P&D 1 Flashcards

(23 cards)

1
Q

Belevingswereld van kinderen

A

De manier waarop een kind de wereld beleeft vanwege zijn ontwikkelingsleeftijd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Belevingswereld kleuters

A

animisme/egocentrisme/gerichtheid op aanschouwelijke wereld

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Belevingswereld middenbouw

A

scheiding fantasie en werkelijkheid & meer ordening en structuur

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Belevingswereld bovenbouw

A

hang naar realiteit staat voorop, eigen mening inzicht in sociale relaties.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Chronoligsche leeftijd

A

op een bepaalde leeftijd mag je bepaalde gedragingen en veranderingen verwachten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Biologische leefijtd

A

De menselijke ontwikkeling wordt min of meer bepaald door fysieke factoren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Sociale context

A

ontwikkeling bepaald wordt door de omgeving

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Levenslooppsychologie

A

Richt zich op de functionele ontwikkeling van de mens met name mensen met een geschiedenis hierdoor meer gekeken naar kinderlijkeontwikkeling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Universele ontwikkelingspatronen

A

Elk kind heeft de drang om te gaan staan, lopen, praten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Vorming

A

Invloed erfelijke gegevens en culture omgeving opgegroeid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Bronfenbrenner

A

Ontwikkeling wordt bepaald door interacties, Invidu past zich aan aan de omgeving maar kan de omgeving ook beinvloeden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Stimuleren ontwikkeling kind komt door activiteit die toenemend complex zijn. Opvoeder moet letten op;

A

betrokkenheid bij activiteit, Interacties van het kind, ontwikkeling in interacties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Verhalen in constructies:

A

Een reeks gebeurtenissen krijgen betekenis door ze samen te brengen en te verbinden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Genderrolgedrag:

A

Bepaald gedrag wordt verwacht van een jongen of een meisje

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Freud:

A

Denken en handelen van mens bepaald wordt door skesuele en agressieve driften (libido) = Alle prettige sensatie (zoenen, plassen, duimzuigen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Psychoanalyse genetisch gezichtspunt

A

Vroegere conflicted bepalend voor latere persoonlijkheid

16
Q

Sublimeren (Freud)

A

je sterke of wilde gevoelens gebruiken voor iets goeds of nuttigs.

17
Q

afweermechanismen:

A

Wanneer sterke gevoelens gebruik voor iets goed niet lukt. Dan gebruikt iemand trucjes om lastige gevoelens weg te stoppen.

18
Q

Verdringing

A

je duwt nare herinneringen of gevoelens weg en “vergeet” ze.

19
Q

Ontkenning:

A

je doet alsof iets vervelends niet bestaat.

20
Q

Projectie:

A

je zegt dat een ander iets fout doet, terwijl het eigenlijk over jezelf gaat.

21
Q

Reactieformatie:

A

je doet juist het tegenovergestelde van wat je echt voelt.

22
Q

Rationalisatie:

A

je praat iets goed met smoesjes en uitleg, zodat het minder vervelend voelt.