Scienza Flashcards

0
Q

Massima efficacia con minimo sforzo

A

Maximale effectiviteit met minimale inzet

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
1
Q

Equivalere a

Essere equivalente a

A

Neerkomen op
Is gelijk aan

Gelijkstelken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

La superficie

A

De oppervlakte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

La collezione di francobolli

A

De verzameling postzegels

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Quadrato
Triangolare
Rettangolare

A

Vierkant
Driehoekig
Rechthoekig

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Spesso

Sottile

A

Dik

Dun

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Regolare

Irregolare

A

Regelmatig

Onregelmatig

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

L ingranaggio

A

Het raderwerk

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Il teorema (tesi) di pitagora

A

De stelling van P.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Il liquido
Secchissimo, Bagnato
Arido, surriscaldato
Umido (l umidita’)

A
Het vloeistof
Kurkdroog
Nat
Dor
Verhit
Vochtig (het vocht)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Il solido

Il liquido

A

Vast lichaam

Vloeistof

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q
Il numero
101
102
Ottavo
Ventesimo
Centesimo
A
Het nummer
Honderd een 
Honderd twee
Honderdste
Twintigste
Achtste
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

La potenza

A

De kracht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Obliquo, storto, pendente

A

Scheef (de scheve toren van pisa

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Obliquo

Linea obliqua

A

Schuin

Schuine lijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Il miscuglio

A

Het mengsel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

30 cm sono equivalenti a 3 dm

A

30 cm is gelijk aan 3 dm

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Il materiale

Fazzoletto di cotone

A

De stof

Katoenen handdoek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Oggetto, argomento

A

Het Voorwerp

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Pezzo, componente, parte

A

Het Onderdeel

Een belangrijk onderdeel van

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

La quantita’ e’ aumentata/scesa

A

Het antaal is toegenomen/ gedaalt

Dalen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Quantita’ di appartamenti

A

Aantal appartementen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

La tabella

A

De tabel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Una parte degli studenti

La maggior parte degli olandersi

A

Een deel van de studenten

De meeste Nederlanders

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Causa
Effetto

Per motivi sconosciuti

A

De Oorzaak, de rede

Het Effect, het gevolg

Door onbekende oorzaak

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

L equilibrio

A

De balans

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Il punto piu alto e quello piu’ basso

A

Het bovenste en onderste punt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

L apparecchio

A

De apparaat

De toestel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Occupare , prendere spazio (detto di oggetti)

Starci

A

Innemen

Passen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

L oggetto

A

De voorwerp

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Determinare

A

Bepalen

Het gewicht bepaalt hoe duur het versturen van de pakket is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Dipendere da

A

Hangen er vanaf

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Sotto il livello del mare

A

Onder de zeespiegel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Mercurio

A

Kwik

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

La linea orizz

A

De horizontale
Verticale
Diagonale lijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Il grafico

A

De grafiek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Il cono

A

De kegel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

Parallelo a

A

Evenwijdig aan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

Uguale a
Identico a
Analogo a

A

Gelijk aan
Identiek aan
Analoog aan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q

Direttamente proporzionale a

Inversamente proporzionale a

A

Recht evenredig aan

Omgekeerd evenredig aan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
40
Q

Eventualita’

A

De Eventualiteit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
41
Q
Il quarzo
Acciaio
Asbesto
La pietra
Il rame
Il nikel
Il diamante
A
Het kwarts
Het staal
Het asbest
Het steen
Het koper
Het nikkel
Het diamant (singolo: de diamant)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
42
Q

Causare

A

Veroorzaken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
43
Q

L impatto

A

De inslaag

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
44
Q

L effetto

La ripercussione

A

Het effect

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
45
Q

Ho le mani viola.

Questo dipende dal freddo.

A
Ik heb parse handen. 
Dat komt van/door de kou.
Dat ligt aan de kou.
Komen van
Liggen aan
46
Q

Eccetto il fatto che

A

Behalve dat…

47
Q

Smisurato

A

Mateloos

48
Q

La causa del crollo

A

De oorzaak van de instorting

49
Q

Il cm
Il m
Il km

A

De centimeter
De meter
De kilometer

50
Q

Il g
100 g
500 g
Il kg

A

Het gram
Het ons
Het pond
Het kilo

51
Q

La maggioranza

A

De meerderheid

Minderheid

52
Q

Essere sufficiente per

Ce ne e’ a sufficienza per

A

Voldoende zijn om

Dit is voldoende om

53
Q

Narscere, formare, crearsi da

A

Ontstaan uit

54
Q

Il diametro

A

Diameter

De doorsnede

55
Q

Il doppio

Il triplo

A

Dubbel
Driedubbel

Dubbel betalen

56
Q

A meta’

Rompere

A

Doormidden

Breken

57
Q

A meta’

Rompere

A

Doormidden

Breken

58
Q

La formazione
La fondazione
La composizione

A

De vorming
De stichting
De samenstelling

59
Q

Il numero pari
Il numero intero
Moltiplicare un numero per 8
Per arrotondare la cifra

A

Het even getal
Het heel getal
Een getal MET 8 vermenigvuldigen
Om het getal VOL Te maken

60
Q

Consistere in

A

Bestaan uit

61
Q

L elasticita’

A

De rek

62
Q

La Causa

A

De oorzaak

Door onbekende oorzaak

63
Q

Sommare

Sottrarre

A

Optellen
Aftrekken
Vermenigduldigen
Delen

64
Q

2 Per tre fa 6

A

Drie keer 4 is 6

Maal (scient)

65
Q

Due piu2

A
2en 2
2 plus (scient) is
66
Q

Diviso per

Meno

A

Gedeeld door

Min

67
Q

Il quadrato
Il rettangolo
Il cerchio - rotondo
Il triangolo

A

Het vierkant
De cirkel - rond
De driehoek
De rechthoek

68
Q

Ovale

A

Ovaal

69
Q

Sottile

Largo

A

Dun

Breed

70
Q
Il cubo
La piramide
Il cono
La sfera
Il tubo
A
De kubus
De piramide
De bol
De buis
De kegel
71
Q

La curva

A

De bocht

72
Q

Modellare - dare una forma

Urtare

A

Boetseren

Botsen

73
Q

Il litre

A

De liter

74
Q

La quantita

A

De hoeveelheid

75
Q

Di piu

Di meno

A

Meer

Minder

76
Q

Il pezzo

A

Het stuk

77
Q

Misurare

A

Meten

78
Q

Sottostimare

A

Onderschatten

79
Q

Causare

A

Veroorzaken

Oorzaak

80
Q

Classificare, dividere, inquadrare

A

Indelen

81
Q

La misura, la quantita’

A

De maat :: mate

Een grote mate van

82
Q

Gli archeologi hanno fatto molti scavi

A

Archeologen hebben veel opgravingen gedaan.

83
Q

Il contrario

A

Het tegendeel

84
Q

Ovvio

A

VanZelf.sprekend

85
Q

Classificazione per argomento

A

Indeling naar onderwerp

86
Q

Argomentazione scientifica

Dimostrazione : vertoon

A

Wetenschappelijk betoog

87
Q

Visione, concezione

A

OpvAtting

88
Q

Sensato

A

Verstandig

89
Q

Per approssimazione

A

Bij benadering

Benaderen : avvicinare

90
Q

La tesi

Il teorema

A

De stelling

91
Q

Dedurre

A

Opmaken uit

92
Q

Il risultato (di una operazione)

A

De uitkomst

93
Q

Aumentare a vista d’occhio

A

Zienderogen

Toenemen

94
Q

Il liquido

A

Het vocht

95
Q

La scoperta

La invenzione

A

De ontdekking

De uitvinding

96
Q

Il fondatore della teoria dell evoluzione

A

De grondlegger van de evolutie theorie

97
Q

Il concetto

Il concetto di liberta’

A

Het begrip

Het begrip ‘ vrijheid’

98
Q

Il significato

A

De betekenis

99
Q

Essere certo

A

Vast.staan

Dat staat vast!

100
Q

L elasticita’

A

De rek

Het droog.rek
Het klim.rek

101
Q

Qualita’, proprieta’

A

De Eigenschap

102
Q

Probabilmente

A

Waarschijnlijk

103
Q

Consistere in

A

Bestaan uit

104
Q

Confronta la descrizione con il disegno

A

Vergelijk
De beschrijving
Met het plaatje

105
Q

Appartenere alla categoria “ xxx “

Rientrare in

A

Vallen onder “ fastfood “

106
Q

Patatine e hamburger
Cadono
Sotto fastfood

A

Vallen onder

Fastfood

107
Q

Questo dipende dalla cronica mancanza di tempo.

A

Dat komt door
Het chronische gebrek
Aan tijd.

108
Q

Dipendere

Dipende

A

Liggen

Dat ligt eraan

109
Q

La Veiland
appartiene alle/ fa parte delle
Isole dello waddenzee

A

Veiland
Behoort tot
De Waddeneilanden

110
Q

Condizioni

A

Voor.waarden

111
Q

E’ limitato a 6

A

Is beperkt tot zes.

112
Q

Parallelogramma

A

Parallelogram