Hoorcollege 2 - A Flashcards Preview

Digestie > Hoorcollege 2 - A > Flashcards

Flashcards in Hoorcollege 2 - A Deck (56):
1

Ander woord voor spijsvertering

Digestie

2

Waar is de anatomie op gericht?

Anatomie is gericht op functie. Herbivoor is anders dan carnivoor. Vorm en functie nauw verbonden

3

Wat voor proces vindt er plaats in de mond?

Een mechanisch proces. Er wordt gekauwd, geslikt en gemengd. Er vindt ook al een chemische proces plaats omdat er enzymen in je speeksel zitten die (gering) de eerste stappen in de spijsvertering zetten.

4

Waar vindt de secretie van verteringssappen plaats?

Voornamelijk in de maag en de darm, maar ook in de pancreas, lever en galblaas

5

Fermentatie versus verteren

Bij herbivoren (paard met caecum, koe met pens) is fermentatie door bacteriën heel belangrijk om de voedingsstoffen uit de voeding te halen. Zij hebben laag kwalitatief voedsel. De carnivoren hebben hoog kwalitatief voedsel (vlees) wat makkelijk verteerbaar is. Daar vindt geen fermentatie plaats. Fermentatie versus verteren.

6

Waarom kunnen carnivoren hun bek verder opensperren dan herbivoren?

Dit is nuttig om een prooi te kunnen omvatten. Herbivoren moeten sprietjes gras kunnen vastpakken en kunnen hun bek niet zo ver opensperren.

7

Wat krijgt een hamster extra?

Hamster krijgt wangzakken waarin ze kunnen hamsteren (bewaren van voedsel). Deze wangzak kunnen ze ook helemaal opblazen en zo ziet de hamster er groter uit.

8

Hoe ontstaat de mondholte?

Tijdens de embryonale ontwikkeling krijg je de kromming van nek en hals. Door deze kromming ontstaat een holte die het stomodeum wordt genoemd. Het stomodeum wordt uiteindelijk de mondholte. Tegelijkertijd met deze kromming gaat de endodermale oerdarm in aanraking komen met het ectoderm. Als die elkaar raken, dan krijg je de ecto-endodermale membraan (oropharyngeale membraan). Dan heb je de overgang wat straks de mondholte wordt (ectodermaal) en wat de pharynx wordt (endodermaal). Uiteindelijk gaat de oropharyngeale membaan in regressie en dan heb je een open verbinding tussen buitenwereld, mondholte en darm.

9

Ander woord voor mondholte

Cavum oris

10

In welke anatomsiche gebieden is de mondholte onderverdeeld?

In het vestibulum oris (buccaal en labiaal) en het vacum oris proprium

11

Wat is het vestibulum oris?

Dit is de ruimte tussen tanden en de wang (buccaal) en de ruimte tussen de tanden en de lip (labiaal)

12

Hoe noemen we het gedeelte tussen de tanden (waar de tong zich bevindt)?

Het cavum oris proprium

13

Hoe noemen we het harde deel van het gehemelte en hoe noemen we het zachte deel? Waar zit die overgang precies? Hoe heten de ribbels op het harde gehemelte?

Het harde deel heet het palatum durum en het zachte deel heet het palatum molle. De overgang zit ongeveer op de arcus palatoglossus (en dus ecto-endo overgang). De ribbels heten rugae palatinae (bij carnivoren duidelijker dan bij herbivoren, dienen voor fixeren voedsel).

14

Wat zat er ter hoogte van de arcus palatoglossus?

De oropharyngeale membraan die in regressie is gegaan

15

Welke deel van de mond is ectodermaal en welk deel van de mond is endodermaal?

Het voorste gedeelte van de mond, voor de arcus palatoglossus is ectodermaal en het achterste deel van de mond is endodermaal. De tong is voor 2/3 ectodermaal, het achterste gedeelte is endodermaal.

16

Ander woord voor een open gehemelte

Palatoschisis. Dit is een aangeboren afwijking die bij honden operatief kan worden gesloten. De eigenaar komt erachter doordat melk, water en ander voedsel door de neus weer naar buiten gaat.

17

Welke classificatie hanteren we voor tanden wat betreft vorm en functie?

Homodont en heterodont

Homodont = één type tand, gebitselementen gelijk van vorm

Heterodont = verschillende typen tanden die in de loop van de evolutie zijn ontwikkeld, gebitselementen verschillend van vorm en functie

18

Geef de verschillende tanden van een heterodont gebit

Snijtanden: I (dentes incisivi)
Hoektanden: C (d. canini)
Valse kiezen: P (d. premolares)
Ware kiezen: M (d. molares)

19

Wat weerspiegelt het gebit?

Het gebit weerspiegelt dieet en plaats in het ecosysteem

20

Geef de indeling van dieren naar voedsel

Omnivoren
Herbivoren
Carnivoren
Insectivoren

21

Welke tandwisselingen kennen homodonte dieren?

Monophyodonten: wisselen niet, walvisachtigen

Polyphyodonten: wisselen hun hele leven door, krokodil, haai

22

Hoe wisselen mensen?

Diphyodonten, twee tandwisselingen: melkgebit en blijvend gebit

23

Heterodonte gebitten ingedeeld op soort wisseling

Horizontale tandwisseling
Gebeurt alleen bij de olifant en de zeekoe. De tanden slijten van voren steeds verder af en van achteren wordt de tand weer aangevuld.

Verticale tandwisseling
Bij de verticale tandwisseling duwt de nieuwe tand de (melk)tand eruit of vullen het gat als de melktand er al uitgevallen is.

24

Hoe kunnen we tanden in de verticale tandwisseling nog verder onderverdelen?

Elodont en anelodont

Elodont: blijvende groei, tand blijft groeien nadat hij op zijn plek terecht is gekomen

Anelodont: gelimiteerde groei, tand wordt als hij er eenmal is, niet langer of groter, is niet helemaal zwart wit. De tand stopt uiteindelijk met groeien.

25

Verschillende vormen van elodont.

Voortdurende groei, geen wortelvorming

Voorste elementen: knaagdieren

Voroste en achterste elementen: konijn en cavia

Achterste elementen: aardvarken

26

Geef de onderverdeling van anelodonte tanden

Hypsodont: paard, herkauwer, lange anatomische kroon, relatief korte wortel. groeien lange periode

Brachyodont: mens, aap, varken, kat, hond. Volwassen tanden en kiezen hebben wortels die langer zijn dan de anatomische kroon (korttandig). Groeien kore periode

27

Twee manieren om de kroon aan te duiden

Anatomische kroon: werkelijke kroon
Klinische kroon: zichtbare kroon.

28

Geef de opbouw van de tand

Buitenste deel is het glazuur. Dit wordt ook émail genoemd. Een stap naar binnen heb je dentine. Het cement zit onderaan bij de wortel en dit zit strak om het dentine heen en staat in nauwe verbinding met de paradontale ligamenten. Dit zijn ligamenten die de tand met de tandkas (alveolus) verbinden. Daarom moet je zo wrikken om de tand eruit te krijgen: ligamenten oprekken. In het midden van de tand zie je de pulpa. Daar zie je ook de zenuw in lopen. Daar waar het glazuur stopt is de anatomische kroon. Dat is dus de glazuur - cement grens. Bij de hypsodonte dieren is dit veel duidelijker.

29

Wat is glazuur?

Dit is hard, email, wit. Het bestaat voor 96% uit anorganische kalkzouten (wat misschien wel de hardste stof is van ons lichaam). Dit is ter hoogte van het tandvlees verdikt om te voorkomen dat stoffen van buitenaf naar binnen kunnen komen. Dit is volledig ongevoelig. Het is niet geïnnerveerd of gevasculariseerd.

30

Wat is dentine?

Dit is tandbeen, gelig van kleur. Het is aanwezig in de wortel en de kroon en bestaat voor 70% uit anorganisch materiaal. Het bevat kleine kanaaltjes (streepjes) met zenuwuiteinden en bloedvaatjes vanuit de pulpa. Dentine is uiterst gevoelig! Dentine is dus geïnnerveerd en gevasculariseerd.

31

Wat is cement?

Dit bekleedt de wortel en lijkt op bot. Het bestaat voor 50% uit anorganisch materiaal en is dus zachter dan glazuur. Fixeert tand door middel van bandjes aan tandkas.

32

Wat is de pulpa en het wortelkanaal?

Is eindigend in de apex. Odontoblasten, fibroblasten, collagene vezels, bloedvaatjes, lymfevaatjes en zenuwweefsel kun je hier vinden. Dit zorgt gedurende het hele leven voor afzetting van secundaire dentine. De pulpaholte wordt daardoor gedurende het leven smaller en smaller.

33

Hoe zit het met de kroon bij hypsodonte elementen?

De anatomische kroon en de klinische kroon verschilt heel erg als je kijkt naar het hypsodonte dier. De anatomische kroon eindigt daar waar het glazuur stopt.

34

Hoe ontstaan de groeven in hypsodonte tanden?

De kroon is in de eerste instantie omgeven door glazuur. Daarnaast stulpt het glazuur naar binnen het occlusievlak in waardoor er holtes gevormd worden die infundibula worden genoemd. Infundibula zijn gevuld met cement. Door afslijting en wisselende hardheid van materialen ontstaan verschillende richels op het occlusievlak. Het dentine wat op het occlusievlak aan de oppervlakte komt is niet gevoelig, hier zitten geen zenuwuiteinden.

35

Hoe zit het met de aanmaak van glazuur en dentine?

Glazuur wordt een keer aangemaakt en daarna niet meer. Dentine wordt wel het leven door geproduceerd. Dit beschermd de pulpa bij afslijting. Het dentine sluit met de jaren het wortelkanaal steeds verder af. Het wortelkanaal is daardoor altijd afgesloten van de buitenwereld.

36

Welke kiesvormen ken je?

- Secondonten
- Selenodonten
- Lophodonten
- Bunodonten

37

Beschrijf de secondont

Secondonten zijn knipkiezen. Deze horen bij de carnivoren. Hele spitse knobbels, 1 ‘verlengde’ knobbel. Schaargebit. Hond en kat.

38

Beschrijf de selenodont

Maalgebit. Herkauwers. Deze kiezen bevatten glazuurrichels die ½-maanvormig zijn. Er is 1 hoektand aanwezig. Boven zijn geen snij- en hoektanden aanwezig.

39

Beschrijf de lophodont

Maalgebit. Paard. Deze kiezen bevatten grillige glazuurrichels. De hengst heeft 1 hoektand. Merries hebben die hoektand meestal niet.

40

Beschrijf de bunodont

Omnivoren. Kiezen met meerdere knobbels. Wij kunnen malen en grijpen. Onze knobbelkiezen pletten het eten. Mens en varken.

41

Welke kiezen worden omschreven als maalgebit?

De selenodonten en lophodonten

42

Hoe werkt gebitsontwikkeling?

Dit begint in het kaakepitheel. Dit is ectodermaal. In het kaakepitheel gaan cellen prolifereren en krijgen een lamina dentalis (tandlijst). Dat gaat naar binnen stulpen (tandknop) in het kaak mesenchym (mesoderm). In het tandklokje vind je het tandpapil. Cellen uit het mesoderm gaan daar prolifereren. Gelijktijdig ontstaat de permanente tandkiem. Het melkgebit ontwikkeld zich als eerste en daarop volgt het volwassen gebit. Het geheel van tandklokje en tandpapil heet (primaire) tandkiem. Ameloblasten (ectodermaal) en odontoblasten (mesodermaal) gaan nu een rol spelen. Odontoblasten gaan het dentine maken en ameloblasten maken het glazuur. Uiteindelijk zie je de pulpa komen. De ameloblasten gaan atrofiëren en uiteindelijk zal het glazuur dus niet verder groeien. Tandkiem = tandklokje + tandpapil

43

Hoe ontstaan groeven in dentine?

Odontoblasten (dentine makers) trekken zich steeds verder naar binnen terug. Zij zetten naar buiten af. De ameloblasten zetten hun glazuur naar binnen toe af. Zij groeien zelf naar buiten toe. Zo ontstaan twee lagen.

44

Geef de ontwikkeling van het gebit in stapjes

- Proliferatie van mondslijmvlies epitheel: vorming van hoefijzervormige verdikking
- Verdrikking groeit het onderliggende mesoderm in en vormt tandlijst
- Hierin vormen zich de tandknoppen
- Tandknoppen stulpen in: tandklokjes, die het glazuur van de tand gaan vormen (ectodermaal)
- Binnenin het tandklokje verdikt het kaakmesenchym zich tot tandpapil waaruit zich dentine en pulpa gaan vormen (mesodermaal)
- Tandklokje en tandpapil samen zijn tandkiem
- Door glazuurformatie verschuiven de ameloblasten naar de periferie, uiteindelijk atrofie, geen glazuurvorming meer.
- Odontoblasten trekken zich terug naar de tandpapil en laten kanaaltjes achter. Odontoblasten blijven gedurende het hele leven dentine vormen.
- Ondertussen ontstaat ook tandkiem voor de permanente tand uit lamina dentalis en verdwijnt de verbinding tussen het emailorgaan en het oppervlak
- De ontwikkeling van de tandwortel begint bij de aanstaande doorbraak en zet zich voort totdat de tand in een rij staat met de omgevende elementen.

45

Wanneer ontstaat de permanente tandkiem?

De permanente tandkiem ontstaat wanneer de melktanden naar buiten toe gaan. De wortel van de permanente tand wordt pas gemaakt als die net doorbreekt.

46

Ander woord voor kaakgewricht

articulatio temporomandibularis

47

Verschil in kaakgewricht herbivoren en carnivoren

Er zijn twee verschillende locaties waar het kaakgewricht zich kan ontwikkelen. Carnivoren hebben een knipbeweging nodig terwijl herbivoren echt moeten kunnen malen. Het kaakgewricht heeft dus meerdere functies. Bij herbivoren zit het kaakgewricht heel hoog. Dat maakt het mogelijk dat de tanden bijna op elkaar zitten. Bij de hond zit het juist bijna in het verlengde van de tanden en dan heb je echt een soort schaargebit.

48

Waar zit het articulatio temporomandibularis?

Zit tussen de Processus articularis mandibulae en de Facies articularis van het Os temporale. Bij de hond zit het gewricht ongeveer in het verlengde van de kiezenrij. Bij herkauwers en paarden zit het gewricht meer dorsaal. Hond: bij sluiten bek kiezen na elkaar op elkaar zoals bij een schaar in verband met de snij/knipfunctie, scharnier. Herkauwer en paard: bij sluiten gaat hele rij tegelijk op elkaar in verband met de maalfunctie.

49

Hoe is knippen en malen mogelijk met het kaakgewricht?

De kraakbeenschijf discus articularis maakt het mogelijk dat de onderkaak van onder naar boven kan bewegen, terwijl de kaak met het schedelbot (os frontale) heen en weer kan bewegen. Dan zul je zien dat planteneters een veel dikkere discus hebben dan carnivoren. Sommige katten hebben zelfs helemaal geen discus.

50

Articulatio temporomandibularis

- Gewrichtsoppervlakken niet congruent
- Kaakbeen discus (discus articularis): hierdoor is gewrichtsholte verdeeld in een groot dorsaal en een kleiner ventraal. Scharnier tussen onderkaak en discus. Schuifbewegingen tussen schedel en discus. DIk in herbivoren, dun in carnivoren (zelfs soms afwezig in de kat).

51

Locatie kaakgewricht en kauwspieren

Je hebt voornamelijk 2 kauwspieren en dan is er nog een spier om de kaak open te krijgen. Je hebt de muscus masseter, de m. temporalis en de m. digastricus (zorgt voor openmaken gewricht). De m. masseter is voornamelijk een maalspier (groter bij herbivoren). De m. temporalis is juist groter bij carnivoren, dit is een knipspier.

52

Speekselklieren functie.

- Vochtig houden van de mond, bescherming mondmucosa
- Vormen van een voedselbolus
- Glad en nat maken van voedsel voor het slikproces
- Vertering (gering, enige enzymen toevoegen)
- Oplosmiddel voor smaakstoffen / voedselselectie
- Nerveuze innervatie tgv mechanische / chemische prikkel

53

Noem de speekselklieren

Glandula parotis (V vormig)

Gl. mandibularis (onderkaak, achter de kaakomslag)

Gl. sublingualis (mono- en polystomatica) (onder de tong, laat onder de tong speeksel los)

Gl. buccalis (paard, varken en herkauwers) (buccaal, tussen tand en wang / lip, bovenlangs)
- Gl. zygomatica (hond, kat) (onder het oog, net onder en achter, naar de wang)
- Gl. molares (kat) (zit bij de onderkiezen achter)

54

Speekselklieren: één afvoergang en meerdere afvoergangen

Monostomatica en polystomatica

55

Hoe kun je de speekselklieren in beeld brengen?

Met een contrastvloeistof kun je de speekselklieren in beeld brengen. De contrastvloeistof wordt in de afvoergangen ingespoten.

56

Speekselcyste

Waar je een afvoergang hebt kun je een verstopping hebben. Het gebeurt nogal eens dat de afvoergang gaat verstoppen en dan krijg je een speekselcyste. Het enige wat je kunt doen is de hele afvoergang eruit halen inclusief de speekselklier om te voorkomen dat het terug komt.