Oriëntatiefase
Kennismaken met de taak en begrijpen wat er moet gebeuren.
Materiële fase
Oefenen met concrete materialen die bij de leerstof horen.
Verbale fase
Het hardop verwoorden van het denkproces.
Mentale fase
Het denken is geautomatiseerd en verloopt innerlijk en snel.
Zelfregulatie
Het vermogen van een leerling om het eigen leerproces, gedrag, motivatie en emoties zelfstandig te sturen vóór, tijdens en na het leren
Metacognitieve vaardigheden
Vaardigheden waarmee leerlingen hun eigen denken en leren plannen, monitoren en evalueren, zoals nadenken over strategieën en reflecteren op resultaten.
Directieve houding
Een pedagogische houding waarbij de leraar sterk stuurt door instructies, opdrachten en duidelijke aanwijzingen te geven, met weinig ruimte voor inbreng van leerlingen.
Responsiviteit
Een houding waarbij de leraar actief inspeelt op signalen, behoeften en taakbeleving van leerlingen door open vragen te stellen en ruimte te bieden voor reacties.
Emotionele intelligentie (EI)
Het vermogen om eigen emoties en die van anderen te herkennen, te begrijpen en effectief te reguleren in sociale interacties en pedagogische situaties.
Zelfcompassie
Een vriendelijke en accepterende houding naar jezelf wanneer je fouten maakt.
Kunnen afzien
Een aspect van emotionele intelligentie dat verwijst naar het vermogen om directe behoeften of beloningen uit te stellen ten gunste van langetermijndoelen.
Integratie van duale rollen
Het vermogen van de leraar om accepterend en sensitief te zijn, terwijl tegelijkertijd leiding wordt gegeven, grenzen worden gesteld en prestaties worden beoordeeld.