Scuola Flashcards Preview

Parole > Scuola > Flashcards

Flashcards in Scuola Deck (166):
0

La cancelleria

Schrijf.benodigd.heden

1

Insegnare
L insegnamento
La scuoka pubblicap

Onderwijzen
Het onderwijs
Openbare onderwijs

2

Metti della colla sulla carta

Doe lijm op het papier

3

Con attenzione

Ingespannen

4

La cucitrice
La puntina
La colla
La colla liquida

De niet.machine
Het nietje
De lijm
De vloeibare lijm

5

A che ora finisce la scuola?
A che ora esci da scuola?

Hoe laat gaat de school uit?
Hoe laat kom je van school?

6

Istruttivo

Leerzaam

7

L insegnamento
L insegnante

Het onderwijs
De onderwijzer
De leerkracht

8

L appello
Presente
Assente

De oproep
Aanwezig
Afwezig

9

L astuccio
La matita
Il quaderno

Het etui
Het potlood
Het schrift

10

I pennelli

De kwasten

11

L aula

De klas.lokaal

12

Ritagliare
Incollare

Knippen
Plakken

13

Het school.bord
Het kritje

Het school.bord
Het krijtje

14

Copiare da qualcuno

Spieken

15

Avere lezione (universitaria)

College hebben.
Ik heb college.

16

Essere promossi, superare

Slagen, slaagde, geslagen (r)

17

Elena e' promossa / bocciata per la sua patente

Elena
Is geslaagd
Is gezakt
Voor haar rijbewijs.

18

Non riesco a concentrarmi

Ik kan me niet concentreren

19

Prendere i bambini da scuola.

De kinderen van school halen.

20

Fare domande
Rispondere su

Vragen stellen
Beantworden over

22

Autodidatta

Autodidact
Autodidacte

23

Il collegio

het internaat

24

Quaderno ad anelli

De klapper

25

Eccellere

Un asso / genio in ...

Uitblinken

Uitblinker in wiskunde

26

Il margine

De kant.lijn

27

Essere portato per

Avere mentalita' commerciane

Ingesteld zijn op

Commerciaal ingesteld zijn

28

Scrivi la seguente cosa

Schreef het volgende

29

Prendere una sufficienza

Een voldoende halen

30

Superare un esame
Fallire un esame

Slagen
Zakken

31

Ripetere l ' anno
(Essere bocciato)

Blijven zitten

32

Il merito

De verdienste

33

Voto finale

Eindcijfer

34

Supplenza

De vervanging

De vervanger

35

Iniziare daccapo

Opnieuw beginnen

56

Lecchino

Uitslover
Uitsloven : sgobbare

57

Copiare

Afkijken

58

Schizzare

Schetsen

59

Ripassare

Doornemen

60

Ripetere

Nazeggen

61

Ho letto

Ik heb
Tot bladzijde 40
Gelezen

62

Seguire una lezione

Seguire un tiricinio

College lopen

Stage lopen

63

Lasciare copiare qq

Iem laten afkijken

64

Richiamare l attenzione

Prestare attenzione

De aandacht opeisen

De aandacht besteden

65

Prepararsi per

Zich
Klaarmaken om/
Voorbereiden voor

66

Antologia

Bloem.lezing

67

E studente di medicina al secondo anno

Hij is
Tweedejaars.student
Medicijnen

68

Interrompere
Sospendere

Onderbreken
Opschorten

69

Smettere

Ophouden

Smettila!

70

Iniziare daccapo

Opnieuw beginnen

71

Continuare

Doorgaan

72

Finire (di fare)

Essere finito

Stoppen met

Aflopen

73

Ascoltare attentamente

Aandachtig
Luisteren

74

Fare progressi

Op streek zijn

75

Lezione privata
Ripetizione /
Migliorare , approfondire

Bijles /
Bij.spijkeren

76

Ottenere risultati
Ottenere successo

Resultaten
Succes

Boeken

77

La lezione e' finita

De college is afgelopen

78

Un esame

Tentamen
Een t Halen
Voor een t zakken

Een onvoldoende krijgen

79

Distribuire insufficienze

Onvoldoendes
Uitdelen

80

Qusta parola si trova spesso

Dit word komt VEEL voor

Voorkomen

81

Iscriversi a un corso

Zich
Aanmelden

Zich opgeven VOOR

82

La comprensione (di un concetto)
La nozione/concetto

Het begrip

83

Annotare

Opnemen

84

Porre una domanda

Een vraag
Stellen

85

Corso universitario/ obbligatorio

Verplichte vak

86

Carta
Foglio
Strscia
Palla

Het papier
Het Vel
De Strook
De Prop

87

Consiglio di studio vincolante
Comunicazione di una istituzione

Een Bindend studieadvies is
Een medededing van een instelling

88

Ho difficolta' a pronunciare

Ik heb moeite
Om het word " soep" uit te spreken

89

Essere capace di
Essere in grado di

In staat zijn
Om

90

Complicato

Ingewikkeld

91

Studiare e ottenere risultato

Studeren en
Resultaten boeken

92

Compito

Opdracht

Oprecht sincero

93

Carta riciclata

Kringloop.papier

94

L acquisizione della seconda lingua

De verwerving

Verwerven : acquisire

95

La comprensione

Het begrip
La nozione , il concetto

96

Una striscia di carta

Een strook papier

97

Fare ricerca

Onderzoeken

98

Formarsi un idea generale

Zich
Een overzicht
Vormen

99

Vuole delle informazioni sul programma? Allora puo'
prendere contatto
col docente

Wilt U informatie
Over het programma ?
Dan kunt U
contact opnemen
met de docent.

100

Corso obbligatorio

L obbligo

Verplicht vak

De verplichting

101

L attenzione

De aandacht

102

Un proiettore

De Beamer

103

Come va a scuola?

Hoe gaat het op school?

104

Valutare

Evalueren

105

Di alto livello culturale

Hoog opgeleid

106

Spiegare
Interpretare

Uitleggen

107

Mancanza / insufficienza di capacita' didattica

Gebrek aan
Didactische vaardigheden

108

Bilingue

Tweetalig

109

Bilingue

Tweetalig

110

Interesse

De belang.stelling

111

Obliquo , sbilenco, non dritto

Scheef

112

Sostenere una prova di capacita'

Een proeve
van Bekwaam.heid
Afleggen

113

Osservazione

Opmerking

114

Recitare / declamare

Voordragen

115

Un esempio perfetto

Een sprekende voorbeld

116

Giudizio

Beoordeling

117

Prendere (come voto)

Scoren = usare eroina - fare sesso
Een tien scoren
Bij het examen slecht scoren

118

Avere la media del 7

Gemiddeld
Een 7
Staan

119

Lecchino

Uit.slover
Stroop.likker

120

Una piazza, tutt'attorno piantumata con alberi

Una piazza con le case tutte attorno

Een plein, rondom beplant met bomen.

Een plein met de huisen rondom

121

Un corso di...

Een cursus health development

122

Un master

Master.opleiding

123

Rivedere / ritornare su

Terugkomen op

124

Essere in viaggio: questo lo faccio bene

Onderweg zijn : dat kan ik goed.

125

Scotch

Plakband

126

La ripetizione

Il corso , lezione, esercizio di ripetizione

De herhaling

De herhalings.
Cursus , les , oefening

127

Disimparare

Verleren

Fietsen verleren je nooit

128

Risposta alle domande

Antwoord op de vragen

129

Il corsista
La corsista

De cursist
De cursiste

130

Posso fare qualche domanda?

Mag ik
Een paar vragen
Stellen?

131

La favola
tratta di / parla di...

Het sprookje
Gaat over...

132

Un foglietto

Een velletje (postzegels)

133

Fare quello che si puo', con quello che si ha

Roeien
Met de riemen
Die iemand hebt

134

Capire al volo

Direct snappen

135

Trial end error

Op vallen en opstaan

136

Promosso!

Geslagd!

137

Dominare un argomento

Onder de knie hebben

138

Leggere fino alla fine

Doorlezen

139

Sfogliare un libro

Vluchtig doorlezen

140

Sono in prima

Ik zit in het eerste jaar.

141

Fare una domanda stupida.

Een domme vraag stellen

142

Exploit

Stunt

143

L' ho detto giusto?
Ho fatto un errore?

Heb ik het goed gezegd?
Heb ik een fout gemaakt?

144

Corso intensivo

Spoed.cursus

145

Risultato della addizione

De Uitkomst
Van de optelling

146

Io parlo un olandese stentato

Ik spreek
Gebrekkig
Nederlands

147

Seguire uno studente

Een leerling
Begeleiden

Accompagnare

148

Rileggere

Dare una scorsa

Overlezen

Doorlezen

149

Lui insegna a lekka come si apre la porta.
Lekka sta attenta.

Hij leert Lekka hoe
De deur open gaat.
Lekka let goed op.

151

Nel mezzo del cerchio

Middenin de kring

152

Superare un esame
Superare lo scritto

Slagen

Voor het schrijftelijk
Voor een examen

153

Essere bocciati

Blijven zitten

154

Pronunciare alla francese

Op z'n Frans
Uitspraken

155

L. Esame orale

Het Mondelinge examen

156

Mille ragioni per farlo

Duizend redenen
Om het te doen

157

Supplente
Supplenza

Sostituire

Vervanger/ vangster
Vervanging

Vervangen

158

A
Viene confuso
con B

A
wordt Verward
Met B

159

Essere promosso
Essere respinto, bocciato

Slagen
Zakken

160

(Frase) a doppio senso

Dubbelzinnig

161

Non vuole
Andare a
Scuola

Hij wil niet
Naar school
Toe gaan

Toegaan chiudersi, serrarsi (accadere)

162

Voglio imparare a parlare meglio il tedesco

Ik wil
Beter
Duits
Leren spreken.

163

Esprimersi

Zich uitdrukken

164

Non riesco a
Esprimermi in modo chiaro

Ik slag er niet in
Duidelijk uit te drukken

165

Farcela a
Riuscire a

Erin slagen

166

Scuola dell obbligo

Verplicht onderwijs

167

Scuola pubblica

Openbare school

168

Parlo italiano dluentemente

Ik spreek vloeiend Italiaans

169

Il custode (di edificio pubblico)

De concierge

170

La classe (locale)
La lavagna
Il quaderno

Het lokaal
Het bord
Het schrift

171

Prendi il libro
Metti giu' il libro
Metti il libro in cartella

Pak het boek uit de kast
Leg het boek op de tafel
Doe het boek in de tas

172

Fare le crocette
Sbarrare
Riempire gli spazi
Scrivere

Aankruisen
Doorstrepen
Invullen
Opschrijven

173

Ripetere (quello che ho detto)
Contare

Nazeggen
Tellen

174

L intervallo

De pauze

175

Mi aiuterebbe?

Wilt U helpen?

176

Silenzio! Non riesco a concentrarmi!

Stil!
Ik kan me niet
concentreren!

177

Fare crocette
Sbarrare
Tirare una linea

Aankruizen
Doorstrepen
Een lijn trekken van X naar Y.

178

Hai capito?
Si ho capito

Begrijp je het?
Ik begrijp het wel.

179

Alzare la mano

Zijn vinger opsteken

Steekt op

180

Chiedere aiuto a qq

Mi aiuti?
Si, certo

Iem om hulp vragen

Wil je helpen?
Kun je helpen?
Ja hoor, ik kan wel.

181

Girarsi

Vai a sederti!
Alzati!

Zich omdraaien

Ga zitten!
Sta op! Opstaan

182

Ho una domanda per te
Ho una proposta (suggerimento) per te

Ik heb
een voorstel
Voor jou

183

Stai di fianco a Ruth in classe?

Zit je
naast Ruth
in de klas?

184

Cercare una soluzione

Een oplossing
Zoeken

185

Cancellare

Uitvegen

186

Una copia autenticata
Diploma/certificato

Een Gewaarmerkte kopie
Diploma/ getuig.schrift

187

Rilasciare un diploma

Een diploma
Afgeven