PD.1 - Somatosensibiliteit Flashcards

(35 cards)

1
Q

Waar kunnen sensibiliteitsstoornissen ontstaan?

A

In verschillende delen van het zenuwstelsel.

Centraal: cortex, capsula interna, thalamus, hersenstam en ruggenmerg

Perifeer: zenuwwortels, plexus brachialis/lumbosacralis en perifere zenuwen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Waarom is lokaliseren belangrijk bij sensibiliteitsstoornissen?

A

Het is een belangrijk onderdeel van het diagnostisch proces.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat moet je kennen bij het lokaliseren van sensibiliteitsstoornissen?

A

De patronen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Welke structuren behoren tot het somatosensibele systeem?

A

Perifere zenuwen, plexus brachialis/lumbosacralis, zenuwwortels, ruggenmerg, hersenstam, thalamus, capsula interna, cortex (parietale schors).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat kenmerkt een sensibiliteitsstoornis in het perifere zenuwstelsel?

A

Uitval motor en/of sensibel, kan betrokkenheid van reflex hebben, kan atrofie veroorzaken, sensibele uitval in dermatoom traject, motore uitval in geïnnerveerde spieren door wortel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat zijn kenmerken van wortel (radiculaire) laesie?

A

Uitval motor en/of sensibel, kan reflexbetrokkenheid en atrofie geven, sensibele en motore uitval.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat kenmerkt plexus laesie?

A

Uitval niet te lokaliseren in 1 zenuw of wortel.

Kan motorisch als sensibel. Kan betrokkenheid reflex. Kan atrofie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat zijn kenmerken van plexus brachialis laesie?

A

Uitval motor en/of sensibel, kan reflex en atrofie geven, sensibele uitval in zenuwtraject, motore uitval in geïnnerveerde spieren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Kenmerken perifere zenuw laesie?

A

Uitval:
- motor en/of sensibel
- kan betrokkenheid reflex
- kan atrofie

Lokaliseren:
- sensibele uitval in traject zenuw
- motorische uitval: geinnerveerde spieren betrokken zenuw

Mono vs polyneuropathie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Welke classificatie gebruik je bij perifere zenuwlaesies?

A

Classificatie van Sneddon.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat zijn de gradaties van zenuwbeschadiging?

A

Normale situatie, Neuropraxie, Axonotmesis, Neurotmesis.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Q: Wat betekent “Neuropraxie”?

A
  • Lichtste vorm van zenuwschade
  • Alleen geleidingsblok, geen structurele schade aan axon
  • Volledig herstel mogelijk binnen dagen tot weken
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Q: Wat betekent “Axonotmesis”?

A
  • Axon is beschadigd, maar bindweefselstructuren (endoneurium, perineurium) intact
  • Walleriaanse degeneratie distaal van letsel
  • Herstel mogelijk, maar traag (mm per dag)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Q: Wat betekent “Neurotmesis”?

A
  • Zwaarste vorm van zenuwschade
  • Zowel axon als bindweefselstructuren doorgesneden
  • Spontaan herstel niet mogelijk, meestal chirurgie nodig

bv steekwond

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn oorzaken van perifere zenuwschade?

A

Diverse etiologie, vaak compressie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Noem voorbeelden van veelvoorkomende zenuwschades.

A
  • N. medianus (carpaal tunnel syndroom)
  • N. ulnaris
  • N. cutaneous femoralis lateralis (meralgia paresthetica)
  • N. peroneus.
17
Q

Wat is een kenmerk van peroneus neuropathie?

A

Dorsiflexie van voet en tenen is verminderd.

18
Q

Wat is een kenmerk van radiculopathie L5?

A

Dorsiflexie voet + tenen + inversie voet aangedaan (TA, EHL, TP).

19
Q

Wat is het verschil tussen wortel (dermatoom) en zenuw laesie?

A

Bij een wortel is het een dermatoom, bij zenuw is het verzorgingsgebied van de zenuw.

20
Q

Wat zijn motorische en sensibele symptomen van drukneuropathie?

A

Bij carpal tunnel syndroom motorische uitval en sensibele klachten in het verzorgingsgebied van de n. medianus.

21
Q

Wat is de prevalentie van carpal tunnel syndroom?

A

0,5-1/1000 in de algemene populatie, 10/100 tijdens zwangerschap.

22
Q

Wat is de verhouding man:vrouw bij carpal tunnel syndroom?

23
Q

Hoe wordt carpal tunnel syndroom gediagnosticeerd?

A
  • Klinisch
  • eventueel bij twijfel echo/EMG,
  • lab op indicatie (glucose, schildklier).
24
Q

Hoe wordt carpal tunnel syndroom behandeld?

A

Adviezen, nachtspalk, steroïdinjectie of chirurgie (klieven ligamentum transversum).

25
Q
A
26
Wat is typisch voor plexus uitval?
Uitval niet te herleiden tot 1 zenuw of wortel.
27
Wat is Neuropraxie volgens de classificatie van Sneddon?
Alleen myeline beschadigd, axon intact, volledig herstel mogelijk.
28
Wat is Axonotmesis volgens de classificatie van Sneddon?
Axon beschadigd, endoneurium behouden, matig herstel mogelijk.
29
Wat is Neurotmesis volgens de classificatie van Sneddon?
Complete zenuw doorsnijding, slecht herstel.
30
Wat is het verschil tussen mononeuropathie en polyneuropathie?
Mononeuropathie: lokale uitval, Polyneuropathie: symmetrisch en diffuus, vaak bij systemische ziekten zoals diabetes.
31
Hoe verloopt het proces van uitval bij zenuwschade (volgorde)?
Eerst verlies van reflexen, later atrofie bij langdurige schade.
31
32
Wat betekent overlap tussen dermatoom en perifere zenuw?
Zenuw verzorgingsgebied kan overlappen met meerdere dermatomen (bv. C6/7/8 → medianus zenuw).
33
Wat is een voorbeeld van plexus brachialis letsel?
Trauma of bevallingsletsel kan leiden tot motorische en sensibele uitval in arm zonder dermatoom patroon.
34
Hoe correctie visus bij landoli-c kaart?
visus patient * (norm afstand/echte afstand