muovere oggetti Flashcards Preview

Parole > muovere oggetti > Flashcards

Flashcards in muovere oggetti Deck (131):
1

dare

geven

2

ricevere

krijgen

3

mostrare

tonen

4

deporre

leggen
Eitjes leggen

5

mettere giu'

neerzetten

6

prendere afferrando

pakken

7

prendere in generale

nemen

8

andare a prendere opp ritirare

halen

9

togliere

vegen

10

portare

brengen

11

trasportare

dragen

12

tirare

trekken

13

spingere

duwen

14

premere

drukken

15

lanciare

gooien

16

ricevere al volo

vangen

17

colpire

raken

18

scaricare

dumpen

19

scaricare un fluido

lozen

20

Sollevare

Optillen

21

Vorri prendere in prestito una penna perche' non ne ho con me.

Ik will graag een pen lenen, want ik heb geen pen bij me.

22

Lasciare (la spazzatura)Ritirare (la spazzatura)

Laten / ophalen

23

avere

krijgen

24

Fare qualcosa di testa propria

Iets op eigen houtje doen

25

ottenere

verkrijgen

26

riavere, avere di resto

terugkrijgen

27

dare

geven

28

nelle mani di qualcun altro

in de handen van iemand anders

29

non importa!

dat geeft niet

30

prestare aiuto, dare sostegno

hulp of steun verlenen

31

suddividere

verdelen in stukken

32

puoi dividere la torta in otto parti?

kun je de taart in acht stukken verdelen?

33

abbiamo suddiviso equamente i soldi

we hebben het geld eerlijk verdeeld.

34

distribuire, ripartire

snoepjes uitdelen in de klas

35

distribuire volantini

folders uitdelen

36

procurare qualcosa a qualcuno

voorzien iemand van iets

37

provvedere del necessario

voorzien iemand van het nodige

38

buttare, tirare

gooien

39

spargere

strooien

40

spergere il sale in inverno

zout strooien in het winter

41

(andare a) finire

terechtkomen

42

finire in acqua, in diversi posti

in het water, op verschillende plaatsen terechtkomen

43

portare (da qualche parte)

brengen

44

lei viene portato dal nostro autista

u wordt gebracht door onze chauffeur

45

portare con se

meebrengen

46

prendere con se

meenemen

47

è un affare

dat is mooi meegenomen = dat is een voordeel

48

andare a prendere

halen

49

andare a prendere qualcuno o qualcosa che e' pronto

afhalen

50

lei viene preso

U wordt afgehaald

51

portare (sollevato da terra)

dragen

52

portarsi dietro (a fatica)

sjouwen

53

ricevere, ottenere

meekrijgen

54

mettere

zetten, plaatsen

55

mettere giu', piazzare

neerzetten

56

mettere al proprio posto, rimettere a posto

terugzetten, terugplaatsen

57

far giacere

leggen

58

far giacere giù per terra, deporre

neerleggen

59

tirare su

optillen, opheffen

60

mettere dentro a

stoppen, doen, steken IN

61

spingere

duwen

62

tirare

trekken

63

con forza

met kracht

64

tirare su una cordicella

aan dit touwtje trekken

65

muovere facendo scivolare

schuiven

66

tirare con forza
(Una fune)

rukken R

67

il ladro tira via con fprza la borsa dalle sue mani.

de dief rukte de tas uit haar handen

68

scuotere

schudden

69

tendere la mano

reiken (elkaar de hand)

70

sporgere in fuori, tendere in fuori

uitsteken

71

sporgi la lingua

steek je tong uit!

72

toccare con le mani

aanraken

73

piegare

vouwen

74

ill calcio

de trap , de schop

75

dare un calcio

trappen, schoppen

76

il pugno (colpo)

de vuistslag, de stomp

77

prendere a pugni

stompen

78

sbattere (una parte di corpo)(contro qualcosa)

stoten zijn voet tegen de tafel

79

prendere con le mani

pakken, nemen

80

fare le valigie

de koffers pakken

81

prendere l'autobus

de bus nemen

82

prendere qualcosa che ti viene dato

aanpakken

83

prendere (senza il permesso)

afpakken

84

afferrare

grijpen

85

cogliere la possibilita'

de kans grijpen

86

catturare, acchiappare, prendere

vangen

87

catturare topi

muizen vangen

88

tenere in mano

vasthouden

89

lasciare libero
Lasciare la presa

loslaten

90

legare

binden

91

collegare

verbinden

92

fissare, allacciare

vastmaken

93

stabilire

vastleggen

94

fissare un appuntamento

afspreken

95

chiudere

sluiten (eventueel met een sluetel)

96

chiudere

dicht doen

97

aprire

opendoen

98

Far cambiare di posto spingendo

Schuiven (irr)

99

Appendere

Ophangen (t)

100

EquipaggiareL equipaggiamentoProvvedere / procurare

UitrustenDe uitrustingVan het nodige voorzien

101

Strappare /
Inpacchettare

Scheuren /
Inpakken: in papier doen

102

Piegare (il corpo)

Buigen

103

RompereUn tavolo rottoIl tavolo e' rotto

Kapot makenEen kapotte tafelDe tafel is stuk.Is anders.Is zoek.

104

Portare via /,Prendere di mano

Afpakken
De prijs van de 7de tour afpakken
De mes afpakkenDe bal afpakken

105

Riporre (nel cassetto)Recuperare (un corpo)Dare ospitalita'

BergenBergdeGeborgenBergen: onderdak geven

106

Offrire.Ricevere con piacere. Rifiutare, respingere

Aanbieden.Aannemen met plezier.Weigeren.Ik neem het (hem) met plezier aan.

107

Tirare una cordaCon forza

Een touw trekken.Een touw rukken.

108

Aggiungere a

Toe.voegen aan

Voeg een passage toe.

109

Rovesciare
Far cadere

Omver.gooien

110

Scaraventare
Accarezzare

Sbracciarsi

Maaien
Aaien

Met zijn armen maaien

111

Raccogliere - radunare

Bijeen.brengen

112

Portarsi dietro

Mee.sjouwen
Alle andere boodschappen mee.sjouwen

113

Portarsi dietro

Trascinare

Sjouwen

Sjorren

114

Tirare
Spingere contro

Trekken
Duwen

115

Spingere
Sospingere (= contenere, lago artificiale)

Duwen
Stuwen (stuw.meer)

116

Mettere giu' oblique contro il muro

Twee planken
Schuin
Neerzet
Tegen de muur

117

Capovolgere qq

Iets
Onderste.boven
Keren (gooien)

Keren : cambiare direzione

118

Girare / capovolgere
Figurato : invertire i ruoli

Omkeren

De rollen omkeren

119

Maneggevole

Handzaam

120

Sollevare qq

Oplichten
= optillen

121

Rompere

Stuk.maken

122

Calare

Zakken

123

Aggiungere (sedie, forza alle parole)

Bijzetten

124

Mettere via,
Mettere da parte

Wegleggen

125

Spostare (o anche rimandare)

Verzetten

126

Maneggiare / prendere in mano (anche figurato)

Hanteren
Hand
Worden Gehanteerd : (norma) essere spplicata

126

Molla!!

Los!!

127

Prendere (oggetto figurato)
Filo del discorso
Qualcosa seriamente

Come l ha presa? Male!

Opvatten
De draad van de afspraak - weer opvatten
Iets ernstig opvatten

Hoe heeft hij het opgevat? Slecht
Slecht opvatten

128

Nasconder

Verbergen
Verstoppen

129

Frantumare

Vergruizen

Tot gruis slaan

130

Dare
Concedere

Geven
Gunnen