LOI-H46 Mots Flashcards Preview

Frans LOI per hoofdstuk > LOI-H46 Mots > Flashcards

Flashcards in LOI-H46 Mots Deck (154):
1

découverte f

ontdekking

2

épidémie f

epidemie

3

équipage m

bemanning

4

expédition f

expeditie

5

exploration f

ontdekking

6

flotte f

vloot

7

hisser

hijsen

8

lancement m

waterdoop, tewaterlating

9

latitude f

breedtegraad

10

indigène [m/f]

inboorling

11

longitude f

lengtegraad

12

mât m

mast

13

mer f

zee

14

mouiller (l'ancre)

voor anker gaan

15

navigateur m

navigator

16

navire m

schip

17

position f

positie

18

périple

zeereis, ontdekkingsreis, de rondreis

19

planète f

planeet

20

pont m

brug

21

proue f

boeg

22

soute f

ruim

23

terre f

de aarde, land

24

traversée f

overtocht, oversteek

25

tribord

stuurbord

26

vaisseau m

schip

27

voilure f

zeiltuig

28

voyage m

reis

29

voyage au long cours m

grote vaart

30

accuser

doen uitkomen, benadrukken

31

apanage m

erfdeel, voorrecht

32

artère f

slagader; hoofdverkeersweg

33

bardeau m

dakspaan

34

barreau m

tralie, spijl

35

bibelot m

snuisterij, prulding

36

calquer

kopiëren, imiteren, overtrekken

37

canne f

riet

38

charpente f

skelet, gebint

39

déclinant

afnemend, ondergaand

40

découper

uitzagen, stansen

41

écaille f

schub, schild, schelp

42

échappée f

(smalle) doorkijk, uitzicht

43

encastrer

invoegen, inbouwen

44

engouement m

bevlieging, opwelling, (overdreven) voorliefde

45

ensevelir

begraven, bedelven, verbergen

46

étanche

waterdicht

47

s'étirer

zich uitrekken

48

exiguïté f

kleinheid, engheid, kleine afmetingen

49

frise f

fries

50

HLM f/m (= habitation à loyer modéré)

woningwetflat

51

houle f

deining, golving

52

incandescent

roodgloeiend, witgloeiend

53

les intempéries f

weer en wind, slechte weersomstandigheden

54

lambrequin m

lambrekijn

55

lover

opvouwen, oprollen

56

moustiquaire f

hor, klamboe, muskietennet

57

natte f

vlechtwerk

58

paillote f

strohut

59

pan m

vlak, baan, strook

60

maison à pans de bois f

vakwerkhuis

61

ployer

wijken, zwichten

62

poudroyer

glinsteren

63

prépondérant

overheersend, hoofd-, dominerend

64

révolu

voorbij, verstreken, afgelopen

65

ronger

knagen | aanvreten, verteren

66

sceau m

zegel

67

sanctuaire m

heiligdom | toevluchtsoord

68

siroter

nippen, lebberen

69

store m

jaloezie, rolluik, zonnescherm

70

suranné

verouderd, overjarig

71

« temps longtemps » (autrefois, jadis)

vroeger

72

thébaïde f

de oase van rust

73

tôle f

het plaatijzer, plaatstaal

74

vallonnement m

golving (van terrein)

75

varangue f

veranda (in de kolonieën)

76

« vativient » (= le va-et-vient) m

heen-en-weergeloop, het komen en gaan

77

vogu f (être en vogue)

de mode

78

ontdekking

découverte f

79

epidemie

épidémie f

80

bemanning

équipage m

81

expeditie

expédition f

82

ontdekking

exploration f

83

vloot

flotte f

84

hijsen

hisser

85

waterdoop, tewaterlating

lancement m

86

breedtegraad

latitude f

87

inboorling

indigène [m/f]

88

lengtegraad

longitude f

89

mast

mât m

90

zee

mer f

91

voor anker gaan

mouiller (l'ancre)

92

navigator

navigateur m

93

schip

navire m

94

positie

position f

95

zeereis, ontdekkingsreis, de rondreis

périple

96

planeet

planète f

97

brug

pont m

98

boeg

proue f

99

ruim

soute f

100

de aarde, land

terre f

101

overtocht, oversteek

traversée f

102

stuurbord

tribord

103

schip

vaisseau m

104

zeiltuig

voilure f

105

reis

voyage m

106

grote vaart

voyage au long cours m

107

doen uitkomen, benadrukken

accuser

108

erfdeel, voorrecht

apanage m

109

slagader; hoofdverkeersweg

artère f

110

dakspaan

bardeau m

111

tralie, spijl

barreau m

112

snuisterij, prulding

bibelot m

113

kopiëren, imiteren, overtrekken

calquer

114

riet

canne f

115

skelet, gebint

charpente f

116

afnemend, ondergaand

déclinant

117

uitzagen, stansen

découper

118

schub, schild, schelp

écaille f

119

(smalle) doorkijk, uitzicht

échappée f

120

invoegen, inbouwen

encastrer

121

bevlieging, opwelling, (overdreven) voorliefde

engouement m

122

begraven, bedelven, verbergen

ensevelir

123

waterdicht

étanche

124

zich uitrekken

s'étirer

125

kleinheid, engheid, kleine afmetingen

exiguïté f

126

fries

frise f

127

woningwetflat

HLM f/m (= habitation à loyer modéré)

128

deining, golving

houle f

129

roodgloeiend, witgloeiend

incandescent

130

weer en wind, slechte weersomstandigheden

les intempéries f

131

lambrekijn

lambrequin m

132

opvouwen, oprollen

lover

133

hor, klamboe, muskietennet

moustiquaire f

134

vlechtwerk

natte f

135

strohut

paillote f

136

vlak, baan, strook

pan m

137

vakwerkhuis

maison à pans de bois f

138

wijken, zwichten

ployer

139

glinsteren

poudroyer

140

overheersend, hoofd-, dominerend

prépondérant

141

voorbij, verstreken, afgelopen

révolu

142

knagen | aanvreten, verteren

ronger

143

zegel

sceau m

144

heiligdom | toevluchtsoord

sanctuaire m

145

nippen, lebberen

siroter

146

jaloezie, rolluik, zonnescherm

store m

147

verouderd, overjarig

suranné

148

vroeger

« temps longtemps » (autrefois, jadis)

149

de oase van rust

thébaïde f

150

het plaatijzer, plaatstaal

tôle f

151

golving (van terrein)

vallonnement m

152

veranda (in de kolonieën)

varangue f

153

heen-en-weergeloop, het komen en gaan

« vativient » (= le va-et-vient) m

154

de mode

vogu f (être en vogue)