campagna e raccolto Flashcards Preview

Parole > campagna e raccolto > Flashcards

Flashcards in campagna e raccolto Deck (94):
1

l'agriturismo

het toerisme op de boerderij

2

il cavallo

het paard

3

il maiale

her varken

4

il maialino

het biggetje

5

la pecora

het schaap

6

il gregge

de kudde

7

il coniglio

het konijn

8

l agnello

het lam de lameren

9

il vitello

het kalf de kalveren

10

Il bestiame

het vee

11

la paglia

het hooi

12

la rimessa

de schuur

13

il pagliaio

de hooimijt

14

la capra

de geit

15

il caprone

de bok

16

l' asino

de ezel

17

il pony

de pony

18

il mulo

het muildier

19

il cammello

de kameel

20

il pollo

de kip

21

il pulcino

het kuiken

22

il gallo

de haan

23

la mucca
Viene munta

de koe
Worden Gemolken

24

il toro

de stier

25

il vitello

het kalf

26

il tacchino

de kalkoen

27

il pavone

de pauw

28

il silos

de silo

29

la stallaLa scuderia
La mangiatoia

de stal
De voederbak

30

la rimessa

de schuur

31

il forcone

de hooivork

32

il trattore

de tractor

33

l'aratro

de ploeg

34

il carro del latte

de melkwagen

35

il rimorchio

de kar

36

deporre

leggen R

37

mungere

melken

38

domare

afrijden

39

raggruppare

samen drijven

40

mangiare l'erba

grazen R

41

belare

blaten R

42

muggire

loeien R

43

il formaggio

de kaas de kazen

44

stagionato

belegen

45

allevare

fokken

46

Il raccolto

het gewas

47

la contadina

de boer

48

il bamboo

de bamboo

49

il covone

de hooiberg

50

il grano

de graankorrel

51

la fattoria bio

de bioboerdeij

52

l'irrigazione

de irrigatie

53

il fertilizzante

de mest.stof

54

la gomma

het rubber

55

il cavolo

de kool

56

la segale

het rogge

57

la canna da zucchero

het suiker.riet

58

il cerchio nel grano

de graancirkel

59

la fertilit

de vruchtbaarheid

60

il prodotto

de produkt

61

il produttore

de producent

62

la produzione

de produktie

63

annuale

jaarlijks

64

coltivare

telen R

65

raccogliere

oogsten R

66

piantare

planten R

67

seminare

zaaien R

68

la piantagione

de plantage

69

rurale

landelijk

70

urbano

stedelijk

71

il polder

de polder

72

coltivare raccolti

verbouwen R

73

Il filo spinato
Il recinto
Lo steccato

Het prikkeldraad
De omheining
De schutting
De schutting.woord la parolaccia
De ki

74

Il campo di stoppie

Het stoppel.veld

75

La campagna

Het platteland

Op het platteland gaan wonen

76

Recinzione elettrica

Schrik.draad

77

Tagliare gli alberi
Abbattere con un' ascia

Afkappen
Afhakken

78

Annaffiamento con cannoni ad acqua

Beregening met waterkanon

79

Il letame

De mest

80

La paglia

De stro

81

Concimare

Mesten

82

La stalla
La mangiatoia

De stal
De voeder.rek (appesa) of de ruif
De voeder.bak

83

La voliera

De voliere

84

La serra

De kas

85

La collinetta artificiale

De terp

De terpentijn acquaragia

86

Argilla

Leem

87

Nuova raccolta

Nieuwe oogst

88

La cascina

De Hoeve

89

La campagna
Una casa in campagna

Het platteland
Een huis op het platteland

90

Vangare / zappare

Omspitten

91

La serra
Riscaldare

Effetto serra

De (broei.)kas
Broeien
Broeierig

Broei.kas.effect

92

L orto

De groenten.tuin =
De moes.tuin

93

Inondare

Overlopen de straat

94

Un chicco

De korrel