P&D 3 Flashcards

(23 cards)

1
Q

Mentale handeling

A

Het uitvoeren van denkprocessen zonder concreet materiaal.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Materiële handeling

A

Leren door concreet handelen met materialen zoals blokjes of geld.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Generalisatievermogen

A

loskomen van één concrete situatie en kunt zien wat verschillende situaties met elkaar gemeen hebben.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Kwantitatieve taalverschillen

A

Verschillen in hoeveelheid taal, zoals woordenschat en taalgebruik.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Kwalitatieve taalverschillen

A

Verschillen in samenhang en diepgang van taalgebruik.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Leergeschiktheid

A

Het vermogen van een kind om nieuwe kennis op te nemen en te verwerken. Dit verschilt per kind.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Sociaal constructivisme

A

Leren is een actief proces waarbij kennis wordt opgebouwd door interactie en samenwerking.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Zone van naaste ontwikkeling

A

Wat een kind nog niet alleen kan, maar wel met begeleiding. Hier vindt het meeste leren plaats.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Zone van actuele ontwikkeling

A

Alles wat een kind zelfstandig kan uitvoeren zonder hulp.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Interiorisatie

A

Het proces waarbij sociale activiteiten en culturele kennis worden omgezet in innerlijk denken. Wat eerst samen gebeurt, kan later zelfstandig.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Humanistische psychologie

A

Een stroming die de nadruk legt op groei, keuzevrijheid en het positieve potentieel van de mens. Maslow is een van de grondleggers.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Zelfverwerkelijking

A

Het hoogste niveau van de hiërarchie. De mens streeft naar persoonlijke groei, creativiteit en het benutten van zijn mogelijkheden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Behoeftehiërarchie

A

Maslow beschrijft een hiërarchie van behoeften: eerst basisbehoeften, daarna sociale en psychologische behoeften.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Chronosysteem

A

Veranderingen in de tijd die invloed hebben op de ontwikkeling, zoals echtscheiding of verhuizing.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Macrosysteem

A

De brede maatschappelijke en culturele context, zoals normen, waarden, religie en media.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Mesosysteem

A

De relaties tussen verschillende microsystemen. Bijvoorbeeld de invloed van schoolervaringen op het gezinsleven.

17
Q

Exosysteem

A

Omgevingen waar het kind niet direct bij betrokken is, maar die wel invloed hebben, zoals het werk van ouders.

18
Q

Microsysteem

A

De directe omgeving waarin het kind leeft, zoals gezin, school en klas. Hier vinden de meeste dagelijkse interacties plaats.

19
Q

Identiteit vs. rolverwarring (12–18 jaar)

A

De jongere zoekt naar wie hij is en welke rol hij wil vervullen. Er worden keuzes gemaakt over toekomst, waarden en relaties. Onzekerheid kan leiden tot rolverwarring.

20
Q

IJver vs. minderwaardigheid (7–12 jaar)

A

Het kind wil laten zien wat het kan en zoekt erkenning. Succeservaringen versterken het zelfvertrouwen. Mislukking of gebrek aan bevestiging kan minderwaardigheidsgevoelens veroorzaken.

21
Q

Initiatief vs. schuldgevoel (3–6 jaar)

A

Het kind neemt initiatief, bedenkt plannen en probeert nieuwe dingen. Wanneer dit wordt ontmoedigd, kan het kind zich schuldig gaan voelen over zijn eigen wensen.

22
Q

Autonomie vs. schaamte en twijfel (2–3 jaar)

A

Het kind leert zelfstandig te worden, bijvoorbeeld zindelijkheid en aankleden. Positieve begeleiding versterkt autonomie. Te veel kritiek kan leiden tot schaamte en onzekerheid.

23
Q

Vertrouwen vs. wantrouwen (0–1 jaar)

A

Door liefdevolle en consistente verzorging ontwikkelt het kind basaal vertrouwen