P&D 2 Flashcards

(24 cards)

1
Q

De orale fase (0 tot 1,5 jaar)

A

waarin zuigen de belangrijkste bron van lust is

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

De anale fase (1.5 tot 2,5 a 3 jaar)

A

waarin sensaties die verbonden zijn aan de

ontlasting een rol spelen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

koppigheidsfase

A

ontwikkeling van zelfstandigheid en autonomie nu een grote rol speelt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

De fallische fase (3 tot 6 a 7 jaar)

A

is de fase waarin het kind belangstelling krijgt voor

het genitale gebied.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

De Latentiefase (7 tot 11 jaar).

A

driftimpulsen minder worden en dat er meer energie rijkomt voor leren en sociale contacten buiten het gezin.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

De genitale fase ( > 11 jaar)

A

In de puberteit breken vervolgens de seksuele gevoelens in alle hevigheid los. De erotiek is vanaf dat moment gericht op andere Personen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Fixatie

A

Fixatie ontstaat wanneer een kind in een bepaalde ontwikkelingsfase te veel of juist te weinig bevrediging krijgt. Hierdoor blijft het kind als het ware “vastzitten” in die fase.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Regressie

A

Regressie betekent dat een kind, na het bereiken van een hogere ontwikkelingsfase, terugvalt in gedrag uit een eerdere fase. Dit gebeurt vaak bij stress, spanning of ingrijpende veranderingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Cognitieve ontwikkeling

A

Cognitieve ontwikkeling verwijst naar de ontwikkeling van denken, taal, geheugen, aandacht en probleemoplossend vermogen. Piaget stelt dat kinderen actief kennis opbouwen door zelf te handelen en te ontdekken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Adaptatie

A

Adaptatie is het proces waarbij het denken zich aanpast aan de omgeving om effectief te kunnen functioneren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Organisatie

A

betekent dat nieuwe ervaringen en kennis worden samengevoegd met bestaande kennis.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Assimilatie

A

Bij assimilatie past het kind nieuwe ervaringen in bestaande denkschema’s in. De bestaande kennis verandert niet, maar wordt toegepast op een nieuwe situatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Accommodatie

A

Accommodatie is het aanpassen of uitbreiden van bestaande denkschema’s wanneer nieuwe informatie niet past.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Sensomotorische fase (0–2 jaar)

A

In deze fase leert het kind door zintuigen en motorische handelingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Preoperationele fase (2–7 jaar)

A

Het kind gebruikt taal en symbolen, maar denkt nog niet logisch.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Egocentrisme

A

betekent dat het kind de wereld uitsluitend vanuit zijn eigen gezichtspunt bekijkt. Het kan zich nog niet verplaatsen in gedachten en gevoelens van anderen.

17
Q

Animisme

A

is de neiging om leven en gevoelens toe te kennen aan levenloze voorwerpen.

18
Q

Artificialisme

A

denkt het kind dat alles door mensen is gemaakt (bergen)

19
Q

Realisme

A

Realisme houdt in dat kinderen psychische processen als echt en tastbaar beschouwen (dromen zweven in de slaapkamer)

20
Q

Concreet-operationele fase (7–11 jaar)

A

In deze fase kan het kind logisch denken over concrete situaties. Het egocentrisme neemt af en het kind kan meerdere standpunten begrijpen

21
Q

Formeel-operationele fase (vanaf ±11 jaar)

A

Het kind kan abstract, logisch en hypothetisch denken. Het kan nadenken over mogelijkheden, toekomstscenario’s en abstracte problemen

22
Q

Identiteit

A

het gevoel een uniek persoon te zijn met een eigen karakter, waarden en overtuigingen.

23
Q

Gehechtheid, Veilig/Onveilig

A

Gehechtheid is een duurzame emotionele band tussen een kind en de primaire verzorger.

24
Q

Motivatie

A

is datgene wat gedrag aanstuurt. Mensen handelen om behoeften te vervullen. Motivatie kan bewust of onbewust zijn.