Computer Flashcards Preview

Parole > Computer > Flashcards

Flashcards in Computer Deck (30):
0

La memoria

Het geheugen

1

Tagliare
Kopiare
Incollare

Knippen
Kopie:ren
Plakken

2

Installare
Stampare
Salvare
Scaricare
Fare log-in

Installeren
Printen - printte
Opslaan
Downloaden
Aanmelden- inloggen

3

Lo schermo

Het scherm

4

La homepage

De thuis pagina

5

Il favorito

De bladwijzer

6

La parola chiave

De trefwoord

7

Il link

De link

8

Chiocciola
Punto
Slash

Apestaartje
Punt
Schuine streep

9

La bozza

Het concept

10

Lavorare al computer

Werken op de computer

11

Quale e' la differenza tra la fibra ottica e il cavo adsl?

Wat is het verschil tussen Glasvezel en Adsl kabel?

12

L applicazione

De toepassing

13

Comprare via internet

Kopen via internet

14

Pagare mediante computer

Per computer betalen.

15

Con un abbonamento a Telpay puoi pagare attraverso il computer.

Met een abonnement OP telpay kunt U per computer betalen.

16

Fare richiesta mediante questo modulo

Met dit formulier aanvragen.

17

Mettere la firma

De handtekening zetten.

18

Il saldo

Het saldo

19

La segreteria automatica

De voicemail
Spreekt U de gegevens NA de piep.

20

Accedere (fare log in)
Chiudere (fare log out)

Aanmelden
Afmelden

21

Navigo in internet.
In un sito fantastico

Ik surf
Op het internet.
Op een fantastische site.

22

Gioco volentieri
ai videogame.
Col computer

Ik speel graag
Videogames.
Met de computer

23

Piazzare un ordinazione

Een bestelling plaatsen

24

Un sito che era
dedicato agli hobbies

Een site die
Aan de hobby's
Besteed was

25

Mi piace twittare

Ik vind het leuk
Om te twitteren.

26

Togliere l' amicizia su facebook

Ontvrienden op facebook.

27

L utente medio
E' una donna.

De gemiddelde gebruiker
Is een vrouw.

28

Intelligenza artificiale

Kunstmatige intelligentie

29

Premere un tasto

Een toets
Aanslaan