Les 23 - En la farmacia Flashcards Preview

Spaans > Les 23 - En la farmacia > Flashcards

Flashcards in Les 23 - En la farmacia Deck (83):
1

de apotheek

la farmacia

2

iets

algo

3

de hoofdpijn

el dolor de cabeza

4

zich voelen

sentirse (ie)

5

slecht

mal

6

de koorts

la fiebre

7

de pijnstiller

el analgésico

8

wegnemen

quitar

9

beter

mejor

10

voor de maag

para el estómago

11

de creme

la crema

12

de verbranding door de zon

la quemadura del sol

13

verzachten

calmar

14

de werking

la acción

15

snel

rápido/a

16

gebruiken

usar

17

zonnebrandmiddel

el bronceador

18

de beschermingsfactor

el protector solar

19

in slaap vallen

domirse

20

de (te betalen) prijs

el precio

21

hoog

alto

22

bruin worden

ponerse monero/a
(om bruin te worden: para ponerse morena)

23

het gevaar

el peligro

24

de zonnesteek

la insolación

25

beter worden

mejorar

26

snel, gauw

pronto

27

het adres

las señas

28

kennen

conocer

29

geen enkel

ningún

30

Heeft u iets voor...

Tiene algo para...

31

Heeft u iets (een middel) tegen...

Tiene algo contra...

32

buikpijn

el dolor de vientre

33

diarree

la diarrea

34

verkoudheid

el catarro

35

wagenziekte

el mareo

36

Mijn keel doet (me) pijn.

Me duele la garganta.

37

Mijn maag doet (me) pijn.

Me duele el estómago.

38

Mijn oren doen (me) pijn.

Me duelen los oídos.

39

Hij wordt bleek.

Se pone pálido.

40

María wordt bruin.

María se pone morena.

41

Vindt u niet?

¿No le parece?

42

Vervoeg 'conocer' (kennen)

conozco
conoces
conoce
conocemos
conocéis
conocen

conocido

43

Waar zijn de kinderen?

¿Dónde están los niños?

44

Waar is Carlos?

¿Dónde está Carlos?

45

Ik zoek...

Busco ...

46

Kunt u mij zeggen waar ... is?

¿Puede decirme usted dónde está ...?

47

Hoe kom ik bij ...?

¿Cómo llego a ...?

48

Hoe ga ik naar ...?

¿Cómo voy a ...?

49

Weet u waar ... is?

¿Sabe usted dónde está ...?

50

Is het dichtbij?

¿Queda cerca?

51

Is het ver?

¿Queda lejos?

52

Het is hier.

Está aquí.

53

Het is daar.

Está ahí.

54

Het is X meter van hier.

Está a X metros de aquí.

55

in straat X

en la calle X

56

naast X

al lado de X

57

aan de overkant van X

al otro lado de X

58

achter X

detrás de X

59

tussen X en Y

entre X y Y

60

tegenover X

enfrente de X

61

aan het eind van X

al final de X

62

dichtbij X

junto a X

63

op de hoek (van X)

en la esquina (de X)

64

links

a la izquierda

65

rechts

a la derecha

66

deze kant op

por aquí

67

door deze straat

por esta calle

68

hierheen

para acá

69

daarheen

para allá

70

rechtdoor

todo recto

71

tot

hasta

72

de eerste straat

la primera calle

73

de volgende straat

la calle siguiente

74

U moet nemen

Tiene que tomar ...

75

de hoek omgaan

doblar

76

pakken

coger

77

komen bij

llegar a

78

gaan

ir

79

U gaat links de hoek om.

Dobla a la izquierda.

80

naar boven lopen

subir

81

naar beneden lopen

bajar

82

Het spijt me, ik ben niet van hier.

Lo siento, no soy de aquí.

83

Het spijt me, ik weet het niet.

Lo siento, no lo sé.