Er Flashcards Preview

Parole > Er > Flashcards

Flashcards in Er Deck (45):
0

Essere d accordo -1

Ermee eens zijn
Ik ben het ER (niet) MEE eens

1

Non ne vengo a capo -2

Ik kom ER niet uit

2

Come va? -3

Hoe is (gaat) ERMEE?

3

Posso passare? -4

Mag ik ER even langs?

4

C'e' stato un contrattempo -5

Er is iets tussen gekomen

5

Dipende -6

Het ligt eraan/
Het hangt ervan af

6

Ho finito/ e' fatta ( per oggi ) -7

Het zit erop (voor vandaag).
Het werk erop zit.

7

Non fa niente -8

Het doet ER niet toe

8

Non ci sono ancora arrivato ( a finire un compito) - 9

Ik ben ER niet aan toe gekomen.

9

Me ne vado - 10

Ik ga ervan door.

10

Cascarci- 12

Erin tuinen
Erin lopen

11

Sembrare -13

Eruit zien

12

Avere intenzione di -14

Eruit zijn

19

Cosa c' e' ? -15

Wat is er?

23

Che c'e' che non va?
Che c'e' di sbagliato?

Wat is ER mis MEE?

Mis! Sbagliato!
Dat is Niet mis! Niente male!!

24

Se la cava bene/male -16

Hij brengt het ER goed/slecht af

25

Se l' e' cavata bene -17

Hij komt ER goed af

26

Ne ho voglia -18

Ik heb ER zin IN

27

Mi pesa - 19

Ik zie ER tegenop

Je te moeten schrijven

28

Ci e' abituato - 20

Hij is ERAAN gewend (?)

29

Non trovarci - 21
Non ci trovo niente (di speciale).
Non lo trovo un gran che.

Ik vind er niks aan.
Ik vind er niet veel aan.

30

Le 4 funzioni: Locativa

Hij woont er al drie jaar.

Quando la forma e' stressed, come a inizio frase: daar
Daar woont hij al drie jaar.

31

Qui c'e' un coltello.
Ci puoi tagliare carne?

Hier is een mes.
Kun je daar vlees snijden?

32

Le 4 funzioni di ER

Locativa: daar
Partitiva:ik heb er vier.
Soggetto indefinito: er staat een man
Pronominale: "con" esso

33

Le 4 funzioni: locativa

-Al'epoca era a casa
- e ci e' ancora

Toen was hij thuis.
En hij is er nog!

34

Le 4 funzioni: Partitiva

Ik heb er drie.
Ik heb er geen.?
Ik heb er genoeg.

35

Le 4 funzioni
Soggetto indefinito -presente- in frase passiva

Er worden tweedehands meubels op de markt verkocht.

36

Le 4 funzioni:
Soggetto indefinito

Zijn-staan-liggen-hangen

ER staat een man op de hoek.
Vanmorgen was ER geen melk in de koelkast.
Is ER geen melk in de koelkast?

37

C' erano molte persone
Alla posta?
Solo tre.

B

38

Le 4 funzioni
Soggetto indefinito - assente- in frase passiva

Er wordt hier - hard gewerkt.

39

Le 4 funzioni: pronominale

Questi sono i fiori che amo di piu'

Dit zijn de bloemen WAAR ik het meest VAN hou.

40

Le 4 funzioni: pronominale

Ti piace il caffe?
No, non lo amo

Vind je koffie lekker?
Nee ik houd er niet van.

41

Le 4 funzioni: partitiva

Ho bisogno di una penna. Ce ne hai una?

Ik heb een pen nodig. Heb je er geen?

42

Le 4 funzioni : pronominale
La casa si trova nel bosco e intorno c e' un grande giardino.

Het huis staat in het bos en eromheen ligt een grote tuin.

43

Le 4 funzioni: pronominale con particella

Er/avverbio

Erin
Erop/eronder
Ervoor/erachter
Ertegen
Ernaast

44

Le 4 funzioni: pronominale

Ho scritto al suo capo alcune lettere, ma non ho ricevuto nessuna risposta su cio'.

Ik heb uw chef een paar brieven geschreven, maar ik heb er geen reactie op gekregen.

Reactie op een brief.

45

Che ne e ' stato di lui?

Wat is er van hem terecht.gekomen?

46

Non ci arrivo
Non lo sopporto

Ik kan er niet bij
Ik kan er niet tegen

47

E' urgente

Er is haast bij!

48

Cosa ti e' succasso?

Wat is er
Met je
Gebeurd?

49

Buttarsi , lanciarsi

Waag het eens!

Het erop te wagen

Waag het eens!

50

Mi raccomando!
Acqua in bocca!!!

Denk eraan!
Mondje dicht!!

51

Non dubito che...

Nutro seri dubbi su ... Qualcosa

Ik twijfel er niet aan Dat

Ik twijfel ernstig aan zijn loyaliteit

52

Come sempre
Ci sono
Vantaggi e svantaggi

Zoals altijd
Zijn er
Voor - en nadelen.

53

Io do per scontato
che

Ik ga ERVAN uit
dat...