Jip En Janneke Flashcards Preview

Parole > Jip En Janneke > Flashcards

Flashcards in Jip En Janneke Deck (133):
0

Smettila di piangere

Hou op met huilen!

1

Prendere in giro, deridere

Uitlachen

2

Sorridere a qc

Glimlachen tegen (naar)

3

Il cane si avvicina a Jip

De hond komt met grote sprongen op Jip af

Afkomen op
Afkomen van

4

Che grande che e'

Wat is hij groot!

5

Quello non succede tutti i giorni

Dat gebeurt niet iedere dag.

6

Giocare attraverso il vetro

Spelen door het glas heen

7

Se metti 2assi obliqui contro il muro

Als je 2 planken schuin neerzet tegen de muur...

8

Jip demolisce la casetta in soffitta

Jip breekt het huisje op de zolder af.

9

Pitturiamo di rosso le unghie di Beer?

Zullen we Beer zijn nageld rood maken?

10

Jip arrossisce.

Jip krijgt een kleur.
Blozen

11

Ci e' abituato

Hij is er zo aan gewend.

Het lichaam aan inspanningen d.
Gewend zijn om boeken te lezen

12

Un bambino bravo, cattivo (monello)

Een braaf (zout)kind
Een stout kind
Stoute kinderen

13

Passera'

Dat gaat wel over! (De vingers prikken)

14

Il vento sibila attorno a loro

De wind suist om hen heen.

15

La mamma di Jip si fa vedere

Janneke is jarig.
Jips moeder komt aangelopen.

16

Rotolarso dal ridere

Rollen van het lachen

17

Io vado senz'alrto
Io non devo sapere che tu intanto...

Ik ga vast.
Ik mag niet weten dat je alvast...

18

Allora rifacciamolo

Dan doen we het over.
Overdoen.

19

Andare in pezzi

De postzel gaat (val) stuk
Stuk vallen

20

Piantarla
Piantala!
Scocciare, rompere

Uitscheiden
Schei uit!
Zeuren

21

Strillare a non finire

Een keel opzetten

22

Jannekr guarda Jip con tanta soggezione

Janneke kijkt naar Jip met veel ontzag

23

Invidioso
Orgoglioso

Jaloers
Trots

24

La pozzanghera

De plas
Springen
Stampen
Spatten

25

Janneke vuole dare una mano

Janneke wil graag meehelpen.

26

J e j wengono condotti fuori dalla camera.

JeJ worden de kamer uitgestuurd.

27

Non ci trovo niente di speciale.
Io si!

Ik vind er niks aan.
Ik wel!

28

Dopo un pochino

Na een poosje

29

Il pezzo di pane e' finito ci sono soltanto briciole.

Het stuk brood is weg , er zijn alleen nog maar kruimeltjes.

30

Se tu metti giu due assi obliqui contro il muro, allora hai cosi' una casetta

Als je twee planken schuin neerzet tegen de muur, dan heb je zo maar een huisje.

32

Jip lo trova sgradevole. Ahi! Grida ogni volta.

Jip vindt het akelig.Au! Roept hij telkens.

33

Le rosse sono piu' buone.

De rooie zijn lekkerder.

34

Possiamo far (diventare) rosse anche le unghie di Beer?

Zullen we Beer zijn nagels ook rood-maken?

35

Sei una bambina sfacciata- dice Sinterklaas

Je bent een brutaal meisje- zegt Sinterklaas.

36

Loro tagliano cosi' concentrati che la loro linguetta viene fuori dalla bocca.

Ze knippen zo ingespannen dat hun tongetje uit hun mond komt.

37

Il vento sibila

De wind suist.

Suizen

38

Sgradevole.

Akelig. -
Je bent nog niet klaar. Nog eventjes!

39

Jip la smette di piangere

Jip houdt op
Met huilen.

Ophouden met

40

Un ciuffo (di capelli)

Een pluk (haar)

41

Il parrucchiere mugugna

De kapper bromt.
Brommen

42

Era davvero cosi terribile?

Was het
Heus
Zo erg?

43

Poppejans migliorera' da sola

P wordt vanzelf beter.

44

Ci sono ancora soltanto le briciole

Er zijn
Alleen
Nog
Maar
Kruimeltjes!

45

Lui sembra molto orgoglioso

Hij ziet er
Erg trots
Uit.

46

Il cane si avvicina a jip e janneke

De hond
Komt
Op jip en janneke
AF
Afkomen op/van

47

Lei sta nella nave, nel mezzo del mare

Ze zit in het schip, midden op zee

48

Ritagliano
In modo cosi' impegnato
Che

Ze knijpen
Zo ingespannen
Dat

49

All improvviso la barca si rovescia

Ineens
Kantelt
De boot

50

Andare avanti e indietro
(Nervosamente)

Heen en weer lopen
(Ijsberen)

51

Mi pizzicano le mani.
Passera'!

Mijn handen prikken.
Dat gaat wel over.

52

Vado intanto da tua nonna.
Tu vai intanto dalla nonna

Ik ga vast naar je oma.
Jij gaat alvast naar oma.

Vast en zeker : sicuramente
Op vaste tijden : a orari fissi

53

Dobbiamo andare immediatamente giu'

Wij moeten
Dadelijk
Naar beneden

54

Guardare a lui con soggezione / timore

Kijken naar hem met veel
Ontzag

Het ontzag

55

Burbero

Bar

56

Vangare / zappare
Non avere considerazione ( non avere cura ) per

Omspitten
Slordig Omspringen met (boeken)

57

Buchette
Afflosciati
Abbattuti dal vento
Appassiti

Kuiltjes
Slap
Omgewaaid
Verwelkt / verlepd

58

Singhiozzare
Piangere

Snikken
Huilen

59

Una tavoletta di cioccolato

Een plak chocolade
Een reep chocolade

60

Spostare le lancette

De wijzers verzetten

61

Janneke e' scomparsa
La mamma e' cosi' preoccupata
Jip e' mogio

Preoccuparsi

Janneke is zoek
Moeder is zo ongerust
Jip is sip

Zich ongerust maken

62

Me lo sono completamente scordato

Ik was het helemaal vergeten.

63

Presuntuosa

Nuffig, verwaand

64

Chiamare aiuto
Avere Paura di noi
Spaventarsi

Om hulp roepen
Zijn Bang voor ons
Schrikken

65

Fare cagnara

Herrie maken

66

Orripilante
Non fa niente

Griezelig
Dat hindert niet

67

Smettetela!

Schei uit!

68

Non ci sono animali in acqua?

Zijn er geen beesten in het water?

69

Sbattere (urtare)

Stoten

70

Portare con se legato

Meenemen aan het touw

71

Sbattere con le corna contro jip

Stoten met zijn horens tegen Jip

72

Rauco , roco

Parlare con voce rauca
Sgolarsi

Schor

Schor praten
Zich schor schreeuwen

73

Insistono

Zeuren

74

Lei e' invidiosa di Jip

Ze is erg jaloers op jip

75

Il gatto non lo sopporta

Poes kan er niet tegen

76

Angosciato
Angosciante

Benauwd

77

Sicuramente
Assolutamente

Beslist

78

Spazzola
Scopetta
Spazzolone
Battipanni

Borstels
Vengers
Boenders
Matten.kloppers

79

Guidare con le redini

Mennen met de teugels

80

Monelli

Rekels

Rekel = ondeugende of stoute jongen

81

Aghi sottili, non grossi

Fijne naalden , geen grove

82

Takkie ci vuole bene ad entrambi lo stesso

Takkie houdt van ons allebei
Evenveel.

83

Guaire, mugulare

Janken

84

Ridacchiare

Grinniken

85

Svolazzare

Fladderen

86

Vieni immediatamente qui

Kom dadelijk hier!

87

Trottare correre
Sgobbare

Draven door de kamer
Takkie is zoek

88

Coprire con le coperte

Toe.dekken

89

E' notte fonda!

Het is midden in de nacht!

90

Stare in piedi tutta la notte

De hele nacht op blijven

91

Per quest unica volta

Voor deze ene keer

92

Frequente comune

Voorkomend

93

Jip ciondola ( non mangia)

Jip treuzelt.

94

Non avere paura
Vengo a coprirti

Wees maar niet bang,
Ik kom je toedekken

95

E' notte fonda.

Het is midden van de nacht.

96

E' notte fonda

Het is midden in de nacht

97

Ridere di nascosto

Stiekem lachen
In zijn vuistje lachen

98

Che vergogna!

Wat een schande!

99

Avere rimorso
Pentirsi per qq

Berouw hebben over iets

100

Per qs volta passi

Nou vooruit dan.

101

Ti sposi con me?

Trouw je met me?

102

Chi ha mangiato
Piu'
Pannekoeken?

Wie eet
Het meeste
Pannekoeken?

103

Fantasma

Spook

104

2.9
Taklie guaisce

T jankt

Janken

105

2.9
Un bestia con gli aculei

Een beest met stekeltjes

106

2.9
Chiudersi a riccio

Zijn stekeltjes opzetten

107

2.9
E' cosi' che si fa!
E' cosi' che si deve!

Dat hoort zo!!

109

2.12
Cadere fuori bordo
il latte si e' rovesciato

Overboord vallen
De melk is omgevallen

110

2.12
Una bottiglia di latte per il viaggio

Een vles melk
Voor onderweg

111

2.15
Ti voglio imsegnare
come si fanno (soffiano)
le bolle di sapone

Ik wil je leren Hoe
je moet
Bellen blazen

112

2.9
Hai fatto spaventare il riccio

Je maakt
Het egeltje
Aan het schrikken!!

113

2.15
Takkie fa a pezzi a morsi le bolle

Takkie hapt alle bellen stuk.

114

2.21
Scegliere tra diverse singole opzioni

Uit.kiezen

115

2.21
Si stupira' di questo.

Daar
Zal Janneke
Van
Opkijken

116

2.21
Questo e' avanzato
Da ieri sera.

Die is over
Van gister.avond

117

2.24
Chicchi
Sparge il mangiare
Vorace
Concedere
Deporre le uova

Graantjes
Strooien het eten
Gulzig
Gunnen iemand (niks)
Eitjes leggen

118

2.27
Un vestitino grazioso/ incantevole
Con un velo

Een snoezig jurkje
Met een sluier

119

2.30
Si e' punto

Verde per le lenticchie d acqua
(Pianticelle).

Hij heeft zich geprikt.

Groen van het kroos.

120

2.34
Contro i vetri.
I Chicchi di grandine si sono sciolti.

Tegen de ruiten.
Hagel.stenen
zijn gesmolten

121

2.37
Come siete ancora piccoli!

Wat zijn jullie nog klein!

122

2.37
Si scontrano (litigano)

Zij krijgen ruzie

Ruzie krijgen met iemand

123

2.37
Nascondersi

Janneke si e' nascosta

Weg.kruipen

Janneke is
Weggekropen

124

2.43

Infilare il dito
Mettere la noce

Je vinger steken
Sokken stoppen

125

2.43
Questo non si puo' (fare) assolutamente

Dat mag
Volstrekt niet!

126

2.46
Buchini nei gambi

Gaatjes in de steeltjes

Steel = stegel

127

2.49
Cosi' frettolosamente/ affrettatamente

Zo haastig

128

2.49
Abbattuto

Sip

Sip kijken

129

2.49
(La' )accanto

Daarnaast

Anche: Per di piu', in piu'

130

2.49
Bambini cattivi!

Temerario, audace

Stoute kinderen!

Stout= stoutmoedig
Een stout stuk : un gesto audace, una prodezza

131

2.49
Affondare

Zakken

132

2.52
Avvicinarsi in fretta

Hard
Komen aanlopen

Zij komt hard aanlopen

133

2.49
Affondare

Zakken

134

2.52
Avvicinarsi in fretta

Hard
Komen aanlopen

Zij komt hard aanlopen