau)

288

ennemi m, l'

de vijand

289

ennui m, l'

de verveling

290

ennuyé

bezorgd,ongerust, geërgerd

291

ennuyeux; ennuyeuse; ennuyeux

(een) vervelend (voorval)

292

énoncé m, l'

de uiting, de taaluiting, de zin

293

énoncer

(iets formeel) uiten

294

énorme, énorme

(een) enorm (aantal)

295

énormément

enorm, ontzettend, geweldig

296

enquête f, l'

het onderzoek, de enquête

297

enragé

razend (zijn)

298

enregistrement m, l'

de opname (van muziek)

299

enregistrer; enregistré

(iets) optekenen (in een akte),
opgetekend

300

enrhumé

verkouden

301

enrichi

verrijkt, verfraaid

302

enrichir

verrijken (lectuur verrijkt de geest)

303

enseignant m, l'

de lesgever

304

enseignement m, l'

het onderwijs

305

enseignement secondaire m, l'

het middelbaar onderwijs

306

enseigner

onderwijzen

307

ensemble

samen (weggaan)

308

ensoleillé

(een) zonnig (plekje)

309

ensuite

vervolgens

310

entasser

opeenstapelen

311

entendre; entendu

horen, gehoord

312

entendu!

begrepen!

313

entente f, l'

de verstandhouding

314

enterrement m, l'

de begrafenis

315

enterrer

begraven

316

enthousiasme m, l'

het enthousiasme

317

enthousiaste, enthousiaste

enthousiast (zijn)

318

entier; entière

(een) volledig (dossier)

319

entièrement

(een akte) volledig (bestuderen)

320

entouré

omringd (zijn door vrienden)

321

entourer

(iemand met vrienden) omringen

322

entracte m, l'

de pauze (tussen twee scènes)

323

entraide f, l'

de hulp, de bijstand

324

entraîné

getraind (zijn)

325

entraînement m, l'

de training

326

entraîner

(een voetbalploeg) trainen

327

entraîneur m, l'

de trainer

328

entraver

belemmeren

329

entre

tussen

330

entre lesquels, entre lesquelles; (pron. rel.)

tussen dewelke

331

entre parenthèses

tussen haakjes

332

entrebâiller; entrebâillé

op een kier zetten, open zetten, op een kier gezet

333

entrée f, l'

de ingang (van een huis)

334

entremets m, l'

het tussengerecht

335

entreprendre

ondernemen

336

entrepreneur m, l'

de aannemer

337

entreprise f, l'

de onderneming

338

entrer; entrant, entré

binnenkomen, binnengaan,
binnengaand, binnengegaan

339

entre-temps

ondertussen

340

entretenir; entretenu

(het huis) onderhouden, onderhouden

341

entretien m, l'

het onderhoud

342

entrevoir

vluchtig zien

343

entrevue f, l'

het onderhoud (ontmoeting)

344

entrouvrir

half openen, een stukje openen

345

énumération f, l'

de opsomming

346

énumérer

opsommen

347

envahir

overspoelen (buitenlandse producten
overspoelen de markt)

348

enveloppe f, l'

de envelop

349

envelopper

(een kindje in dekens) wikkelen

350

enversten

opzichte van, jegens, tegenover

351

envers m, l'

de keerzijde

352

envers lequel, envers laquelle, envers
lesquels, envers lesquelles; (pron. rel.)

tegenover dewelke, tegenover hetwelk

353

envier

benijden

354

envieux, envieuse, envieux

afgunstig (zijn)

355

environ

ongeveer

356

environnement m, l'

de omgeving (milieu)

357

environner

omgeven (de bergen omgeven de stad)

358

envisageable, envisageable

denkbaar

359

envisager; envisagé

(een aankoop) overwegen, overwogen

360

envoi m, l'; les envois

de verzending (van de koopwaar)

361

envoyé spécial m, l'

de speciale verslaggever

362

envoyer; envoyé

zenden, gezonden

363

épais; épaisse, épais

(een) dik (boek)

364

épaisseur f, l'

de dikte (van de mist)

365

épargne f, l'

het spaargeld

366

épargner

(200 euro) sparen

367

éparpiller

(confetti) uitstrooien

368

épars

(bomen hier en daar) verspreid

369

épatant

(een) verbluffend (resultaat)

370

épaté

plat

371

épaule f, l'

de schouder

372

épave f, l'

het wrak

373

épée f, l'

het zwaard

374

épeler

(een woord) spellen

375

éphémère; éphémère

(alles is) vergankelijk

376

épi m, l'

de aar (korenaar)

377

épicerie f, l'

de kruidenier (winkel)

378

épicier m, l'

de kruidenier

379

épinards m, les

de spinazie

380

épine f, l'

de doorn

381

épingle f, l'

de speld (naaigerei)

382

éplucher

(aardappelen) schillen

383

éponge f, l'

de spons

384

époque f, l'

het tijdperk

385

épouse f, l'

de echtgenote

386

épouser

huwen (met iemand)

387

épousseter

(de kast) afstoffen

388

épouvantable, épouvantable

verschrikkelijk (een verschrikkelijke misdaad)

389

épouvante f, l'

de hevige schrik

390

épouvanter

angst aanjagen

391

époux m, l'; les époux

de echtgenoot

392

épreuve f, l'

de proef (test)

393

épris

smoorverliefd (zijn op iemand)

394

éprouvé

(een) beproefd (mens)

395

éprouver

op de proef stellen

396

épuisant

uitputtend, afmattend

397

épuisé

uitgeput

398

épurer

(water) zuiveren

399

équateur m, l'

de evenaar

400

équilibré

(een) evenwichtig (man)

401

équilibre m, l'

het evenwicht

402

équipage m, l'

de bemanning (van een schip)

403

équipe f, l'

de ploeg (groep)

404

équipement m, l'

de uitrusting (voor een sport)

405

équiper; équipé

(een schip) uitrusten, uitgerust

406

équitable, équitable

(een) billijk (man)

407

équivalent m, l'

het equivalent

408

équivaloir

gelijk zijn (aan)

409

équivoque, équivoque

(een) dubbelzinnig (woord)

410

ère f, l'

het tijdperk

411

errer

dwalen (door de straten)

412

erreur f, l'

de vergissing, de fout

413

erroné

(een) verkeerd (citaat)

414

érudit

(een) geleerd (man)

415

escalade f, l'

de beklimming, de bestijging

416

escale f, l'

de tussenlanding (van een vliegtuig)

417

escalier m, l'

de trap (naar de tweede verdieping)

418

escalier roulant m, l'

de roltrap

419

escapade f, l'

het tussendoortje, het uitstapje,
het avontuurtje

420

escarpé

steil (een steile berg)

421

esclavage m, l'

de slavernij

422

esclave m/f, l'

de slaaf, de slavin

423

escroc m, l'

de oplichter

424

escroquerie f, l'

de oplichting (zwendel)

425

espace m, l'

de ruimte (er is genoeg ruimte hier)

426

Espagne f, l'

Spanje

427

espagnol

Spaans

428

espèce f, l'

de soort

429

espérance f, l'

de verwachting

430

espérer; espérant, espéré

hopen (dat), hopende (dat),
gehoopt (dat), verwacht

431

espion m, l'

de spion

432

espoir m, l'

de hoop (hoop hebben voor de
toekomst)

433

esprit m, l'

de geest (verstand)

434

esquisse f, l'

de schets (van een schilderij)

435

essai, l'; les essais

de proef, de poging

436

essaim m, l'

de zwerm (bijen)

437

essayer; essayé

proberen, geprobeerd

438

essence f, l'

de benzine

439

essentiel; essentielle

(een) essentieel (element)

440

essentiellement

voornamelijk, in hoofdzaak

441

essor m, l'

de bloei (van een firma)

442

essuie-glace m, l'; les essuie-glaces

de ruitenwisser

443

essuie-main m, l'; les essuie-mains

de handdoek

444

essuyer; essuyé

afdrogen, afgedroogd

445

est m, l'

het oosten

446

esthétique, esthétique

(een) esthetisch (oordeel)

447

estimation f, l'

de schatting (van een schilderij)

448

estime f, l'

de achting (voor iemand)

449

estimer; estimé

menen (dat...), gemeend

450

estimer; estimé

schatten, ramen, geschat

451

estival; estivale; estivaux

(een) zomers (weertje)

452

estomac m, l'

de maag, de buik

453

et

en

454

établi

gevestigd

455

établir; établi

opmaken, opbouwen, opgemaakt, opgebouwd

456

établir

(een fabriek) vestigen

457

établissement m, l'

de instelling, de vestiging

458

étage m, l'

de verdieping (van het hotel)

459

étagère f, l'

de boekenplank

460

étal m, l'

het kraam, het marktkraam

461

étalage m, l'

het uitstalraam

462

étaler

(zijn koopwaar) uitstallen

463

étang m, l'

de vijver

464

étant donné que

gezien het feit dat, gezien

465

étape f, l'

de etappe

466

État m, l'

de Staat

467

état-major m, l'

de staf (militaire leiding)

468

États-Unis m, les

de Verenigde Staten

469

etc.

enz.

470

et cetera

enzovoorts

471

été m, l'

de zomer

472

éteindre; éteint

(het licht) uitdoen, (een sigaret) doven uitgedaan, gedoofd

473

étendre

(een deken) uitspreiden (op de grond)

474

étendu

(een) uitgestrekt (gebied)

475

étendue f, l'

de uitgestrektheid

476

éternel, éternelle

(een) eeuwig (verdrag)

477

éternité f, l'

de eeuwigheid

478

étinceler

schitteren (kristallen voorwerpen schitteren)

479

étincelle f, l'

de vonk

480

étiquette, l'

het etiket, het label, het kaartje

481

étoffe f, l'

de stof (van het rokje)

482

étoilé

met sterren bezaaid, stervormig

483

étoile f, l'

de ster (aan de hemel)

484

étonnant

(een) verwonderlijk (feit)

485

étonné

verwonderd (zijn)

486

étonnement m, l'

de verbazing

487

étonner

verbazen

488

étouffant

(een) verstikkend (klimaat)

489

étourderie f, l'

de onbezonnenheid

490

étourdi

(een) onbezonnen (daad)

491

étrange; étrange

(een) vreemd (geval)

492

étranger m, l'

het buitenland,de vreemdeling

493

étrangler

wurgen

494

être

zijn
liggen (het boek ligt op de tafel)

495

être m, l’

het wezen, het schepsel

496

être à bout de souffle

buiten adem, uitgeput zijn

497

être à temps

op tijd zijn

498

être à tête

aan het hoofd staan (van een bedrijf)

499

être âgé de

(24 jaar) oud zijn

500

être au courant

op de hoogte zijn

501

être bien disposé

goed gehumeurd zijn

502

être brouillé

(met iemand) overhoop liggen

503

être chargé de

belast zijn (met een taak)

504

être chez soi; (pron. pers.)

thuis zijn

505

être d'accord

het eens zijn, akkoord gaan

506

être de retour

terug zijn

507

être dupe

bedrogen uitkomen

508

être en avance

te vroeg zijn

509

être en congé

met verlof zijn

510

être en dérangement

defect zijn (de telefoon is defect)

511

être en désaccord avec quelqu'un

het met iemand oneens zijn

512

être en forme

in vorm zijn, zich lekker voelen

513

être en panne

pech hebben

514

être en route

op weg zijn (naar Brussel)

515

être en train

bezig zijn (iets te doen)

516

être fâché

boos zijn (op iemand), kwaad zijn

517

être gêné

in verlegenheid zijn, in verwarring gebracht worden

518

être las de

(zijn studies) beu zijn

519

être occupé

bezig zijn, het druk hebben

520

être sur le point de

op het punt staan te (vertrekken)

521

étreindre

(passioneel) omhelzen

522

étrennes f, les

de nieuwjaarsgeschenken

523

étroit

smal (een smalle doorgang)

524

étude f, l'

de studie

525

étudiant m, l'

de student

526

étudiante f, l'

de studente

527

étudier; étudié

studeren, onderzoeken,
gestudeerd, onderzocht

528

étui m, l'

het etui, de doos, de koker

529

euro m, l'

de euro

530

Europe f, l'

Europa

531

européen; européenne

(een) Europees (land)

532

eux; (pron. pers.)

zij

533

eux: par) eu; (pron. pers.)

(door) hen

534

eux-mêmes; (pron. pers.)

zijzelf

535

évacuer

(een brandend warenhuis) ontruimen

536

évaluer

evalueren

537

évasion f, l'

de ontsnapping

538

éveil m, l'

het wakker worden, het ontwaken

539

événement m, l'

de gebeurtenis

540

éventail m, l'; les éventails

de waaier

541

éventuellement

eventueel (komen ze)

542

évêque m, l'

de bisschop

543

évidemment!

natuurlijk!

544

évidence f, l'

de vanzelfsprekendheid

545

évident

(een) vanzelfsprekend (feit)

546

évier m, l'

de gootsteen

547

éviter; évitant

vermijden, vermijdende

548

évoluer; évolué

evolueren, geëvolueerd

549

évolution f, l'

de evolutie

550

évoquer

(een herinnering) oproepen

551

exact

precies (het precieze aantal)

552

exactement

precies, nauwkeurig

553

exactitude f, l'

de nauwkeurigheid

554

exagération f, l'

de overdrijving

555

exagéré

(een) overdreven (prijs)

556

exagérer

overdrijven

557

examen m, l'

het examen

558

examen pour le permis m, l'

het rijexamen

559

examinateur m, l'

de examinator

560

examiner; examiné

onderzoeken, nagaan,
onderzocht, nagegaan

561

exaspérer

mateloos ergeren

562

excavatrice f, l'

de graafmachine

563

excédent m, l'

het overgewicht (teveel gewicht)

564

excéder

(een bedrag) overschrijden

565

excellence f, l'

de uitmuntendheid

566

excellent

(een) uitstekend (gerecht)

567

exceller

uitmunten (in zijn vak)

568

excepté

uitgezonderd, behalve

569

exception f, l'

de uitzondering

570

exceptionnel; exceptionnelle

(een) uitzonderlijk (formaat)

571

excès m, l'

de overmaat

572

excessif, excessive

(een) buitensporig (gedrag)

573

excité

opgewonden (zijn)

574

exclamation f, l'

de uitroep

575

exclure

uitsluiten

576

excursion f, l'

de uitstap (naar Amsterdam)

577

excuse f, l'

het excuus, de verontschuldiging

578

excuser

verontschuldigen

579

excusez-moi!

verontschuldig mij!

580

exécuter; exécuté

(een werk) uitvoeren, verrichten,
uitgevoerd, verricht

581

exécutif, exécutive

uitvoerend (de uitvoerende macht)

582

exécution f, l'

de uitvoering (van een project)

583

exemplaire; exemplaire

voorbeeldig, exemplarisch

584

exemplaire m, l'

het exemplaar

585

exemple m, l'

het voorbeeld

586

exercer

(een beroep) uitoefenen

587

exercice m, l'

de oefening

588

exigeant

veeleisend (zijn)

589

exigence f, l'

de eis

590

exiger

(iets) eisen

591

exil m, l'

de ballingschap

592

exiler; exilé

verbannen, verbannen

593

existence f, l'

het bestaan

594

exister

bestaan

595

exonérer

(iemand) ontheffen (van belastingen)

596

exotique; exotique

exotisch

597

expédier

(goederen) verzenden

598

expéditeur m, l'

de afzender

599

expérience f, l'

de ervaring

600

expérimental, expérimentale; expérimentaux

(in een) experimenteel (stadium)

601

expérimentation f, l'

de proefneming

602

expert m, l'

de deskundige

603

expirer

uitademen

604

explication f, l'

de uitleg (verklaring)

605

explicite, explicite

ondubbelzinnig, duidelijk

606

expliquer; expliqué

uitleggen, uitgelegd

607

exploit m, l'

de topprestatie

608

exploitation f, l'

de uitbating

609

exploiter

(een zaak) uitbaten

610

explorateur m, l’

de ontdekker

611

explorer

(een gebied) verkennen

612

exploser

ontploffen (de bom ontploft)

613

explosion f, l'

de ontploffing

614

exportation f, l'

de uitvoer

615

exporter

(producten) uitvoeren (naar
het buitenland)

616

exposé m, l'

de uiteenzetting (spreekbeurt)

617

exposé à

blootgesteld aan (de zon)

618

exposer

tentoonstellen

619

exposition f, l'

de tentoonstelling

620

exprès m, l'

de spoedbestelling

621

express m, l'

de sneltrein

622

expression f, l'

de uiting (van gevoelens)

623

exprimer

(gedachten) uitdrukken

624

expulser

(indringers) verdrijven

625

exquis; exquise, exquis

(een) voortreffelijk (gerecht)

626

extase f, l'

de vervoering (in vervoering zijn)

627

extension f, l'

de uitbreiding

628

exténuer

afmatten

629

extérieur

buitenlands, buiten-, uitwendig

630

externe; externe

uitwendig (gebruik)

631

extincteur m, l'

het brandblusapparaat

632

extinction f, l'

het blussen (van een brand)

633

extraire

(ertsen) delven

634

extraire

extraheren

635

extrait m, l'

het uittreksel (van een akte)

636

extraordinaire, extraordinaire

(een) buitengewoon (succes)

637

extrêmement

uiterst (duur)

638

extrémité f, l'

het uiteinde