Mentale handeling
Het uitvoeren van denkprocessen zonder concreet materiaal.
Materiële handeling
Leren door concreet handelen met materialen zoals blokjes of geld.
Generalisatievermogen
loskomen van één concrete situatie en kunt zien wat verschillende situaties met elkaar gemeen hebben.
Kwantitatieve taalverschillen
Verschillen in hoeveelheid taal, zoals woordenschat en taalgebruik.
Kwalitatieve taalverschillen
Verschillen in samenhang en diepgang van taalgebruik.
Leergeschiktheid
Het vermogen van een kind om nieuwe kennis op te nemen en te verwerken. Dit verschilt per kind.
Sociaal constructivisme
Leren is een actief proces waarbij kennis wordt opgebouwd door interactie en samenwerking.
Zone van naaste ontwikkeling
Wat een kind nog niet alleen kan, maar wel met begeleiding. Hier vindt het meeste leren plaats.
Zone van actuele ontwikkeling
Alles wat een kind zelfstandig kan uitvoeren zonder hulp.
Interiorisatie
Het proces waarbij sociale activiteiten en culturele kennis worden omgezet in innerlijk denken. Wat eerst samen gebeurt, kan later zelfstandig.
Humanistische psychologie
Een stroming die de nadruk legt op groei, keuzevrijheid en het positieve potentieel van de mens. Maslow is een van de grondleggers.
Zelfverwerkelijking
Het hoogste niveau van de hiërarchie. De mens streeft naar persoonlijke groei, creativiteit en het benutten van zijn mogelijkheden.
Behoeftehiërarchie
Maslow beschrijft een hiërarchie van behoeften: eerst basisbehoeften, daarna sociale en psychologische behoeften.
Chronosysteem
Veranderingen in de tijd die invloed hebben op de ontwikkeling, zoals echtscheiding of verhuizing.
Macrosysteem
De brede maatschappelijke en culturele context, zoals normen, waarden, religie en media.
Mesosysteem
De relaties tussen verschillende microsystemen. Bijvoorbeeld de invloed van schoolervaringen op het gezinsleven.
Exosysteem
Omgevingen waar het kind niet direct bij betrokken is, maar die wel invloed hebben, zoals het werk van ouders.
Microsysteem
De directe omgeving waarin het kind leeft, zoals gezin, school en klas. Hier vinden de meeste dagelijkse interacties plaats.
Identiteit vs. rolverwarring (12–18 jaar)
De jongere zoekt naar wie hij is en welke rol hij wil vervullen. Er worden keuzes gemaakt over toekomst, waarden en relaties. Onzekerheid kan leiden tot rolverwarring.
IJver vs. minderwaardigheid (7–12 jaar)
Het kind wil laten zien wat het kan en zoekt erkenning. Succeservaringen versterken het zelfvertrouwen. Mislukking of gebrek aan bevestiging kan minderwaardigheidsgevoelens veroorzaken.
Initiatief vs. schuldgevoel (3–6 jaar)
Het kind neemt initiatief, bedenkt plannen en probeert nieuwe dingen. Wanneer dit wordt ontmoedigd, kan het kind zich schuldig gaan voelen over zijn eigen wensen.
Autonomie vs. schaamte en twijfel (2–3 jaar)
Het kind leert zelfstandig te worden, bijvoorbeeld zindelijkheid en aankleden. Positieve begeleiding versterkt autonomie. Te veel kritiek kan leiden tot schaamte en onzekerheid.
Vertrouwen vs. wantrouwen (0–1 jaar)
Door liefdevolle en consistente verzorging ontwikkelt het kind basaal vertrouwen