Les 20 - La rutina diaria Flashcards Preview

Spaans > Les 20 - La rutina diaria > Flashcards

Flashcards in Les 20 - La rutina diaria Deck (71):
1

de routine

la rutina

2

dagelijks

diario/-a

3

's morgens

por la mañana

4

opstaan

levantarse

5

vroeg

temprano

6

uitdoen

quitarse

7

de pyama

el pijama

8

aandoen, aantrekken

ponerse

9

de kamerjas

la bata

10

de pantoffels

las zapatillas

11

de badkamer

el cuarto de baño

12

zich wassen

lavarse

13

tanden poetsen

limpiarse los dientes

14

het gezicht

la cara

15

de hand

la mano

16

de tandenborstel

el cepillo de dientes

17

elektrisch

eléctrico/a

18

de föhn

el secador

19

elke dag

todos los días

20

zich scheren

afeitarse

21

voor (plaat)

delante de

22

de spiegel

el espejo

23

gebruiken

usar

24

de kwast

la brocha

25

de scheercreme

la crema de afeitar

26

het scheermesje

la hoja

27

zich douchen

ducharse

28

zich afdrogen

secarse

29

de handdoek

la toalla

30

de slaapkamer

el dormitorio

31

het overhemd

la camisa

32

de stropdas

la corbata

33

de broek

los pantalones

34

het colbertje

la chaqueta

35

de wekker

el despertador

36

wekken

despertar (ie)

37

wekt me

me despierta

38

ik doe

hago

39

doen; maken

hacer

40

een beetje

un poco de

41

de gymnastiek

la gimnasia

42

een bad nemen

bañarse

43

het badschuim

la espuma de baño

44

daarna

después

45

het haar

el pelo

46

zich kammen

peinarse

47

zich opmaken

maquillarse

48

de panty's

los pantis

49

ik kies, ik zoek uit

escojo

50

uitzoeken, kiezen

escoger

51

de blouse

la blusa

52

de rok

la falda

53

die bij elkaar passen, die combineren

a juego

54

gewoonlijk

normalmente

55

de schoenen met hoge hakken

los zapatos de tacón

56

verschilt tussen
poner
ponerse

poner = leggen, zetten
ponerse = (zich kleren) aantrekken

57

de vakantie

las vacaciones

58

de schaar

las tijeras

59

de bril

las grafas

60

de vermicelli

los fideos

61

als eerste...
en daarna...
en tenslotte...
en als allerlaatste...

primero
y luego / y después
y por fin
y por último

62

rijtje wederkerende voornaamwoorden

me
te
se
nos
os
se

63

naar bed gaan

acostarse (ue)

64

wagen te / durven

atreverse a

65

gaan zitten

sentarse (ie)

66

opstaan

levantarse

67

verdwalen, verloren gaan

perderse (ie)

68

elkaar (twee personen)

el uno al otro

69

elkaar (meer dan 2 pers.)

los unos a los otros

70

wederzijds (van beide kanten)

mutuamente

71

wederzijds (over en weer)

recíprocamente