LOI-H13a Mots Flashcards Preview

Frans LOI per hoofdstuk > LOI-H13a Mots > Flashcards

Flashcards in LOI-H13a Mots Deck (116):
1

aggravation f

stijging, verzwaring

2

allocation f

uitkering

3

chômage m

werkloosheid

4

être en/au chômage

werkloos zijn

5

chômeur(/-se) m

werkloze

6

compression f

inkrimping

7

contrat m

contract

8

dégraissage

afslanking

9

délocalisation f

verplaatsing, overplaatsing

10

demandeur d'emploi

werkzoekende

11

démissionner (= donner sa démission)

ontslag nemen

12

emploi m

werk, baan, werkgelegenheid

13

employeur m (= patron)

werkgever

14

engager (= embaucher)

in dienst nemen

15

indemnité f

uitkering, vergoeding

16

licencier (= congédier)

ontslaan

17

lutte f

strijd, bestrijding

18

ouvrier m

een arbeider

19

passer par la case chômage

bij het werklozenloket langsgaan

20

patronat

werkgevers, loondienst

21

pointer

stempelen

22

population active f

beroepsbevolking

23

poussée f (= la montée)

stijging

24

recyclage

omscholing

25

la réduction f

vermindering, inkrimping

26

réduction des effectifs f

inkrimping van personeelsbestand

27

régression f (= recul l)

daling

28

réinsertion f

herintreding

29

réintégrer (dans ses fonctions)

werklozen weer opnemen in arbeidsproces

30

salariat m

in zijn functie herstellen

31

salarié m

werknemers

32

supprimer

werknemer

33

suppression d'emplois f

opheffen

34

taux m

percentage, cijfer

35

travail intérimaire m

uitzendwerk

36

agent de maîtrise m

opzichter

37

ancienneté f

anciënniteit

38

à l'arraché

met veel moeite

39

attribution f

de toekenning

40

la branche f

de (bedrijfs)tak

41

cap

de kaap; de koers; de bepaalde grens

42

changer de cap

van richting veranderen

43

comptable

boekhouder

44

congé

verlof

45

en congé

met verlof

46

un jour de congé

vrije dag

47

prendre son congé (donner son congé à qn)

ontslag

48

convoiter

ambiëren, begeren

49

couramment

vloeiend

50

décalage m

kloof

51

décrocher

in de wacht slepen

52

démissionner

zijn ontslag indienen

53

dérogation f

afwijking

54

disparité f

verschil

55

émaner de

afkomstig zijn van

56

s'exiler

in ballingschap gaan

57

fluctuation f

de schommeling

58

formation f

de opleiding, scholing

59

stijging, verzwaring

aggravation f

60

uitkering

allocation f

61

werkloosheid

chômage m

62

werkloos zijn

être en/au chômage

63

werkloze

chômeur(/-se) m

64

inkrimping

compression f

65

contract

contrat m

66

afslanking

dégraissage

67

verplaatsing, overplaatsing

délocalisation f

68

werkzoekende

demandeur d'emploi

69

ontslag nemen

démissionner (= donner sa démission)

70

werk, baan, werkgelegenheid

emploi m

71

werkgever

employeur m (= patron)

72

in dienst nemen

engager (= embaucher)

73

uitkering, vergoeding

indemnité f

74

ontslaan

licencier (= congédier)

75

strijd, bestrijding

lutte f

76

een arbeider

ouvrier m

77

bij het werklozenloket langsgaan

passer par la case chômage

78

werkgevers, loondienst

patronat

79

stempelen

pointer

80

beroepsbevolking

population active f

81

stijging

poussée f (= la montée)

82

omscholing

recyclage

83

vermindering, inkrimping

la réduction f

84

inkrimping van personeelsbestand

réduction des effectifs f

85

daling

régression f (= recul l)

86

herintreding

réinsertion f

87

werklozen weer opnemen in arbeidsproces

réintégrer (dans ses fonctions)

88

in zijn functie herstellen

salariat m

89

werknemers

salarié m

90

werknemer

supprimer

91

opheffen

suppression d'emplois f

92

percentage, cijfer

taux m

93

uitzendwerk

travail intérimaire m

94

opzichter

agent de maîtrise m

95

anciënniteit

ancienneté f

96

met veel moeite

à l'arraché

97

de toekenning

attribution f

98

de (bedrijfs)tak

la branche f

99

de kaap; de koers; de bepaalde grens

cap

100

van richting veranderen

changer de cap

101

boekhouder

comptable

102

verlof

congé

103

met verlof

en congé

104

vrije dag

un jour de congé

105

ontslag

prendre son congé (donner son congé à qn)

106

ambiëren, begeren

convoiter

107

vloeiend

couramment

108

kloof

décalage m

109

in de wacht slepen

décrocher

110

zijn ontslag indienen

démissionner

111

afwijking

dérogation f

112

verschil

disparité f

113

afkomstig zijn van

émaner de

114

in ballingschap gaan

s'exiler

115

de schommeling

fluctuation f

116

de opleiding, scholing

formation f