De orale fase (0 tot 1,5 jaar)
waarin zuigen de belangrijkste bron van lust is
De anale fase (1.5 tot 2,5 a 3 jaar)
waarin sensaties die verbonden zijn aan de
ontlasting een rol spelen.
koppigheidsfase
ontwikkeling van zelfstandigheid en autonomie nu een grote rol speelt.
De fallische fase (3 tot 6 a 7 jaar)
is de fase waarin het kind belangstelling krijgt voor
het genitale gebied.
De Latentiefase (7 tot 11 jaar).
driftimpulsen minder worden en dat er meer energie rijkomt voor leren en sociale contacten buiten het gezin.
De genitale fase ( > 11 jaar)
In de puberteit breken vervolgens de seksuele gevoelens in alle hevigheid los. De erotiek is vanaf dat moment gericht op andere Personen
Fixatie
Fixatie ontstaat wanneer een kind in een bepaalde ontwikkelingsfase te veel of juist te weinig bevrediging krijgt. Hierdoor blijft het kind als het ware “vastzitten” in die fase.
Regressie
Regressie betekent dat een kind, na het bereiken van een hogere ontwikkelingsfase, terugvalt in gedrag uit een eerdere fase. Dit gebeurt vaak bij stress, spanning of ingrijpende veranderingen.
Cognitieve ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling verwijst naar de ontwikkeling van denken, taal, geheugen, aandacht en probleemoplossend vermogen. Piaget stelt dat kinderen actief kennis opbouwen door zelf te handelen en te ontdekken
Adaptatie
Adaptatie is het proces waarbij het denken zich aanpast aan de omgeving om effectief te kunnen functioneren.
Organisatie
betekent dat nieuwe ervaringen en kennis worden samengevoegd met bestaande kennis.
Assimilatie
Bij assimilatie past het kind nieuwe ervaringen in bestaande denkschema’s in. De bestaande kennis verandert niet, maar wordt toegepast op een nieuwe situatie.
Accommodatie
Accommodatie is het aanpassen of uitbreiden van bestaande denkschema’s wanneer nieuwe informatie niet past.
Sensomotorische fase (0–2 jaar)
In deze fase leert het kind door zintuigen en motorische handelingen.
Preoperationele fase (2–7 jaar)
Het kind gebruikt taal en symbolen, maar denkt nog niet logisch.
Egocentrisme
betekent dat het kind de wereld uitsluitend vanuit zijn eigen gezichtspunt bekijkt. Het kan zich nog niet verplaatsen in gedachten en gevoelens van anderen.
Animisme
is de neiging om leven en gevoelens toe te kennen aan levenloze voorwerpen.
Artificialisme
denkt het kind dat alles door mensen is gemaakt (bergen)
Realisme
Realisme houdt in dat kinderen psychische processen als echt en tastbaar beschouwen (dromen zweven in de slaapkamer)
Concreet-operationele fase (7–11 jaar)
In deze fase kan het kind logisch denken over concrete situaties. Het egocentrisme neemt af en het kind kan meerdere standpunten begrijpen
Formeel-operationele fase (vanaf ±11 jaar)
Het kind kan abstract, logisch en hypothetisch denken. Het kan nadenken over mogelijkheden, toekomstscenario’s en abstracte problemen
Identiteit
het gevoel een uniek persoon te zijn met een eigen karakter, waarden en overtuigingen.
Gehechtheid, Veilig/Onveilig
Gehechtheid is een duurzame emotionele band tussen een kind en de primaire verzorger.
Motivatie
is datgene wat gedrag aanstuurt. Mensen handelen om behoeften te vervullen. Motivatie kan bewust of onbewust zijn.