Tijd Flashcards Preview

Parole > Tijd > Flashcards

Flashcards in Tijd Deck (215):
0

A meta' mattina

Halverwege de ochtend

1

Di mattina, in mattinata

'S ochtends

2

L ultima e la penultima volta

Laatste en voorlaatste keer

3

Immediatamente

Onmiddelijk

4

Sempre piu' frequentemente

Steeds vaaker
Steeds minder vaaker

5

Per poco tempo

Voor een tijdje

6

Attualmente / Oggigiorno

Nel frattempo

Tegenwoordig / vandaag de dag

Tegelijkertijd

7

Ogni sabato

Iedere zaterdag

8

Consegnare entro due giorni lavorativi

Bezorgen binnen twee werkdagen

9

3 volte alla settimana
Un po' di volte

3 keer (maal) per week
Een paar keer

10

Dopo quanti anni hai bisogno di una nuova patente?

Entro quanti giorni devi far sapere questo al comune?

Na hoeveel jaar heb je ... Nodig?

Binnen hoeveel werkdagen moet je dit laten weten op het gemeentehuis?

11

Io sono qui cliente da un anno.
(Continua nel presente)

Ik ben hier al een jaar klant.

12

Io non vivo in Olanda da anni.
(Continua nel presente)

Ik woon al jaren niet in Nederland.

13

Non succede tutti i giorni che ti vedo.

Het gebeurt niet iedere dag dat ik jou zie.

15

Hai un secondo di pazienza, pf?

Heb je een ogenblik geduld, aub?

16

Hans vive gia' da anni allo stesso indirizzo.

Hans woont al jarenlang op hetzelfde adres.

17

Sforare.
Sforare di 10 minuti

Uitlopen
10 minuten uitlopen

18

Anche io non ho mica tempo tutto il giorno

Ik heb ook niet de hele dag de tijd.

19

Tutto il tempo

De hele tijd

20

Di nuovo

Weer

21

Passare molto tempo aan

Veel tijd besteden aan

22

Traslocare costa tanto tempo.

Verhuizen kost veel tijd

23

Ogni volta.
Tutte le volte che

Telkens.
Op telkens als

24

Sono raffreddato da 2 settimane.

Ik ben sinds 2 weken verkouden.

25

Meno frequentemente

Minder vaak

27

ogni 3 mesi
Ogni ora
Ogni morte di papa

Eens in drie manden.
Eens in het uur.
Eens in de honderd jaar

28

Piuttosto spesso

Nogal eens.

29

Avanzare del tempo

Hebben een beetje tijd over

30

intanto, per il momento
Intanto Grazie!

Alvast
Alvast bedankt.

Ga maar alvast, ik kom zo.

31

Subito
Subito pronto
Arrivo subito

Zo
Ik ben zo klaar.
Ik kom zo.

32

Alla prox volta!

Tot de volgende keer!

33

Hai un momento?

Heeft u een ogenblik?

34

E' gia' cosi' tardi?

Is het al zo laat?

35

Inizialmente

Aanvankelijk
Het leek er aanvankelijk op dat...

36

Gradualmente
Improvvisamente

Geleidelijk
Plotseling

Het boompje Ontwikkde zich geleidelijk tot een machtige eik

37

Sforare di 10 minuti

10 minuten uitvoeren

38

Da quanto tempo vivi a Milano?
Oh, dal 2002, percio' gia' da una quantita' di anni..

Hoe lang woon je al in Milaan?
Oh, sinds 2002, dus al een antaal jaren.

39

Partiamo tra 1 settimana. E' tra poco

We vertrekken over 1 week. Dat is al gauw!

40

Il piu' presto possibile

Zo gauw mogelijk.

41

Nel frattempo

Ondertussen

42

Durante il pranzo

Tijdens de lunch

43

A quel tempo, cento anni fa,

Destijds, honderd jaar geleden,...

44

Un attimo

Het ogenblik

45

Chi ha cantato piu' a lungo?

Wie heeft het langst
Gezongen?

46

Da adesso in poi

Vanaf nu

47

Fino ad oggi

Tot op de dag van vandaag

48

Peccato per il tempo

Zonde van de tijd

49

Leo e gia' venuto qui in precedenza

U bent eerder bij ons geweest

50

Da stamattina

Sinds vanmorgen

51

Gisteren, ergisteren en de dag daarvoor

Ieri, ieri l 'altro e il giorno prima

52

Non oltre mezzanotte

Niet na ...
Niet later dan ...

53

La lancetta indjca le tre

De wijzer staat op de drie

54

E ' mezzanotte passata.

Het is na twalven.

55

Tre volte su cinque

Drie keer van de vijf

56

Vernice fresca!

Pas geverfd!

57

Per ore

Urenlang

58

Giorno
Il giorno prima/dopo
Il giorno successivo
Il giorno prima

De dag daarvoor/daarna
De dag daarop
De dag tevoren

59

Entro una settimana

Binnen een week

60

A settimane alterne

Om de (andere) week

61

Dalla prossima settimana

Vanaf de volgende week

62

Durante la settimana

Door de week
Op werkdagen

63

All inizio di gennaio
A meta' gennaio
Alla fine di gennaio

Begin january
Half january
Eind january

64

Ore
Ore fa
2 ore fa

Uren geleden
2 uren geleden

65

Nel frattempo

Intussen

66

La pausa e' passata, proseguiamo la lezione.

De pause is voorbij, wij vervolgen de les.

Voorbij.gaan. Oltrepassare

67

Ripetutamente
Again and again

Steeds weer

68

Asap

Zo gauw mogelijk

69

In un attimo

Straks
Zo Meteen
Zo
Direct

70

Due volte
Alcune volte

Twee keer, tweemaal
Een paar keer

71

Esattamente in orario
Tardi
Presto

Stipt op tijd
Te laat
Te vroeg

72

Che numero e' oggi?

De hoeveelste is het vandaag?

73

Aspette un momento,
Vieni un attimo a vedere.

Wacht even (tjes)!
Kom hier even kijken!

74

//Da poco//
Sono tornato da poco
Lavoro la' da pochi mesi
//per poco//
Ho lavorato la' per pochi mesi

Ik ben Net terug van de vergatering.
Ik heb daar pas 3 maanden gewerkt.

Ik heb daar maar 3 maanden gewerkt.

75

Di martedi

Dinsdags
Donderdags
Vrijdags
Zaterdags

76

Tra poco
Un momento fa

Straks

77

La volta prossima
Questa volta

De volgende keer
Deze/ dit keer

78

Egli aveva un grande giardino prima che traslocasse.

Hij had een grote tuin voordat hij verhuisde.

79

A quel tempo, lei parlava solo inglese.

Toen sprak ze alleen maar Engels.

80

All ' epoca era a casa.
E ci e' ancora

- Hij was toen thuis
- en hij is er nog!

81

L orologio e' un ora avanti
L orologio va bene
Sincronizzare gli orologi

In senso orario

De klok loopt een uur voor.
De klok loopt gelijk.
De klokken gelijk.zetten

Met de klok mee

82

Il fuso orario
La differenza di fuso orario

De tijdzone

De tijds.verschil

83

Nel cuore della notte

In het holdt van de nacht

84

Siamo stati in treno tre ore / tre quarti d'ora.

Wij Hebben drie uur / dri kwartier in de trein gezeten.

85

Originariamente
Improvvisamente

Oorspronkelijk
Onmiddelijk

86

Piu' di 10 anni fa

Ruim 10 jaar geleden

87

All ' arrivo

Bij aankomst

88

Senza fine (infinito)
La fine
La parte finale
Alla fine di maggio

Eindeloos
Het einde
Het eind
Eind juli

89

Passare (il tempo)

Duren

90

Tempo per pensarci

De Bedenk.tijd

91

Di nuovo

Opnieuw

92

Appena in tempo

Net op tijd

93

Un numero incalcolabile di volte

Ontelbare malen

94

Troppo tardi!

Veel te laat!

95

Molto prima

Veel eerder

96

Finche'

Zolang

97

Nel mezzo della notte

Middenin de nacht

98

Alla fine

Toch nog

Het is hem
Toch nog
Geslaagd

99

Or ora
Oggi stesso

Net nog
Vandaag nog

100

Fino ad ora

Tot nog toe

101

Prima o poi

Vroeg of laat

102

Prima e',
Meglio e'

Hoe vroeger,
Hoe beter.

103

Nel corso del giorno

In de loop van de dag

104

Il giorno inteasettimanale

Doordeweekse dag
Door de week
In het weekend

105

All imbrunire

In de schemering

Zons.opgaan
Zons.ondergaan

106

Di volta in volta

Keer op keer

107

Appena / solo / da appena/

Net
Ik ben net terug.
Maar
Ik heb daar MAAR 3 W gewerkt (e adesso non piu')
Pas
Ik heb daar PAS 3 w gewerkt (e ci lavoro ancora).

108

Inizialmente

Aanvankelijk

Liever dan hij aanvankelijk had gedacht.

109

Recentemente

Recentelijk

110

Regolarmente
Quel ragazzo arriva regolarmente in ritardo

Steevast

Die jongen komt steevast te laat

111

Non appena

Pas als

112

Iniziare

Interrompere
Sospendere (una riunione)

Beginnen

Onderbreken
Schorsen
Nb schors :corteccia

113

Finalmente, insomma

Alla fine

Tutto sommato, in fin dei conti

Eindelijk

Uiteindelijk

Tenslotte

114

A tempi regolari

Op vaste tijden

115

Continuamente

De hele tijd
Aan de lopende band

116

Dopo circa tre quarti (d 'ora)

Na ruim
Drie kwartier

117

Dopo aver aspettato

Na wachten

118

Il piu' presto possibile

Zo snel mogelijk
ZSM

119

Fino alla nausea

Tot
Vervelens toe

120

Nel tardo pomeriggio

Laat in de middag

121

Temporaneamente, per il momento

Voorlopig

122

Non ho ancora finito. Ancora qualche momentino.

Ik ben nog niet klaar. Nog eventjes!

123

Quello succede non tutti i gg

Dat gebeurt niet iedere dag

124

Voi intanto andate, io arrivo subito

Ga maar alvast, ik kom zo.

125

Intanto

Vast
Alvast

126

Immediatamente

Dattero

Artefice

Dadelijk

Dadel

Dader

127

L orologio
Spostare le lancette

De klok
De wijzers verzetten

Verzetten: spostare o rimandare

128

Quell uomo di poco tempo fa

Die man van straks

129

Sfruttare appieno il mio tempo

Woekeren met mijn tijd

130

Di punto in bianco
All improvviso

Zo maar ineens.
Opeens.

131

Mai e poi mai!
Mai nella mia vita!
O adesso o mai piu'!

Nooit niet! (Inf)
Nooit van mijn leven!
Nu of nooit!

132

A che ora, precisamente?

Hoe laat precies?

133

Martedi della prossima settimana

Volgende week maandag

134

Subire un ritardo - un rallentamento

De werkzaamheden zijn vertraagd.
De pc wordt vertraagd.

135

Lei deve avere ancora un po' di pazienza

Ze moet
Nog even geduld
Hebben

136

Frequente ,comune

Voorkomend

137

4 anni di fila

4 jaar op rij

138

Un attimo dopo

Even later

139

La data

De datum

140

Farcela (in tempo)

HET redden

Want anders red ik het niet.

141

Oggigiorno

Vandaag de dag

142

Prima o poi

Vroeg of laat

143

All inizio della primavera

Vroeg in het voorjaar

144

La sera prima
Poco prima

De avond tevoren
Even tevoren

145

Prima di..verbo infinito

Alvorens ... te weggaan

146

Non e' ancora ora

Het is nog niet zover

147

Di rado

Zelden

148

L ultima volta

De laatste tijd

148

A volte

Zelden

149

Rivista settimanale

Weekblad

150

Normalmente

Normaal

151

In generale

Over het algemeen

153

Attuale
Provvisorio

Huidig
Voorlopig

154

Per il momento

Voorlopig

155

Infine,
Alla fine (di)

Ten slotte

Ten slotte van de fikm

156

Alla fin fine , dopotutto, tutto sommato

Tenslotte

157

Fino ad allora

Tot dan toe

158

Scaduto

Verlopen

159

In fin dei conti

Immers

160

Fissare un termine

Vaststellen
Een termijn vaststellen

161

Poco tempo fa

Een poosje geleden

163

In fin dei conti

Immers

164

Mai piu'

Nimmer

Hij zal nimmer terugkeren naar zijn land

165

Alla fine. Finalmente

Ten einde raad

166

Stamattina presto

Vanochtend vroeg

167

Non molto dopo

Niet lang daarna

168

Poco meno di un anno

Een klein jaar

169

Negli anni (attraverso gli anni)

Door de jaren heen

170

Anno dopo anno

Jaar in , jaar uit

171

Ogni anno

Ogni 2 anni
Ogni 4 anni

Jaar op jaar

Om de tweede jaar
Om de vierde jaar

172

Poco prima delle 9

Tegen negen

173

Tra le lezioni

Tussen de lessen

174

Molto prima

Veel eerder

175

Troppo tardi

Veel te laat

176

Ben presto

Weldra

177

Passare

Doorbrengen

178

A scadenze regolari

Op gezette tijden

Gezet = lijvig = corpulento

179

Piuttosto spesso

Tamelijk vaak

180

Mai in vita mia

Nooit
Van
Mijn leven

181

Posso
spendere meglio
il mio tempo

Ik kan
mijn tijd
beter besteden.

182

Ben presto
Sara' il mio compleanno

Weldra is het mijn verjaardag.

183

In extremis

Op het nippertje

184

Per sempre, definitivamente

Voorgoed

Het is nu voorgoed uit.

185

Esattamente allo stesso tempo/ momento

Precies tegelijk

186

Prematuro (mente) = troppo presto

Voor.tijdig
Hij is voortijdig met zijn opleiding gestopt.
(Hij heeft zijn opleiding afgebroken.)
Een voortijdige beslissing

187

Precoce (mente) = prima del normale

Vroeg.tijdig
Een Vroegtijdige menopauze.
Een vroegtijdige bevalling.
Een v.e huid.veroudering
Een v.e diagnose verbetert de kansen van een patient.

190

Una volta a destra,
Una volta s sinistra

De ene keer links,
De andere keer rechts

191

Una buona volta
Una volta per tutte

Voor goed
Ophouden met roken

193

Di giorno in giorno

Met de dag

194

Giorno per giorno,nel quotidiano

A giorni alterni

Dag in, dag uit

Om de dag

195

Poco fa, poc' anzi

Zojuist

196

Gia' da un po'

Al een tijdje

197

Piu o meno alle dieci

Om een uur of tien

198

Cade di domenica

Valt op zondag

199

Hai 2 ore di tempo

Je hebt 2 uur de tijd

200

Almeno 2 ore

Ten minste 2 uur

201

Costare tempo

Tijd kosten

202

Sempre piu' frequentemente

Steeds vaker

203

Appena partito
Appena arrivato
Appena in tempo

Net vertrokken
Net aangekomen

Net op tijd

204

Non piu'
Appena appena ancora

Niet meer
Termauwernood meer

205

E' durato infinitamente a lungo

Het duurde
Oneindig lang

206

Alla fine
Dovetti ammettere
Che lui aveva ragione

Uiteindelijk
Moest ik toegeven
Dat hij gelijk had.

207

Anno bisestile

Schrikkel.jaar

208

A ritmo tranquillo

In een rustig tempo

209

La ventenne Lies

De twintigjarige lies.
Het vijfjarige jongentje

210

E' trentenne

I trentenni

Is dertiger

Dertigers

214

Accadere
Non verificarsi

Gebeurten
Uitblijven

215

Rimandare

A dopo
A data da destinarsi

Voor onbepaalde tijd
Tot later

Uitstellen

216

Te l ho gia' detto 100 volte

Dat heb ik NU al 100 keer gezegd

217

Ogni giorno
Ogni settimana

Elke dag
Elke week

218

Ieri sera

Gisteravond

219

Da un tempo considerevole

Al geruime tijd

220

Il primo decennio del 21mo secolo

Het eerste decennium van de een.en.twintigste eeuw

221

Non appena

Zodra

222

A quel tempo
Dall ' inizio
Fin dall' inizio
All' inizio
All' improvviso

Destijds
Vanaf het begin
Van begin af - aan
In het begin
Zomaar ineens

223

A quel tempo
Dall ' inizio
Fin dall' inizio
All' inizio
All' improvviso

Destijds
Vanaf het begin
Van begin af - aan
In het begin
Zomaar ineens