Auto Flashcards Preview

Parole > Auto > Flashcards

Flashcards in Auto Deck (148):
0

Stavamo per strada con l'auto in panne.

Wij stonden met pech op weg.

1

Qual e' il numero x le emergenze?

MhpWat is het alarm nummer?m

2

La batteria e' scarica

De accu is leeg

3

Il motore perde colpi

De motor stottert

Stotteren : balbettare

4

Quando e' pronta di nuovo l auto?

Wanneer is de auto weer klaar?

5

Triangolo d emergenza

Gevaren.driehoek

6

Navigatore

Navigatie.systeem

7

Puo' caricare la batteria?

Kunt u de accu opladen?

8

Puo' cambiare questa gomma?

Kunt u deze band verwisselen?

9

La macchina non vuole partire

De auto wil niet starten

10

Il motore si surriscalda

De motor raakt overhit

11

Il disco orario

De parkeer.schijf

12

Sporco, surriscaldato

Vuil, oververhit

13

Benzinaio:
20 litri
Il pieno
Selfservice

Tank.station:
20 liter
Voltanken,aub
Zelfbediening

14

Bruciato, congelato, rotto

Doorgebrand, bevroren, gebroken

15

Arrugginito, intasato, consumato

Verroest, verstopt, versleten

16

Regolato male

Verkeerd afgesteld

17

Inceppato, incrinato, bloccato

Klemt, gebarsten, geblokkeerd

18

Vibrare

Trillen

19

La perdita

Het lek

20

E' successo un incidente, ci sono dei deriti

Er is een ongeluk gebeurd, er zijn gevonden

21

Ci sono solo danni meteriali

Er is alleen materiale schade

22

Il soccorso stradale

De wagen wacht

23

La colonnina sos

De praat.paal

24

L altro ha fatto un errore

De ander heeft een fout gemaakt

25

L assicurazione civila

De WA verzekering

26

Fino a che ora posso venire a prendere la macchina?

Tot hoe laat kan ik de auto afhalen?

27

Ho un geasto a...

Ik heb een defect aan...

28

Puo' controllare il livello dell olio?

Wilt u de olie.peil nakijken?

29

Puoi cambiare l olio?

Kunt u de olie verversen?

30

Parchimetro

Parkeermeter

31

Parcheggio (custodito)

Parkeerplaats (bewaakt)

34

Clacson

Suonare il clacson

Toeter

Toeteren

35

Posto posteriore

Achterbank

36

Bagagliaio

Koffer

37

Rimorchio

Aanhangwagen

38

Cofano

Kap

39

Accendere l auto

De auto starten

40

A max velocita'

Op topsnelheid

41

Lo stop

Stop.teken

42

Rimorchiare

Slepen

43

Veicolo

Voertuig

44

Superere

Inhalen

45

Cambiare la marcia

Schakelen

46

Cappottarsi

Omslaan

47

A piedi

Te voet, lopend

48

Scontrarsi

Botsen

49

Rimorchio

Aanhang.wagen
Aanganger

50

Griglia x animali

Wildrooster

51

Il carroattrezzi

De sleep.wagen
Motopech hebben
De wagen.wacht

52

Situazione modificata

Situatie gewijzigd

53

Obbligatorio

Verplicht

54

Eccetto

Uitgezondert

55

La cunetta rallentatraffico

De drempel

56

Condizioni del traffico

De verkeers.omstandigheden

57

Limite di velocita'

Snelheid.beperking van 55

De beperking
De limiet (limite fisico)

58

Nel centro della rotonda
P

In het midden van de rotonde

59

Entrare in macchina

Stap in de auto

60

Gira a destra al terzo semaforo

Draai naar rechts bij het derde verkeerslicht
Rood stop.teken

61

Le condizioni del traffico

Verkeers.omstandingheden

62

Il limite di velocita'
La multa

De beperking (snelheid.beperking)
De bekeuring

Een bekeuring krijgen

63

Cambiare marcia
Disattivare l allarme

Schakelen
Uitschakelen
De alarm.installatie uitschakelen

64

La macchina

De auto (m)

65

Qual e' l' anno di costruzione di quest' auto?

Wat is het bouwjaar van deze auto?

66

Tenere la destra.

Rechts houden

67

Aumentare la velocita'

Snellheid opvoeren

68

L auto aziendale

De auto van de zaak

69

Rientrare da adesso

Ritsen vanaf nu

70

Una pozza d olio

Een plas olie

71

Guiderai prudentemente?

Zul je voorzichtig rijden?

72

In seconda

In de twede versnelling

73

Danni alla carrozzeria

Blikschade

74

Io guido sempre molto prudentemente

Ik rij altijd heel voorzichtig

75

Bagagliaio

Kofferbak

76

Sportello davanti sul motore

Motorkap

77

Ruota di scorta

Reserve wiel

78

Gancio traino

Trekhaak

79

Specchi laterali

Zijspiegel

80

Sirena lampeggiante

Zwaailicht

81

Appannato

Beslagen

82

Il tettuccio apribile

Het Schuif.dak

83

Sistemare una ammaccatura

Een deuk uitslaan (trans)
Uitslaan uscire fuori (intransitivo)

85

L impatto

De inslaag

86

Tagliare la strada a qualcuno

Iemand de pas afsnijden

87

Prendere un passaggio,
Andare in macchina con qualcuno.

Meerijden

88

Dare la precedenda

Voorrang verlenen
Voorrangs.weg

89

Diminuire la velocita'

Zijn vaart minderen

90

Auto

Vlucht.strook

91

Tenere la destra

Rechts houden

92

Il guardrail

De vang.rail

93

Il motociclista

De motor.rijder

94

Passare col rosso

Door rood rijden

95

Schiantarsi contro qualcosa

Tegen iets opknallen

96

Andare (in macchina) con qualcuno

Meerijden

97

Precedenza

Voorrang

98

I costruttori di case

De wegenbouwers

99

Cambiare la marcia

Schakelen

Schaken
Een partijtje schaken
De schaker

100

Posso parcheggiare qui di notte?
Posso caricare qui?

Mag ik s nachts hier parkeren?
Mag ik hier laden?

101

Tagliare la stradea

Iemand snijden

102

Guidare
Investire
Collidere
Fare una deviazione
Spingere da dietro

Rijden
over
Aan
Om
Achteruit

103

Sterzare per (evitare) un pedone

Met de auto
Uitwijken
Voor een voetganger

104

Cofano

Motorkap

105

Lo scontro

De botsing

106

Guidare in stato di ebbrezza

Rijden onder invloed

107

Strada privata

Eigen weg

108

Guidare senza mantenere le distanze di sicurezza

Bumper.kleven
Bumper : raraurti
Kleven : appiccicare

109

Tamponare

Botsen op (tegen)

110

Ik erger me groen en geel op de weg

Onnodig links rijden
Bumper.klevers
Rechts inhalen
Geen richting aangeven
Remmen bij een flits.paal
Hinderen bij invoegen
Oo her laatste moment ritsen
Te hard in de bebouwde kom
Slechte beweg.wijzering
Niet de hele invloegstrook gebruiken
Afval uit de auto gooien
Onnodig van rijstrook wisselen
File voorbij.rijden over vlucht.strook
Dremoels
Geen voor.rang verlenen

111

Svincolo/uscita

Afslag

112

Corsia di sorpasso

Inhaal.strook

Inhaal.verbod

113

Abbassare il linestrino

Het raampje
Omhoog
Draaien

114

Rischiare

Riskeren

115

Con lo scivoloso non cosparso di sale

Met glijdheid
Niet gestrooid

Strooien

116

Andare in motorino

Brommen

Boffonchiare, mugugnare

117

Far revusionare la auto

De auto
Te laten keuren

118

Suggeriamo ai ciechi di fare uso di questa possibi

Blinden
raden wij
Aan
Van deze mogelijkheid
Genruik te maken

119

Riguardo a veicoli:
Mettersi di traverso

Mbt (met betrekking tot): voertuigen

Scharen
Zich scharen : schierarsi

120

Intralciare il traffico

Het verkeer
Belemmeren

121

Fare inversione
Tornare (a casa)
Ritornare indietro

Keren
(Huiswaarts) keren
Omkeren

122

Sbattere, urtare
Sbattere, urtare contro

Stoten
Aanstoten tegen

123

Escluso

Uitgesloten

124

Uno scontro violento

Een heftige crush

125

Accelerare

Optrekken

126

Riuscire a mettere in moto

Iets aan de praat krijgen

127

Controllare
Ispezionare

Controlleren
Inspecteren

128

Essere trarscinato con un auto

Met een auto meegesleurd worden

Sleuren

129

Radiatore

Radiateur

130

I vetri sono appannati

De ramen zijn beslagen

Beslag impasto

131

Andare a tutto gas

Scheuren

Door de bocht scheuren

132

Occupanti, passeggeri

Inzittenden

De inzittende

133

Intralciare il traffico

Het verkeer
Hinderen

134

Biforcazione
Devoazione

Tweesprong
Weg.omlegging

135

Catene da neve

Sneeuw.kettingen

136

Avere la precedenza

Voorrang hebben / verlenen

137

Traffico
in salita
In discesa

Stijgend
Dalend
Verkeer

138

Moderare la velocita'

Fondo dissestato

Snellheid matigen

Slecht wegdek

139

Deviazione

Omleiding

140

Perdersi
Perdere la strada

De weg
Kwijt.raken

141

Frenare

Remmen

142

Lui guida a 50 km all ora

Hij rijdt
50 kilometer per uur.

143

Illeso

Ongedeerd

144

Accostare la macchina

Zijn auto
Aan de kant
Zetten

145

Rimanere bloccato in coda
Impantanarsi

In de file
In de modder

Vastzitten

146

Fare un incidente frontale

Frontaal botsen

147

Andare a sbattere contro quello davanti

Knallen op
De voorligger

De knal : il botto, lo scoppio

148

Guida spericolata

Roekeloos rijden

149

Andare forte

Hard rijden

150

Accendere il motore
Spegnere il motore

De motor

Uitmaken