LOI-H05a Mots Flashcards Preview

Frans LOI per hoofdstuk > LOI-H05a Mots > Flashcards

Flashcards in LOI-H05a Mots Deck (164):
1

accumuler

opeenhopen

2

adorateur m

aanbidder

3

adoration f (être en adoration devant qn = adorer qn)

aanbidding

4

adorer (J'adore aller au cinéma.) (Il est adoré de ses enfants.)

aanbidden, vereren; dol zijn op

5

affectif (la vie affective)

gevoels­

6

affection f

de genegenheid

7

affectueux (Marie est une enfant affectueuse.)

hartelijk; aanhankelijk

8

amical

vriendelijk; vriendschappelijk

9

amoureux/euse (tomber amoureux de qqn)

verliefd

10

antipodes (aller aux -)

ver weg gaan, naar het uiteinde van de wereld gaan

11

ascension f

beklimming, bestijging

12

ascension f

succesvolle carrière, de weg naar de top

13

attachement m (avoir, montrer de l'attachement pour qn)

gehechtheid

14

attirance f

aantrekkingskracht

15

avoir le cœur dur

een hart van steen hebben

16

avoir le cœur tendre

een klein hart hebben

17

bélier m

ram

18

braver

naast zich neerleggen; trotseren, uitdagen

19

camper

verblijven

20

chérir

liefhebben; koesteren

21

commander

het bevel voeren, bestellen

22

construire des châteaux en Espagne

luchtkastelen bouwen

23

contemplatif

beschouwend

24

conter

vertellen

25

copain m, copine f (être (très) copains)

vriend, vriendin

26

côté

wat betreft

27

déclaré

openlijk

28

dégeler

(ont)dooien, doen smelten

29

dégénérer

ontaarden

30

déplaire

niet aanstaan, tegenstaan

31

déraper

uit de hand lopen, ontsporen; uit de bocht vliegen

32

détester (== trouver détestable)

verafschuwen

33

dire des méchancetés

hatelijke opmerkingen maken

34

discordant

tegenstrijdig, onaangenaam

35

domestique

huiselijk, huishoudelijk, huis­

36

donner le change à

om de tuin leiden

37

dur

hard

38

éclater

tot uitbarsting komen; losbarsten

39

éclater de rire

in lachen uitbarsten

40

emploi m (l'emploi du temps)

besteding

41

emploi m (un emploi à temps complet)

de baan, de functie

42

en faire une maladie

zich dood ergeren

43

en conter à qqn

iemand iets wijsmaken

44

envier (envier qqn = être envieux de qn)

benijden

45

éprouver une certaine attirance envers qqn (se sentir attiré par qqn ; C'est une personne attirante.)

zich tot iemand aangetrokken voelen

46

esquive f

ontwijkende beweging

47

être ennemi de

gekant zijn tegen, vijandig staan tegenover))

48

être hostile à

gekant zijn tegen

49

être sous le charme de qqn

in iemands ban zijn

50

exceller (dans)

uitblinken, heel goed zijn (in)

51

excès de langage

grof taalgebruik)

52

excès m

overmaat; de uitspatting

53

extra-conjugal

buitenechtelijk

54

franchir

passeren

55

franchir (franchir les difficultés)

te boven komen, overwinnen

56

gare à

let op voor

57

haïr (== avoir en haine)

haten

58

hibernation f

winterslaap

59

hostile

vijandig

60

il dégèle

het dooit

61

Il est aimé de tous.

Hij is bij iedereen geliefd

62

Ils sont très liés

ze zijn zeer bevriend

63

inciter à

aanzetten tot

64

inconsidéré

ondoordacht, onbezonnen

65

insensible (être insensible à)

ongevoelig

66

insolite

vreemd, ongewoon, ongebruikelijk

67

je risque d'arriver tard

ik zou weleens laat kunnen komen

68

jouer à l'esquive

problemen ontvluchten

69

chevauchée f

rit (te paard)

70

complaisance f

vriendelijkheid, inschikkelijkheid; eigenliefde

71

contrariété f

ergernis; (mv.) de tegenspoed

72

cruauté f (C'est un homme cruel.)

wreedheid

73

lassitude f

vermoeidheid

74

lassitude f

vermoeidheid; terneergeslagenheid

75

liaison f (avoir une liaison avec qn)

verhouding

76

manifestation f

uiting

77

méchanceté f

boosaardigheid, hatelijkheid

78

passion f

hartstocht; vurige liefde

79

répulsion f

afkeer, afschuw

80

retraite f

afzondering, retraite; pensioen

81

rupture f

breuk

82

sympathie f (J'ai beaucoup de sympathie pour cette femme.)

genegenheid, vriendschap

83

opeenhopen

accumuler

84

aanbidder

adorateur m

85

aanbidding

adoration f (être en adoration devant qn = adorer qn)

86

aanbidden, vereren; dol zijn op

adorer (J'adore aller au cinéma.) (Il est adoré de ses enfants.)

87

gevoels­

affectif (la vie affective)

88

de genegenheid

affection f

89

hartelijk; aanhankelijk

affectueux (Marie est une enfant affectueuse.)

90

vriendelijk; vriendschappelijk

amical

91

verliefd

amoureux/euse (tomber amoureux de qqn)

92

ver weg gaan, naar het uiteinde van de wereld gaan

antipodes (aller aux -)

93

beklimming, bestijging

ascension f

94

succesvolle carrière, de weg naar de top

ascension f

95

gehechtheid

attachement m (avoir, montrer de l'attachement pour qn)

96

aantrekkingskracht

attirance f

97

een hart van steen hebben

avoir le cœur dur

98

een klein hart hebben

avoir le cœur tendre

99

ram

bélier m

100

naast zich neerleggen; trotseren, uitdagen

braver

101

verblijven

camper

102

liefhebben; koesteren

chérir

103

het bevel voeren, bestellen

commander

104

luchtkastelen bouwen

construire des châteaux en Espagne

105

beschouwend

contemplatif

106

vertellen

conter

107

vriend, vriendin

copain m, copine f (être (très) copains)

108

wat betreft

côté

109

openlijk

déclaré

110

(ont)dooien, doen smelten

dégeler

111

ontaarden

dégénérer

112

niet aanstaan, tegenstaan

déplaire

113

uit de hand lopen, ontsporen; uit de bocht vliegen

déraper

114

verafschuwen

détester (== trouver détestable)

115

hatelijke opmerkingen maken

dire des méchancetés

116

tegenstrijdig, onaangenaam

discordant

117

huiselijk, huishoudelijk, huis­

domestique

118

om de tuin leiden

donner le change à

119

hard

dur

120

tot uitbarsting komen; losbarsten

éclater

121

in lachen uitbarsten

éclater de rire

122

besteding

emploi m (l'emploi du temps)

123

de baan, de functie

emploi m (un emploi à temps complet)

124

zich dood ergeren

en faire une maladie

125

iemand iets wijsmaken

en conter à qqn

126

benijden

envier (envier qqn = être envieux de qn)

127

zich tot iemand aangetrokken voelen

éprouver une certaine attirance envers qqn (se sentir attiré par qqn ; C'est une personne attirante.)

128

ontwijkende beweging

esquive f

129

gekant zijn tegen, vijandig staan tegenover))

être ennemi de

130

gekant zijn tegen

être hostile à

131

in iemands ban zijn

être sous le charme de qqn

132

uitblinken, heel goed zijn (in)

exceller (dans)

133

grof taalgebruik)

excès de langage

134

overmaat; de uitspatting

excès m

135

buitenechtelijk

extra-conjugal

136

passeren

franchir

137

te boven komen, overwinnen

franchir (franchir les difficultés)

138

let op voor

gare à

139

haten

haïr (== avoir en haine)

140

winterslaap

hibernation f

141

vijandig

hostile

142

het dooit

il dégèle

143

Hij is bij iedereen geliefd

Il est aimé de tous.

144

ze zijn zeer bevriend

Ils sont très liés

145

aanzetten tot

inciter à

146

ondoordacht, onbezonnen

inconsidéré

147

ongevoelig

insensible (être insensible à)

148

vreemd, ongewoon, ongebruikelijk

insolite

149

ik zou weleens laat kunnen komen

je risque d'arriver tard

150

problemen ontvluchten

jouer à l'esquive

151

rit (te paard)

chevauchée f

152

vriendelijkheid, inschikkelijkheid; eigenliefde

complaisance f

153

ergernis; (mv.) de tegenspoed

contrariété f

154

wreedheid

cruauté f (C'est un homme cruel.)

155

vermoeidheid

lassitude f

156

vermoeidheid; terneergeslagenheid

lassitude f

157

verhouding

liaison f (avoir une liaison avec qn)

158

uiting

manifestation f

159

boosaardigheid, hatelijkheid

méchanceté f

160

hartstocht; vurige liefde

passion f

161

afkeer, afschuw

répulsion f

162

afzondering, retraite; pensioen

retraite f

163

breuk

rupture f

164

genegenheid, vriendschap

sympathie f (J'ai beaucoup de sympathie pour cette femme.)