Les 10 - Una carta Flashcards

(103 cards)

1
Q

tien

A

diez

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

tiende

A

décimo / -a

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

zijn (van hem)

A

su(s)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

kort

A

breve(s)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

de regel (in een brief)

A

la línea

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

de indruk

A

la impresión

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

zetelt

A

reside

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

zetelen

A

residir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

het parlement

A

el parlamento

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

mooi

A

bonito

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

vlak (plat)

A

llano

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

weten jullie

A

sabéis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

weten, kennen

A

saber

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

onze

A

nuestra(s)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

het woord

A

la palabra

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

de dijk

A

el dique

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

het kanaal

A

el canal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

de polder

A

el pólder

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

de oorsprong

A

el origen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

de haring

A

el arenque

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

de vis (als gerecht)

A

el pescado

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

rauw

A

crudo

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

de ui

A

la cebolla

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

gehakt, gesnipperd

A

picada(s)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
ik ga
voy
26
gaan
ir
27
heel dichtbij
muy cerca
28
het regent
lluebe
29
regenen
llober
30
vaak
a menudo
31
nooit
nunca
32
je kunt
puedes
33
kunnen
poder
34
zeker zijn van
estar seguro de
35
het geluk
la suerte
36
de zon schijnt
hace sol
37
in de loop van
a lo largo de
38
de week
la semana
39
de haven
el puerto
40
moeilijk
difícil
41
uitspreken
pronunciar
42
op excursie gaan
ir de excursión
43
beter gezegd
mejor dicho
44
Nederland (de Lage Landen)
los Países Bajos
45
bevat, houdt in
incluye
46
het bezoek
la visita
47
het Anne Frankhuis
la casa de Anne Frank
48
de rondvaart
el paseo en barco
49
beroemd
famoso / -a
50
het schilderij
la pintura
51
ik stel me er veel van voor
me hace mucha ilusión
52
vertellen
contar
53
moeten
tener que
54
eindigen / stoppen
terminar
55
want
porque
56
de touringcar
el autocar
57
voor (tijd)
delante de
58
terugkeren
regresar
59
ik weet
60
weten, kennen
saber
61
precies
exacto / -a
62
opbellen
llamar (por teléfono)
63
aanhef persoonlijke brief
``` Querido Ramón Querida María Querido tía Anna Queridos padres (ouders) Queridos amigos ```
64
de vis (die nog zwemt)
el pez / los peces
65
scherp, gepeperd
picante
66
Kunnen jullie het je voorstellen?
¿Os lo imagináis?
67
vanmiddag
esta tarde
68
vanmorgen
esta mañana
69
vanavond
esta noche
70
goed - beter - best
bueno - mejor - mejor
71
toekomende tijd
el futuro
72
moeten
tener que
73
hebben
tener
74
Hartelijke groeten
Abrazos
75
Kusjes / Liefs
Muchos besos
76
Tot gauw
hasta pronto
77
het ding
la cosa
78
zestig
sesenta
79
de zaterdag
el sábado
80
het zout
la sal
81
zelf
mismo
82
de vingers
los dedos
83
de sport
el deporte
84
tevreden
contento
85
de handdoek
la toalla
86
de omelet
la tortilla
87
de inkt
la tinta
88
de thee
el té
89
zenden
enviar
90
in plaats van
en vez de
91
de winter
el invierno
92
wassen
lavar
93
teruggeven
devolver
94
het vliegtuig
el avión
95
Heeft u honger?
¿Tiene usted hambre?
96
Heb je al gegeten?
¿Ya has comido?
97
Juan spreekt geen Nederlands.
Juan no habla holandés.
98
Ik heb geen woordenboek
No tengo diccionario.
99
Ik ben geen monteur.
No soy mecánico.
100
Is er geen koffie?
¿No hay café?
101
Wij zingen niet.
No cantamos.
102
Carmen is niet thuis
Carmen no está en casa.
103
Ramon wil niet eten.
Ramón no quiere comer.