Voorzetsels b Flashcards Preview

Frans LOI per hoofdstuk > Voorzetsels b > Flashcards

Flashcards in Voorzetsels b Deck (154):
1

om (rondom) het gebouw

autour du bâtiment

2

2 graden onder nul

2 degrés au-dessous de zéro

3

onder de menigte

parmi/dans la foule

4

iets verdelen onder de mensen

partager quelque chose entre les gens

5

wat versta je hieronder?

qu'est-ce que tu entends par là ?

6

op een dag

un Jour

7

op een mooie dag in de lente

par une belle journée de printemps

8

op de grond vallen

tomber par/à terre

9

op tijd aankomen

arriver à l'heure/temps

10

op dit ogenblik

en ce moment

11

op dat ogenblik

à ce moment-là

12

op den duur

à la longue

13

op zijn best, op zijn allerbest

au mieux, tout au mieux

14

het is twee uur op mijn horloge

il est deux heures à ma montre

15

op zijn Frans

à la française

16

ieder op zijn beurt

chacun à son tour

17

een prijs vaststellen op

fixer un prix à

18

een abonnement nemen op een krant op school

s'abonner à un journal

19

op straat, op haar kamer

dans la rue, dans sa chambre

20

op deze manier

de cette façon

21

jaloers op iemand zijn

être jaloux de qn

22

trots op iets of iemand zijn

être fier de qc ou de qn

23

op mijn verjaardag

le jour de mon anniversaire

24

boos zijn op iemand

être fâché contre qn

25

op de tweede verdieping

au deuxième/second étage

26

op een kantoor werken

travailler dans un bureau

27

op ... toon

d'un ton ...

28

er bij iemand op aandringen dat

insister auprès de qn pour que

29

op een veilige plaats

en lieu sûr

30

over twee weken

dans quinze jours

31

over enige dagen

dans quelques jours, d'ici quelques jours

32

vandaag over veertien dagen

aujourd'hui en quinze

33

waarover gaat het?

de quoi s'agit-il?

34

een brug over de rivier

un pont sur la rivière

35

twee euro per liter/stuk/meter

deux euros le litre/la pièce/le mètre

36

per post

par la poste

37

honderd kilometer per uur

cent kilomètres à l'heure

38

per stuk, pond, dozijn, ... verkopen

vendre à la pièce, à la livre, à la douzaine

39

tot mijn grote verbazing/spijt

à mon grand étonnement/regret

40

tot elke prijs

à tout prix

41

van dag tot dag

au jour le jour

42

van deur tot deur

de porte en porte

43

tot overmaat van ramp

pour comble de malheur

44

uit alle macht

de toutes ses forces

45

uit het hoofd leren

apprendre par cœur

46

uit ervaring

par expérience

47

uit beleefdheid

par politesse

48

uit het raam kijken

regarder par la fenêtre

49

uit mijn naam (namens mij)

en mon nom, de ma part

50

uit het oog, uit het hart

loin des yeux, loin du cœur

51

de kachel is uit

le poêle est éteint

52

het boek is uit(gekomen)

le livre est sorti

53

ik heb het boek uit

j'ai fini le livre

54

uit een wijnglas drinken

boire dans un verre à vin

55

negen van de tien keer

neuf fois sur dix

56

iemand van de trein halen

prendre/chercher qn à la gare

57

van binnen/buiten

en/au dedans/dehors, à l'intérieur/ l'extérieur

58

van wie is dat?

à qui est cela?

59

dat is aardig van u

c'est gentil à vous

60

ik kom van de dokter

Je viens de chez le docteur

61

de groeten van mij

le bonjour de ma part

62

dit boek is van hem (eigendom)

ce livre est à lui

63

dit boek is van hem (zelfgeschreven)

ce livre est de lui

64

een vriend van mij

un de mes amis

65

de meeste van hen -

la plupart d'entre eux

66

wie van hen?

lequel d'entre eux?

67

iets maken van hout

faire qc avec du bois

68

iets van de tafel nemen

prendre qc sur la table

69

vanwege de omstandigheden

à cause des circonstances

70

voor (tijd)

avant

71

voor (plaats)

devant

72

voor (bestemming, ten behoeve van)

pour

73

een voor een

un à un

74

voor de helft

à moitié

75

voor het raam

à la fenêtre

76

verantwoordelijk voor

responsable de

77

bedankt voor uw aanwezigheid

merci de votre présence

78

autour du bâtiment

om (rondom) het gebouw

79

2 degrés au-dessous de zéro

2 graden onder nul

80

parmi/dans la foule

onder de menigte

81

partager quelque chose entre les gens

iets verdelen onder de mensen

82

qu'est-ce que tu entends par là ?

wat versta je hieronder?

83

un Jour

op een dag

84

par une belle journée de printemps

op een mooie dag in de lente

85

tomber par/à terre

op de grond vallen

86

arriver à l'heure/temps

op tijd aankomen

87

en ce moment

op dit ogenblik

88

à ce moment-là

op dat ogenblik

89

à la longue

op den duur

90

au mieux, tout au mieux

op zijn best, op zijn allerbest

91

il est deux heures à ma montre

het is twee uur op mijn horloge

92

à la française

op zijn Frans

93

chacun à son tour

ieder op zijn beurt

94

fixer un prix à

een prijs vaststellen op

95

s'abonner à un journal

een abonnement nemen op een krant op school

96

dans la rue, dans sa chambre

op straat, op haar kamer

97

de cette façon

op deze manier

98

être jaloux de qn

jaloers op iemand zijn

99

être fier de qc ou de qn

trots op iets of iemand zijn

100

le jour de mon anniversaire

op mijn verjaardag

101

être fâché contre qn

boos zijn op iemand

102

au deuxième/second étage

op de tweede verdieping

103

travailler dans un bureau

op een kantoor werken

104

d'un ton ...

op ... toon

105

insister auprès de qn pour que

er bij iemand op aandringen dat

106

en lieu sûr

op een veilige plaats

107

dans quinze jours

over twee weken

108

dans quelques jours, d'ici quelques jours

over enige dagen

109

aujourd'hui en quinze

vandaag over veertien dagen

110

de quoi s'agit-il?

waarover gaat het?

111

un pont sur la rivière

een brug over de rivier

112

deux euros le litre/la pièce/le mètre

twee euro per liter/stuk/meter

113

par la poste

per post

114

cent kilomètres à l'heure

honderd kilometer per uur

115

vendre à la pièce, à la livre, à la douzaine

per stuk, pond, dozijn, ... verkopen

116

à mon grand étonnement/regret

tot mijn grote verbazing/spijt

117

à tout prix

tot elke prijs

118

au jour le jour

van dag tot dag

119

de porte en porte

van deur tot deur

120

pour comble de malheur

tot overmaat van ramp

121

de toutes ses forces

uit alle macht

122

apprendre par cœur

uit het hoofd leren

123

par expérience

uit ervaring

124

par politesse

uit beleefdheid

125

regarder par la fenêtre

uit het raam kijken

126

en mon nom, de ma part

uit mijn naam (namens mij)

127

loin des yeux, loin du cœur

uit het oog, uit het hart

128

le poêle est éteint

de kachel is uit

129

le livre est sorti

het boek is uit(gekomen)

130

j'ai fini le livre

ik heb het boek uit

131

boire dans un verre à vin

uit een wijnglas drinken

132

neuf fois sur dix

negen van de tien keer

133

prendre/chercher qn à la gare

iemand van de trein halen

134

en/au dedans/dehors, à l'intérieur/ l'extérieur

van binnen/buiten

135

à qui est cela?

van wie is dat?

136

c'est gentil à vous

dat is aardig van u

137

Je viens de chez le docteur

ik kom van de dokter

138

le bonjour de ma part

de groeten van mij

139

ce livre est à lui

dit boek is van hem (eigendom)

140

ce livre est de lui

dit boek is van hem (zelfgeschreven)

141

un de mes amis

een vriend van mij

142

la plupart d'entre eux

de meeste van hen -

143

lequel d'entre eux?

wie van hen?

144

faire qc avec du bois

iets maken van hout

145

prendre qc sur la table

iets van de tafel nemen

146

à cause des circonstances

vanwege de omstandigheden

147

avant

voor (tijd)

148

devant

voor (plaats)

149

pour

voor (bestemming, ten behoeve van)

150

un à un

een voor een

151

à moitié

voor de helft

152

à la fenêtre

voor het raam

153

responsable de

verantwoordelijk voor

154

merci de votre présence

bedankt voor uw aanwezigheid