eten Flashcards Preview

Parole > eten > Flashcards

Flashcards in eten Deck (573):
1

Pane di segale

Roggebroot

2

Affettati

Vleeswaren

3

Il formaggio stagionato

Belegen kaas

4

Il sugo (di un secondo)
La salsa

De jus
Tomaten saus

5

Bistecca di girello

De Kogelbiefstuk

6

Pacco da 12 pezzi

Het Pak a 12 stuks

7

Insalata mista

De Gemengd salade

8

Listino dei prezzi da asporto

Afhaal.prijslijst

9

Senza zucchero aggiunto

Toegevoegd suiker

10

Fare la pizza in casa

Zelf pizza maken

11

Facile, semplice

Eenvouding

12

Vuoi ancora un pezzo do carne?
No, ho mangiato abbastanza.

Wil je nog een stuk vlees?
Nee, bedankt. Ik heb genoeg gegeten.

13

Un pacco di biscotti
Un vasetto di burro d arachidi
Un vasetto di marmellata di fragole

Een pak koekjes
Een potje pindakaas
Een potje aardebeienjam

14

Il mangiare

Het eten, het voedsel

15

Il cibo

De voeding

16

Fresco, marcio

Vers, rot

17

Raccogliere

Plukken

18

L avanzo

Avanzare

Het restje

Overblijven

19

Un frutto

De vrucht : een stuk fruit

20

Il puree di mele

De appelmoes

21

Cotto, crudo
Prosciutto

Gekookt, rauw

22

Le patatine

De patat, de friet

23

Il puree

De puree
Meshed potatoes

24

Il pane
Il panino
Il panino morbido
Il panino croccante

Het brood
Het broodje
Het bolletje
De pistolet

25

La fetta biscottata

De beschuit

26

La farina

De bloem: het meel

27

Il contenuto di un sandwich

Het broodbeleg
Het beleg

28

La torta
il pasticcino:

De taart
het gebak

29

La pappa

De pap

30

Una scodella di muesli con yogurt

Een kommetje muesli met yogurt

31

Il burro
La margherina

Spalmare

De margarine
De boter

Smeren

32

La granella di cioccolato

De hagelslag

33

La nutella
La tavoletta di cioccolato

De chocoladepasta
De reep chocolade

34

La zolletta di zucchero

Het suikerklontje

35

Un pezzo (tocco) di burro

Een klont boter

36

Il dolcetto
La caramella

Mangiare dolciumi

De snoep
Het snoepje

Snoepen

37

Il marzapane
La mandorla

De marsepein
De amandel

38

La liquirizia

De drop

39

Formaggio
Giovane
Stagionato
Vecchio

De kaas
Jonge kaas
Belegen kaas
Oude kaas

40

Il latte di capra
Il formaggio di capra

De geitenmelk
De geitenkaas

41

Hilde non mangia mai carne, ma pesce spesso si

Hilde eet nooit vlees maar soms wel vis.

42

Il salame e' una salciccia con spezie che tu puoi mangiare a fette sul pane

De salami is een worst met kruiden die je in plakjes op brood kunt eten

43

Bastoncini di pesce

Fish sticks

44

l olio di oliva

de olijfolie

45

Vado a prendere qualcosa di buono, Perche' abbiamo visite oggi pomeriggio.

Ik ga wat lekkers halen, want wij krijgen vanmiddag bezoek.

46

la maionese

de mayonaise

47

la maionese leggera

de frietsaus

48

la salsa al carry

de kerriesaus

49

il ketjap (dolce o piccante)

de ketjap

50

la salsa alle arachidi

de pindasaus

51

la zuppa di pomodori

de tomatensoep

52

il brodo

de buillon

53

la salciccia

de rookworst (erwtensoep, stamppot)

54

il dessert

het dessert, het toetje, het nagerecht

55

mangiamo un dolcetto?

wat eten we TOE? (als dessert)

56

i derivati del latte

het zuivelproduct : het melkproduct

57

lo jogurt

de yogurt

58

il formaggio

de kaas

59

il budino

de pudding

60

la panna

de slagroom

61

il vla

de vla

62

i formaggio fresco

de kwark

63

tre palline di gelato alla vaniglia

drie bollen vanille ijs

64

Possiamo sederci qui solo se ordiniamo qualcosa.

Wij mogen hier alleen zitten als wij iets bestellen.

65

Hai mangiato tutto?
Hai finito il piatto?

Heb je alles opgegeten?
Heb je bord leeggegeten?

66

Briciole
Sbriciolare
Aspirabriciole/ ladro di polli
Pasta frolla

Kruimeltjes
Kruimelen
Kruimeldief
Kruimeldeeg

67

Cameriere?!

Ober?

68

Questo salmone mi sembra ancora piu' buono

Dir zalm lijkt me wel lekkerder

69

Ok, come preferisci...

Nau, wat je wilt!

70

Io prendo solo un piatto principale. Sono un po' aumentata (di peso) in vacanza.

Ik neem alleen een hoofdgerecht. Ik ben een beetje aangekomen in de vakantie.

71

Mangiare dolciumi

Snoepen

72

Possiamo (avere) una bottiglia di rosso ,pf?
Per me una bottiglia...

Mogen we een fles rode wijn,aub?
Doe me maar...

73

Prenderei volentieri una fetta di torta calda!

Ik wil graag warme appeltaart.

74

Ancora
Me me ancora un vino bianco, pf
Noi vorremmo ancora...

NOG
Voor me nog een witte wijn, aub
Wij willen graag nog...

75

Il dessert
La panna

Het dessert
De slagroom

76

Arriva subito!!

Komt in orde!

77

Io credo che ci sia posto.

Ik geloof dat er WEL plaats is...

78

Ingredienti
Cosa c'e' esattamente nella salsa?
Ci sono dei funghi dentro?

Ingredient
Wat zit er eigenlijk in de saus?
Zitten ER ook champignons IN?

79

Io veramente non amo cosi' tanto i funghi.

Ik houd namelijk NIET ZO van champignons.

80

Vivere e mangiare sano.
Chi vive piu' sano di tutti?
Chi meno di tutti?

Leven en eten gezond.
Wie leeft het meest gezond?
Wie leeft het minst gezond?

81

Fuoripasto
Mangiare qualcosa foripasto

Tussendoor

Tussendoor iets eten

82

Merenda

Tussendoortje

83

Ingrassare
Aumentare di peso
Pesare meno
Dimagrire

Dikker worden
3 kilo aankomen
Minder wegen
Afvallen, afslanken

84

Questa tua pasta con le verdure non mi piace proprio!!!

dit pasta met groente van jou vind ik echt niks! Veel te gezond!!

85

Quello lo vorrei tutti i giorni!

Dat wil ik iedere dag!

86

Mangiare grasso

Vet eten

87

Hai gia' un pochino una pancetta.

Je hebt al een beetje een buikje!

88

Mi trovi troppo grasso?

Vind je me te dik?

89

Lo stato fisico (condizione)

De conditie

90

Sano
Non tanto sano
Non sano

Gezond
Niet zo gezond
Ongezond

91

Prendere un pezzo di carne coi bastoncini

Een stukje vlees op te pakken met je eetstokjes.

92

Abbiamo cibo in abbondanza

We hebben eten bij de vleet

93

Apriscatole

Blik.opener

94

Crosta del pane

Brood.korst

95

Impastare
Impasto

Beslaan
Het beslag

96

Incrinato

Gebarsten
De vaas is gebarsten

97

Il cracker

De cracker

98

Dobbiamo comprare una cassetta di birra, i nostri amici vengono in visita

We moeten een kratje bier kopen, onze vrienden komen langs.

99

Stracotto

Over.gaar

100

Sto cercando un bar?

Ik ben op zoek naar een cafe' .

101

Ancora un cucchiaino di zucchero?

Nog een schepje suiker?

Een schep (cucchiaiata)

102

I coltelli che stanno sul tavolo non sono affilati.

De messen die op tafel liggen, zijn niet scherp.

103

Sul tavolo

Op tafel

104

Alzarsi da tavola

Van tafel opstaan

105

Decongelare

Ontdooien

Ik heb de kip ontdooid (nel microonde)
Ik heb de kip laten ontdooien

106

Piu' che sufficiente

Ruim voldoende

107

Continuare a mangiare
Sbrigarsi a mangiare

Door.eten

108

La scatola rotonda dei biscotti

De koektrommel

109

Zuppa a scelta

Soep naar keuze

110

Lo spiedino

De spies

111

Il filetto di maiale
Il filetto di manzo

De varkenshaas
De ossenhaas

112

Una cassa di birra
Una scatoletta (lattina) di tonno
In barattolo di fagiolini
Una cassetta di mele
Un cartone di latte/di succo
Un pacco di pasta
Un pacchetto di cicche
Una scatola di sale
Un sacchetto di noci

Een krat beer
Een blik tonijn, groente
Een pot sperziebonen
Een kistje appels
Een pak melk , sap
Een zakje nootjes

113

Un panino al formaggio

Een broodje kaas

114

Gli olandesi mettono il formaggio sulle fette di pane

Nederlanders doen kaas op boterhammen
(: gesneden broot)

115

Ordinare per telefono

Telefonisch bestellen

-Ik wil graag...
-Dat kan. Wat is uw adres?
-Hoe laat is het eten hier?0

116

E tu ? Anche tu una birretta?

En jij? Ook een biertje?
Nee dank je. Liever iets fris. Doe mij maar cola.

117

Vuoi qualcosa da bere?

Wil je graag WAT drinken?

118

Quanto costano?

WAT kosten ze?

119

Sei vegetariano?

Ben jij vegetarie:r?

120

Ha un sapore squisito

Het smaakt heerlijk.

121

Mi piace il salato
Paul ama il salato
Paul non gradisce il pane con jam
Lei trova il sapore dolce squisito

Ik vind hartig LEKKER.
Paul houdt van hartig.
Paul lust geen brood met jam.
Zoet VIND ZE heerlijk.

122

Affettato

Panini imbottiti

Vleeswaren

123

Ti piace?

Vind je het lekker?

124

Consegna a domicilio gratis

Gratis thuis bezorgd

Bezorgen
: afleveren

125

Circondato da cavolini di brussel

Omgeven door brusselse spruiten

126

Avere molta sete

Veel dorst hebben

127

Questo piatto di carta e' sporco

Dit papieren bord is vies

128

Un pranzo da 5 portate

5 gangen maaltijd

129

Mescolare

Mengen
Gemengd

130

Congelare qsa

Invriezen

131

Passare in padella

Roer.bakken

132

Aggiungere

Toegevoegen
Voeg sesamolie toe
Toegevoegd: een bijlage

133

Bollire

Koken

Kookde eiren
Kook pasta
Kokend water

134

Salsa piccante

Hete saus
De heetste hete saus

135

Osservare

Belijken

136

Putrido, putrefatto

Vergaan

137

Il cartone
Il barattolo
La botte
La tavoletta

De doos
Het blik
Het vat
De reep

138

Fare indigestione

Zich overeten

139

Imbuto

De trechter

140

Marinato

Gemarineerd

141

Mirtillo

De bosbes

142

Cottura media tendente al crudo

Half.rouw gebakken

143

Il bacon

De bacon

144

Cottura media

Medium doorgebakken

145

Frutto di bosco

De zwarte bes

146

Mostarda

De mosterd

147

Il cellofan

Het cellofaan

148

Ostrica

De oester

149

Polleria ( tipo di cibo)

De pluimvee

150

Crudo

Rauw

151

Poco cotta

Weinig gebakken

152

Vorrei provare un piatto locale.

Ik will graag een streekgerecht proberen.

153

Vorrrei un vino locale.

Ik will graag een wijn van de streek.

154

Può' suggerirmi qualcosa?

Kunt u iets aanbevelen?

155

Io mangio solo piatti vegetariani

Ik eet alleen vegetarische maaltijden

156

Un tavolo x tre

Een tafel voor 3 personen

157

Siamo in 4

Wij zijn met zijn vieren

158

Ben cotto

Doorgebakken

159

Di valore

Waardevol

160

La trota

De forel

161

Al vapore

Gestoomd

162

Andato a male

Bedorven

163

Sesamo

Het sesamzaad

164

Strapazzato

Geroerd

165

Impanato

Gepaneerd

166

L apribottiglie

De flesopener

167

Stappatappi

De kurktrekker

168

Cranberries

De veenbes

169

La cicca

De kauwgom

170

La caraffa

De karaf
Bierkan water

171

Il cappero

De kaper

172

La griglia x cucinare

Het rooster

173

Grigliato

Gegrild

174

Self service

Zelfbediening

175

Cibo takeaway

Eten om mee te nemen

176

Agrodolce

Zoet zuur

177

Piacere, gradire

Leuk vinden

178

Speziato, mild

Gekruid, mild

179

Non gradire

Een hekel hebben aan

180

Croccante

Knapperig
Krokant

181

Saporito:salato
Dolce

Hartig
Zoet

182

Delizioso

Heerlijk

183

Saporito, senza sapore

Smakelijk, smakeloos

184

Buon, cattivo sapore

Goede, slechte smaak

185

Squisito

Helig

186

Disgustoso

Walgelijk

187

Salato, dolce, aspro, amaro

Zout, zoet, zuur, bitter

188

Avere un sapore di...

Smaken naar

189

La trota
Il tacchini

De forel
De kalkoen

189

Mescolare

Roeren

189

Una fetta (di carne)

Een plak

189

Ammuffire/ marcire

Verrotten

189

Sciogliersi

Smelten

189

Raffreddare

Afkoelen

189

Riscaldare nel microonde
Prepararw nel microonde

Opwarmen in de magnetron
Bereiden in de magnetron

189

Passare il coltello

Het mes aangeven

189

Affamato

Hongerig

189

Annacquare, allungare con acqua

Verdunnen

189

Girarsi

Zich omdraaien

189

il pranzo

het middageten de lunch

189

tenero
Duro

mals
Taai

Hoe harder de koe, hoe taaier de vlees

189

la pentola a pressione

de snelkookpan

189

il bollitore di riso

de rijststomer

189

il barattolo

de pot

189

il sale

het zout

189

il pepe

de peper

189

gli aromi

de kruiden

189

la lattina

de blik

189

cucinare in acqua

koken

189

tagliare

snijden

189

cuocere a fiamma bassa

pruttelen

189

tagliare sottile

fijn hakken

189

essiccare

drogen

189

spremiagrumi

de citruspers

189

cappa aspiratrice

afzuigkap

189

tritatutto

blender

189

sbattitutto

mixer

189

gelatiera

ijsmachine

189

apparato per cottura al vapore

stoomkoker

189

cuocere in poco olio

aanbraden

189

il cibo

het eten

189

il cibo

het voedsel

189

il cuoco

de kok

189

il pasto

de maaltijd

189

la colazione

het ontbijt

189

il pranzo

het middageten de lunch

189

la cena

het avondeten het dinner

189

spuntino

het tussendoortje

189

il pasto leggero

de lichte maaltijd

189

la fameee

de eetlust

189

edibile

eetbaar

189

magro

mager

189

tenero

mals

189

il bollitore

de ketel

189

la pentola e la padella

de pan

189

la pentola a pressione

de snelkookpan

189

il coperchio

de deksel

189

il bollitore di riso

de rijststomer

189

lo scolapasta
Il colino

het vergiet
De zeef

189

il barattolo

de pot

189

il sale

het zout

189

gli aromi

de kruiden

189

cucinare in acqua

koken

189

cucinare in olio

bakken

189

mescolare

mengen

189

spalmare ungere

smeren

189

tagliare sottile

fijn hakken

189

essiccare

drogen

189

spremiagrumi

de citruspers

189

gelatiera

ijsmachine

189

forno a legna

steenoven

189

minipimer

staafmixer

189

tritarifiuti

voedselresten.vermaler

189

apparato per cottura al vapore

stoomkoker

189

cuocere in poco olio

aanbraden

189

cuocere alla piastra

steengrillen

189

cuocere nel wok

roerbakken of wokken

189

cuocere in poco olio

braden

189

il pate di vitello

de patee van kalfsvlees

189

gli insaccati, salame, prosciutto, pate, salciccia, pancetta

de vleeswaren: de salami, de ham, de pate, de worst, het spek

189

il grasso

het vet

189

grasso , magro

vet mager

189

nel passato

vroeger

189

duro, tenero . Piu vecchia e' la mucca, più dura e' la carne

taai maals , hoe ouder de koe, hoe taaier het vlees

189

mettere in una confezione (vaschetta)

in een bakje doen

189

la carne macinata, le palline di carne

het gehakt een gehaktbal

189

il sugo di funghi

de champignonsaus

189

il sugo di olio o burro

de jus (olie of boter)

189

la marinatura

de marinade

189

la anguilla

de aal , de paling

189

hai gia dato da mangiare alle galline oggi?

heb je de kippen al gevoerd vandaag? Voeren : eten geven

189

l uovo, il giallo, un uovo sodo col giallo molle

het ei, het eigeel, een zachtgekookt ei

189

a natale mangiamo sempre tacchino

met kerstmis eten we altijd kalkoen

189

preparare da mangiare

klaarmaken

189

riepmire

vullen

189

borbottare

pruttelen

189

aggiungere

toevoegen

189

sbucciare , la buccia

schillen, de schil

189

spellare l'uovo

pellen

189

spalmare, ungere

smeren

189

crudo, cotto

rauw, gaar

189

grigliare

grillen, roosteren

189

stufare (trans, intrans)

stoven

189

l ingrediente

het ingredient

189

la ricetta

het recept

189

il libro di ricette

het kookboek

189

il cuoco

de kok, de koks

189

vegetariano

vegetarisch

189

la fame

de honger

189

morire di fame (figurato)

rammelen van de honger

189

mangiare, finire di mangiare

eten opeten

189

assaggiare

proeven

189

avere un sapore di..

smaken naar

189

avere un buon sapore dolce

smaken lekker zoet

189

stuzzicare l'appetito

de eetlust opwekken

189

chiaccherare a tavola dopo mangiato

natafelen

189

un cafferino

een espressootje

189

andare a prendere il caffe da qualcuno

op de koffie gaan bij iemand

189

la panna

de room

189

mettere su il caffe (preparare)

koffie zetten

189

un gelato per te? Che sapore?

een ijsje voor jou? Welke smaak?

189

migliorare (aggiustare) il sapore

op smaak brengen : lekkerder maken

189

il karnemelk

de karnemelk

189

la cioccolata calda

de chocolademelk

189

una tazza di te con limone

een kopje thee met citroen

189

un caffè forte o leggero

slappe/ sterke koffie

189

bere

drinken

189

la sete

de dorst

189

l acqua

het water

189

la bevanda

de frisdrank : de fris: de limonade

189

la bevanda gasata

de prik (NL)

189

l aranciata

het sinasappelsap: de jus d'orange (NL)

189

un po' di succo d'arancia nel te

een beetje citroensap in de thee

189

la bevanda (generica)

de drank

189

un bicchiere di qualcosa da bere

het drankje

189

il cubetto di ghiaccio

het ijsblokje

189

una fettina di limone

een schijfje citroen

189

il superalcolico

de sterke drank

189

l alcol

de alcohol

189

la bevanda con alcol si può (bere) a partire dai 16 anni, il superalcolico dai 18.

drank met alcohol mag je volgens de wet pas kopen vanaf 16 jaar, sterkedrank vanaf 18

189

la birra

het bier

189

un bicchiere di birra

het biertje, het pilsje

189

l'acquavite

de jenever

189

il liquore

de likeur

189

Ubriaco

Dronken

189

Alticcio

aangeschoten

189

Sobrio (a digiuno)

Nuchter

189

buono, lo hai fatto in casa?

lekker, heb je het zelf gemaakt?

189

delizioso

heerlijk

189

squisito

zalig

189

avere un cattivo sapore

vies smaken

189

freddo, tiepido, caldo, bollente

kaud, lauw, warm, heet

189

piccante

heet : pikant

189

piccante, pepato

pittig : scherp

189

dolce, aspro, salato, amaro

zoet, zuur, zout, bitter

189

sciocco

flauw

189

una zuppa tiepida e sciocca

een flauwe lauwe sap

189

l erba aromatica

het kruid

189

la spezia

de spacerij

189

il carry

de kerrie

189

il pepe

de peper

189

il basilico

het basilicum

189

il prezzemolo

de petersalie

189

il sambal

de sambal

189

abbellire, allestire (prezzemolo)

versieren

189

la fetta (di pane)

de snee, het sneetje

189

la fetta (di limone)

de schijf

189

la fetta (di carne, affettato)

de plak

189

la fetta (di torta)

de stuk

189

la porzione

de portie

189

il litro

de liter

189

la caraffa

de kan

189

la caraffa (elegante)

een mooie kan : de karaf

189

la botte

de ton, het vat

189

il bicchiere con manico

de baker : de mok

189

la tazzina, il piattino

het kopje, het schoteltje

189

la lattina

het blikje

189

la tazza da brodo, da colazione (con o senza manico)

de kom

189

la posata

het bestek

189

il tovagliolo

het servet

189

pulirsi la bocca

je mond afvegen

189

la pentola

de pan

189

la padella

de koekenpan

189

la bollitrice

de ketel

189

il foglio di alluminio

de folie

189

avvolgere in foglio di alluminio

in folie wikkelen

189

il pollo che e' avanzato

de kip die over is

189

essere avanzati

over zijn

189

il pasto

de maaltijd : het maal

189

la portata, il piatto

de schotel : het gerecht

189

il paitto del giorno cambia ogni giorno

de dagschotel verschilt elke dag

189

con prezzi bassi

met een lage prijs

189

la specialita

de specialiteit

189

la porzione

de portie : een hoeveelheid eten (voor een persoon)

189

versare

schenken (in het kopje)

189

servire su un piatto

scheppen (met een lepel op een bord)

189

leggero

licht , luchtig

189

il pranzo

de lunch

189

la cena

het avondeten

189

la cena ufficiale o speciale

het diner

189

il ricevimento

de receptie

189

offrire un ricevimento

een receptie aanbiden

189

offrire

aanbieden

189

il boccone

het hap

189

mangiare un boccone

een hapje eten

189

la crocchetta

de kroket

189

lo snack

de snack

189

il toast

de tosti

189

l'uitsmijter

de uitsmijter

189

la bitterbal (con aperitivo)

de bitterbal

189

le polpettine di carne

de gahaktbal

189

la salciccia

de frikandel

189

l olio e aceto

de olie de azijn

189

la padella

de koekepan

189

le spezie

de specerij

189

la scatola

de ddos

189

il tagliere

de snijplank

189

speziare

kruiden

189

cappa aspiratrice

afzuigkap

189

tritatutto

blender

189

friggere

frituren

189

cestino a pedale

pedaalemmer

189

tostapane

broodrooster

189

brasare

smoren

189

cuocere alla piastra

steengrillen

189

Anche tu hai fame? Qui hai la meta' del mio panino.

Heb je ook honger? Hier heb je de helft van mijn broodje.

190

Coscia di pollo

Kippen.poot

191

Mangiare qualcosa fuori pasto

Tussendoor iets eten

192

Una torta con candeline

Een taart net kaarsjes

193

Tofu

Tahoe

194

Imburrare
Stufare

Smeren
Smoren

Gesmoord

195

Pranzo al sacco

Het lunchpakket

196

Buonappetito

Smakelijk eten
Proost

197

La dieta

De dieet

198

La mensa

De kantine

199

Il ristorante

Het restaurant
Het cafe'
Het terrasje

200

La portata, il "piatto"

Het gerecht
Het hoofdgerecht
Het voorgerecht
Hebt U vegetarische gerechten?
Het lievelings.gerecht

201

La porzione

De portie

202

La zuppa di pesce

De groente soep

203

L ordine
Il resto
La mancia

De bestelling
De rest
De fooi

204

Il cameriere

De ober
De serveerster

205

Io mangio volentieri...
Io mangio piu' volentieri...

Ik eet graag / liever

206

Ancora un caffe , pf

Nog een koffie , aub

207

Lui porta un caffe

Hij haalt een koffie

208

Quello e' buono!!

Da's goed/ lekker

209

Un dolcetto
Uno spuntino

Het toetje
Het tussendoortje

210

La salsa
La mostarda
La mayonaise
Il ketchup
La salsa piccante

De saus
De mosterd
De mayonaise
De ketchup
De pikante saus

211

La salsa
Il sugo
Il brodo

De saus
De jus
De bouillon

212

Vuoi burro o formaggio?

Wilt U boter of kaas?
Ik wil allebij.

213

Digerire
Ruttare

Verteren
Boeren

214

Mangiare
Digiunare

Eten
Vasten

215

Prendere
Portare
Portare in tavola
(Andare o venire a) prendere

Nemen
Brengen
Opdienen, op tafel brengen
Halen

216

Assaggiare

Proeven

217

Scegliere
Ordinare
Portare
Servire
Distribuire (porzioni)

Kiezen
Bestellen
Halen
Serveren
Uitdelen

218

Succhiare
Leccare
Ingoiare
Masticare

Zuigen
Likken
Slikken
Kauwen

219

Rosicchiare
Divorare

Knagen
Verslinden
De leeuw heeft zijn prooi verslonden

220

Strozzarsi

Stikken

221

Pagare il conto

Afrekenen

222

Pranzare

Lunchen

223

Mangiare (animali)
Mangiare come un maiale

Vreten

224

Abbuffarsi di

Zich
Te barsten vreten
Aan

225

Allergico a

Allergish naar

226

Un boccone
Un sorso

Een hap
Een slok

227

La ricetta

Het recept

228

La carne di manzo , di maiale
Il pollame

Het rund.vlees
Het varkens.vlees
Het gevogelte

229

L agnello
Il vitello

Het lam
Het kalf

230

La bistecca
La salciccia
La polpettina
L insaccato
La carne macinata

De biefstuk, de steak
De worst
De gehakt.bal

Het gehakt

231

Pollo e patatine., pf

Kip en frietjes, aub

232

Il grasso
Magro
Tenero

Het vet
Mager
Mals

233

L ala
La milanese

De vleugel
De schnitzel

234

Il tacchino
Il tacchino ripieno

De kalkoen
De gevulde kalkoen

235

La salsa pikkante
La salsa agrodolce

De pikante saus
De zoet.zure saus

236

Cuocere al barbecue
Arrostire
Cuocere in acqua
Cuocere in olio

Barbecueen
Roosteren
Koken
Bakken

237

Squisitissimo

Heerlijkst

238

Nutriente
Dolce

Voedzaam
Zoet

239

Il budino
La torta
La torta di ricotta
La crostata

De pudding
De taart
De kwark.taart
De vlaai

240

Il crostino

Het toastje
De crouton

241

La ciliegia
Il miele
Il cioccolato , la tavoletta

De kers
De honing
De chocolade, de reep

242

La liquirizia
La menta

De drop
De munt

243

L uvetta

De rozijn

244

La cannella

De kaneel

245

La panna
Con panna montata

De room
Met slag.room

246

La macedonia
Il gelato
Il ghiacciolo

De fruitsalade
De room.ijs
Het waterijsje, de ijslolly

247

Il biscotto
Il pasticcino

Het koekje
Het gebakje

248

La marmellata
La mousse

De jam
De marmelade
De appelmoes

249

I dolciumi
La caramella
La tavoletta

De zoetigheden : het snoep
Het snoepje
De reep

250

Il cioccolatino

De praline

251

Il pannen.koek

De pannen.koek

252

Hai una gomma da masticare?

Heb je kauwgom?

253

Fare indigestione

Zich overeten

254

Resistere

Weerstaan

255

Vomitare

Braken (r)
Overgeven

256

La nausea

De misselijkheid

257

Finire di mangiare (mangiare tutto)

Op.eten

258

Il coperto

Het couvert

259

La tovaglia
Il tovagliolo

Het tafel.laken
Het servet

260

Il servizio (piatti)

Het bord
Het glas
De kop
Het schoteltje

261

Il piatto (di portata)
Il vassoio

De schaal
Het dienblad

262

Piatti di plastica

Plastic borden
Metalen

263

La posata

Het bestek
Het mes
De lepel
De theelepel
De vork

264

Le bacchette

De eet.stokjes

265

Pulire, lucidare

Poetsen

266

Lucidare l argenteria

Het zilver poetsen

267

Lo spiedino

De spies

268

Il cucchiaio e' di legno
Il piatto di vetro

De lepel is van houd
Het glazen bord

269

Rosicchiare, spolpare

Kluiven

270

Con spezie

Met specerijen

271

I semi di girasole

De zonnebloem.pitten

272

Mangiare con gusto

Smikkelen

273

Il servizio

De service
De dienst.verlening

274

Cipollina

Het Uitje

Come "gita"

275

Uovo strapazzato

Roer.ei

276

Impasto

Beslag

Anche: sequestro (di oggetti)

277

Chi finisce la torta?

Finire : esaurire

Wie maakt
De taart op??

Opmaken

278

Verdura in scatola

Blik.groente

279

Offrire
Offrire la cena

Aanbieden
De diner aanbieden

280

Suggerire, raccomandare

Aanbevelen

281

Passare in padella

(Iets) licht bakken

282

Cetrioli sott' aceto

Augurken

283

La mozzarella
L edam
Il parmigiano

De mozzarella
De edammer
De parmezaanse kaas

284

Il pesce affumicato

De gerookte vis

285

Il pate

De pate

286

Pela-patate
Coltellino pela - patate

Dun.schiller / schillen
Aardappel.mesje

287

Mangiare dolciumi

Snoepen

288

Col. Boccone in bocca

Met volle mond

Vol met
Op volle snelheid

289

Il servizio qui e' davvero scadente.

De bediening hier is echt waardeloos.

290

Fibre alimentari

Voedings.vezel

291

Scongelare

Riscaldare

Ontdooien

Verwarmen

292

Forno m.o:

Riscalda nella confezione chiusa

Magnetron:

Verwarm in de gesloten folie

293

Avvolgere il pollo avanzato in alluminio

De kip die over is in folie wikkelen

294

Crema pasticcera
Zucchero a velo

Banketbakkers.room
Poeder.suiker

295

Sugo pomodoro

Tomaten.saus

296

Il colore della crodta

Krost.kleur

297

Zucchero grezzo

Basterd.zuiker

298

Pasta sfoglia
Pasta frolla
Pasta brisee

Blader.deeg of krost.deeg
Zand.deeg of boter.deeg of zetdeeg

299

Cremoso
Figurato: succulento

Smeui:g

Smeuige ontbijtkoek

300

E' cattivo (di sapore)

Het is naar.

301

La salciccia

De saucijs

302

Zucchero a velo
Caffe solubile
Latte in polvere

Poeder.suiker
. Melk
. Koffie

303

Ovetti

Eitjes

304

Una scatola (di latta) di biscotti

Een trommel met koekjes

Een bus
Een sprits : un certo tipo di biscotto
De babbelaar : caramelle di roomboter

305

Cattivo (di sapore)

Naar

306

Finire di mangiare
Ciondolare, indugiare

Treuzelen

307

Vuole zucchero o preferisce latte?

Wilt U zuiker of
Hebt U liever melk?

308

Il vassoio dei biscotti

Koekjes.schaal

309

Chi ha mangiato
Piu'
Frittelle?

Wie eet
Het meeste
Pannekoeken?
Een pannekoek?

310

Cibo solido

Vast voedsel

311

Mettere su il caffe
Mettersi a tavola

De koffie zetten
Zich aan tafel zetten

312

Dare un morso A (intrans)
un dolce

In een koek
Happen

Mordere : happen

313

Farina
Infarinare

Het meel
Met meel bestuiven

314

La festa (pacchia) e' finita.

De koek is op!

315

Salare e pepare a piacere

Brengen op smaak

316

Vorrei prenotare per stasrr per due persone.
Ho prenotato per due

Ik wil graag
Een reservering maken
Voor vanavond voor twee personen.
Ik heb gereserveerd voor twee personen.

317

Posso prendere?

Mag ik dit meenemen?

318

Sekf service

Zelf.bedienings.restaurant

319

Il servizio
La por ellana

Het servirs
Het porcelein

320

Il tocagkiolo

Het servet

321

La ciotola

De kom

322

A tazza da thee di vetro

Het thee.glaasje

323

Il piatto da portata

De schaal
De opschep.lepel

324

L involucro (avvolto) attorno a una tsvoletta cioccolato

De wikkel
Om een reep chocolade

325

Saporito : sciocco

Hartig : flauw

326

L alta cucina

De fijne keuken

327

La cena

Het avondeten

328

Il pangrattato

Paneer.meel

329

Frutta disidratata

Gedroogde vruchten

330

Zuppa di piselli

Erwtensoep = snert

331

Mettersi a dieta

Op dieet te gaan

332

Il malato
Rifiuta
Il cibo

De zieke
Weigert
Het voedsel

333

Data di scadenza

Verval.datum

Vervallen voedsel-
Veilig voedsel

Ten minste houdbaar tot

334

Per colazione:
nutella

Voor het ontbijt:
Choco.pasta,
Ontbijt.granen

335

Un panino
Con o senza verdura

Uno smos

Een broodje
Met of zonder rauw.kost

Een smos

336

Un pacchetto di patatine con sale e salsa

Een pakje frieten
Met zout en saus

337

Una insalata

Een slaatje

338

Cosa gradisci?
Gradirei burro sul panino

Wat lust je ?
Ik lust boter op mijn brodje.

339

Mangiarsi vivo qualcuno

Iemand
Rauw
Lusten

340

Un vasetto di yogurt

Een potje yogurt
Voor het ontbijt
Voor het vierhuurtje

341

Cosa mangi a merenda?

Wat eet je
Om 4 uur.

342

Panino farcito

Panino al formaggio
Companatico

Een Belegd broodje
Belegde broodjes

Een broodje kaas
Broodbeleg

343

Formaggio stagionato

Belegen kaas

344

La torta
Lievito
Cannella
Zucchero
Rosso d uovo

De taart
Het bakpoeder
Het kaneel
Het zuiker
De dooier

345

Un granello di zucchero

Een suiker.korrel

346

Deperibile

Bederfelijk

347

Avere scorte sufficienti per 3g

Voldoende voorraad
Hebben
Voor 3 dagen

348

Cosciotto

Bout

Come bullone

349

Mordere
Dare un morso

Happen

In een koek happen

350

Ingordo, vorace

Gulzig

Gulzig eten

351

Ospite

Kostganger,
Commensaal

352

Limitarsi

Zich beperken

353

Tuorlo

Albume

Dooier
Eier.dooier

Ei.wit

354

Essere schizzinoso riguardo al mangiare

Essere di bocca buona

Kies.keurig zijn op eten

Niet kies.keurig zijn

355

Tuorlo

Eier.dooier

356

Amo la tua cucina!

Ik hou van je
Kook.kunst