Les 22 - El jerez Flashcards Preview

Spaans > Les 22 - El jerez > Flashcards

Flashcards in Les 22 - El jerez Deck (75):
1

de sherry

el jerez

2

de twijfel

la duda

3

universeel

universal

4

de plaats

el sitio

5

wat het is

lo que es

6

de uitspraak

la pronunciación

7

de oogst

la cosecha

8

bepaald

determinado/a

9

de gewoonte

la costumbre

10

het resultaat

el resultado

11

de vermenging

la mezcla

12

voortdurend

contínua

13

verschillend

diferente

14

constant

constante

15

de kwaliteit

la calidad

16

min of meer

más o menos (let op: omgekeerd)

17

verkrijgen

obtener

18

over langere tijd

a lo largo de los años

19

de manier

la forma

20

het rijpen

la crianza

21

in beginsel

en principio

22

plaatsen

colocar

23

de wijnkelder

la bodega

24

het vat

la barrica

25

boven

sobre

26

de laag

la escala

27

over het algemeen

generalmente

28

bevatten

contener (ie)

29

aftappen, eruit halen

extraer

30

regelmatig, op gezette tijden

periódicamente

31

het gedeelte

la parte

32

de verkoop

la venta

33

de hoeveelheid, de omvang

el volumen

34

aanvullen

reponer

35

gelijk

igual

36

de hoeveelheid

la cantidad

37

de rij

la fila

38

achtereenvolgens

sucesivamente

39

eisen, vergen

exigir

40

de investering

la inversión

41

opgeslagen

almacenado

42

opslaan

almacenar

43

de kleur

el color

44

het stro

la paja

45

bleek (van kleur)

pálido/a

46

droog

seco/a

47

de geur

el aroma

48

sterk

fuerte

49

bij uitstek

por excelencia

50

behoren tot

pertenecer a

51

rijpen

criar

52

zacht

suave

53

de zeebries

la brisa

54

invloed uitoefenen op

influir en

55

de smaak

el sabor

56

bitter

amargo/a

57

amberkleurig

de color ámbar

58

ruiken

oler

59

de reuk

el olor

60

sterk, intens

intenso

61

de noot

la nuez

62

geurend, aromatisch

aromático

63

vooral

particularmente

64

slechts, maar

sólo

65

consumeren

consumir

66

niet ... maar ...

no ... sino ...

67

ik hou van voetbal

me gusta el fútbol

68

vervoeg gustar

me gusta
te gusta
le gusta
nos gusta
os gusta
les gusta

(als dat wat bevalt meervoud is: gustan)

69

net als gustar (me, te, le etc.)
ontbreken, te kort komen

faltar
Le faltan 2 euros. (u komt 2 euro tekort)

70

net als gustar (me, te, le etc.)
lijken, vinden van

parecer
¿Qué te parece? (wat vind je ervan?)

71

net als gustar (me, te, le etc.)
enig vinden

encantar
Me encantan las vacaciones (ik vind vakantie enig)

72

net als gustar (me, te, le etc.)
pijn doen

doler
Me duelen los oídos (mijn oren doen pijn)

73

Wilt u ook wat (eten)?

¿Usted gusta?
¿Gustas?

74

Reactie op ¿Usted gusta? / ¿Gustas?

No, no, muchas gracias.

75

Smakelijk eten!

Qué aproveche.