fiume mare pesce barca Flashcards Preview

Parole > fiume mare pesce barca > Flashcards

Flashcards in fiume mare pesce barca Deck (254):
1

il tonno

de tonijn

2

la sogliola

de tong

3

l'aringa

de haring

4

il merluzzo

de kabeljauw

5

la platessa (passera di mare)

de schol

6

il salmone

de zalm

7

il nasello

de heek

8

la sardina

de sardine

9

il filetto

de filet

10

il pesce

de vis

11

il pescatore

de visser

12

la pinna

de vin

13

la branchia

de kieuw

14

la lisca

de visgraat

15

i frutti di mare

de zeevruchten

16

la rete

de net

17

la canna da pesca

de hengel

18

l' acquario a boccia

de viskom

19

pulire

uithalen R

20

affumicato

gerookt

21

la cozza

de mossel

22

il crostaceo

het schaaldier

23

i frutti di mare

de zeevruchten

24

l'ostrica

de zwijger

25

il porto

de haven

26

la nave

het schip

27

il capitano

de kapitein

28

il marinaio

de matroos

29

la cabina

de kajuit

30

l'obloo

de patrijspoor

31

il ponte

het dek

32

la zattera di salvataggio

de reddings.boei

33

il salvagente

het zwem.vest

34

la falla

het lek

35

la crociera

de cruise

36

la mappa nautica

de kaart

37

la canoa

de kano

38

lo jacht

de jacht

39

il sottomarino

de onderzeeer

40

la barca

de boot

41

la barca a remi

de roei.boot

42

il ferryboat

de veerboot

43

la vela

het zeil

44

l'ancora

het anker

45

nauseato

zeeziek

46

galleggiare

drijven

47

pagaiare

peddelen R

48

lussuoso

luxueus

49

il molo

het havenhoofd

50

il pontile

de pier

51

l'albero della nave

de mast

52

l'ascia

de bijl

53

l'anguilla

de paling

54

il secchio

de emmer

55

i pattini

de schaats

56

la barca a remi

de roeiboot

57

la sponda

het oever

58

la rete da pesca

de visnet

59

il buco

het gat

60

il palo

de paal

61

la cesta da pesca

de vismand

62

la canna da pesca

de hengel

63

pescare

hengelen R

64

la lenza

het touwtje

65

il freddo

de kou

66

la barchetta

het scheepje

67

tirare

trekken

68

pattinare

schaatsen R

69

la paletta

het schoopje

70

il mulino

de molen

71

il ponte

de brug

72

il pontile

de pier

73

la diga

de dijk

74

l'area

het gebied

75

il polder

de polder

76

scorrere

vloeien R

77

scorrere

stromen door R

78

le paludi

de moeras

79

la flotta

de vlot

80

la chiusa

de sluit

81

Attraccare

aanleggen
Meren

82

la spiaggia

het strand

83

la j

de pier

84

la diga

de dijk

85

la duna

de dune

86

Il mare

de zee

87

Il vento

de wind

88

l onda

de golf

89

le brise lames

de golfbreker

90

le phare

de vuurtoren

91

Nella sabbia

in de zand

92

la cabine de plage

de strandcabine

93

la chaise longue

de strandstoel

94

Materassino

de luchtmatras

95

le paravent

het windscherm

96

la cremae solaire

de zonnebrandcreme

97

La bandiera

de vlag

98

l'essuie de bain

de badhanddoek

99

Il castello di sabbia

het zandkasteel

100

le cuistax

de billenkar

101

le seau

de emmer

102

la boa

de boei

103

L aquilone

de vlieger

104

la paletta

het schepje

105

Soccorritore

de redder

106

la brigade de sauvetage

de reddingsbrigade

107

des gens en detresses

mensen in nood

108

le marchand de galces

de ijsventer

109

des jeunes

jongeren

110

le pecheur

de visser

111

le veliplenchiste

de windsurfer

112

la mouette

de meeuw

113

la crevette

de garnaal

114

l'etoile de mer

de zeester

115

le crabe

de krab

116

la meduse

de kwal

117

le coquillage

de schelpen

118

se promener

wandelen

119

faire une promenade

een wandeling maken

120

Acheter vendre quelque chose

iets kopen/verkopen

121

faire du bateau a voile

zeilen

122

naviguer

varen

123

proteger du soleil

tegen de zon beschermen

124

aider quelqu'un

iemand helpen

125

louer un velo

een fiets huren

126

prendre un bain de soleil

een zonnebad nemen

127

construire des chateaux de sables

zandkastelen bouwen

128

ramasser des moules

mosselen plukken

129

jouer au beach-volley

beachvolley spelen

130

jouer au foot de plage

strandvoetbal spelen

131

lire au soleil

in de zon lezen

132

emporter qlqchose avec soi

iets meenemen

133

tout simplement ne rien faire

gewoon niet doen

134

s'assoire a une terrasse

op een terrasje zitten

135

admirer les bateaux

de boten bekijken

136

paresser sur la plage

op het strand luiren

137

il y a du monde sur la plage (c'est anime)

het is druk op het strand

138

il y a bcp de vent

er is veel wind

139

on ne voit aucun cerfevolant

er is geen vlieger te zien

140

Il capo di buona speranza

De kaap de goede hoop

141

Una gigantesca barriera corsllina con anemoni marini, murene, pesci

Een reusachtig koraalrif met sponzen, ontelbare koralen, grote murenen, zeeanemonen en grote scholen vis.

142

De boot vaart o

De boot vaart op zee

143

La traversata notturna

De nachtvaart

144

Noi abbiamo intenzione di navigare sull ijsel

We gaan vaaren op DE ijsel

145

La barca salpa dalla banchina 25 dell ijsel

De boot vertrekt vanaf de ijsel KADE nummer 25.

146

La barca
Lo scafo
La prua
La poppa

De boot
De romp
De boeg
De achtersteven, de spiegel

147

La barca
Il motore
I remi
La vela

De boot
De motor
De riem, de riemen, de roeiboot
De zeil

148

Mettersi la crema contro il sole

Tegen zonnebrand insmeren

149

La barca dondola

Schommelen

150

L oceano immenso

De onmetelijke oceaan

151

La cabina (nave)

De hut

152

L oblo'

De patrijspoort

153

Il ponte e' abbassato

De brug is neer.

154

La anguilla

De aal, de paling

155

La trota

De forel

156

La banchina

Pier

157

Il pontile l attracco
Attraccare
Ormaggiare

Aanleg.steiger

Aanleggen
Vastleggen

158

La chiusa

De sluis

159

La piattaforma

Boorplatform

160

La chiglia
La scia il solco

De kiel
De kielzog

161

La sponda di destra

De rechter.oever

162

Traghettino

Zelfbedienings. Veerpontje

163

Attraccare
Ormeggiare
La cima
Mollare gli ormeggi

Aanleggen
Vastleggen
de tros (de touw) (een tros druiven, bananen)
De trossen losgooien

164

Fare rotta verso

Koersen naar
Koers zetten naar

165

La rotta

De koers

166

Capovolgersi
Ribaltarsi

Omslaan
Kantelen

167

La riva destra (di un fiume)

De linker.oever

168

Secondo corrente
Contro corrente

Stroom.afwaarts
Stroom.opwaarts

169

Una spiaggia deserta

Een eenzaam strand

170

Due capitani

Twee kapiteins

171

Naufragio

Schipbreuk

172

Sboccare,sfociare

Uitlopen in
Uitmonden in

173

Colare a picco

Kelderen

174

Straripare

Over de oevers treden

Treden: andare, camminare
Treden (t): pestare (calpestare)

175

Guado
Guadare

Doorwaadbare plaats

Waden
Ik waad

176

Il pescatore con la canna

De hengelaar
De hengelarster

177

Tenersi a costa

Dirigersi verso costa

De kust houden

Op de kust aan houden

178

Arenarsi, incagliarsi

Stranden

179

Una chiatta

De aak

180

La laguna

De lagune

181

A bordo

Aan boord

182

Traversata

Overtocht

183

Acqua bassa

Ondiep water

184

Incresparsi

Rimpelen

185

La crociera

De cruise

186

La mappa

De kaart

187

Lussuoso

Luxueus

188

Remare

Peddelen

189

Mal di mare

Zeeziekte

Zeeziek

190

Il ponte levatoio

De ophaal.brug

191

La nave
Il capitano
Il marinaio
La cabina
Il ponte

Het schip
De kapitein
De matroos
De kajuit
Het dek

192

Il galleggiante di salvataggio
Il giubbotto

De reddings.boei
Het zwem.vest

193

La falla

Het lek

194

Affondare

Zinken

195

Sfociare in

Uitmonden

196

La risacca
La mareggiata

De branding

197

Il galeone

Het Galjoen

198

Scendere un fiume
Scendere da una montagna

Langs een rivier afdalen

Een berg afdalen

199

Alta marea

Hoog getijde

200

Essere (o stare) al sicuro

Hoog en droog zitten

201

Tiepido

Lauw

202

Inondare, sommergere

Over.spoelen

203

Sguazzare

Plonzen

204

In alto mare
Nel mezzo del mare

Op volle zee
Midden op zee

205

Traversare un fiume
Valicare una montagna
Tirare lo sciaquone

Doortrekken

206

Navigabile

Bevaar.baar

207

Ora arriva tempesta

Nu
Komt er
Storm

208

La barca si rovescia

De boot kantelt.

209

Cadere in acqua

In het water vallen

210

Levare gli ormeggi

De trossen
Losgooien

Tros : cima, ormeggio

211

L ancora fa presa

Het anker
De sneeuw
Pakt

212

Ormeggiare

Vast.leggen

Anche: registrare (op dit video)

213

Fondale sabbioso

Zandbodem

214

Virare

Keren

215

Farsi trasportare dalla corrente

Met de stroom afzakken

216

Discendere un fiume

Een rivier afzakken

217

Lo stretto di messina

Het nauw van messina

218

Mulinello, gorgo

De kolk

219

Avanti tutta

Volle kracht vooruit!

220

Cadere fuori bordo

Uomo in mare!!

Overboor vallen

Man overboord!!!!

221

Issare
Abbassare
Le vele

De zeil
Hijsen
Strijken

222

Navigabile

Bevaarbaar

223

Allagarsi

Onderlopen

Is ondergelopen

224

Un vortice

De draaikolk

225

Golfo - baia

De Golf / bocht - baai

Rade = Ankerplaats

226

Istmo

Istmus = land. Engte

Zee.engte

227

Il capo

De kaap "de goede hoop"

228

Sabbia incandescente

Gloeiend zand

229

Il fiume si biforca in due bracci

De rivier splitst zich
In twee armen

230

Lo stretto di calais

Het nauw
Van calais

231

Lo scafo, l imbarcazione

De hulk

232

La cabina x passeggeri

De hut

233

Il naufragio

De schip.breuk

234

Pagaiare
Remare

Paddelen
Roeien met de riemen

235

Un traghettino

Voetveer
Fietsveer

Veerboot = (veer)pont
Zelfbediening.veerboot

236

Il danno da allagamento

De waterschade

237

Inondaziobe

De overstorming

238

La marea

Het getij

239

Una barca giace a riva

Een schip ligt
Aan de kant

240

Folata, raffica

De ruk

241

Inondare
Straripare

Overlopen

242

Soffrire il caldo

Last hebben
Van de warmte

243

Attraccare, ormeggiare

Aanmeren

244

Cadere fuoribordo

Overboord vallen

245

Diga artificiale (di contenimento)

Stuw.dam

246

Asciugamano da spiaggia

Strand.handdoek

247

Diga di montagna
Bacino artificiale

Stuw.dam
Stuw.meer

248

Fondo piatto

Plat.bodem

249

Equipaggio (anche aereo)

Bemanning

250

Melma, fango

Bagger : modder

251

Scafo

Scheeps.romp

252

Scaglia

Schub

258

Lenticchia d acqua

Het kroos

259

Inondare

Il mare, i visitatori

Overspoelen