Comunicare Flashcards Preview

Parole > Comunicare > Flashcards

Flashcards in Comunicare Deck (149):
0

Opporsi fortemente a

Zich (krachtig) verzetten tegen

1

Piantarla, finirla

Uitscheiden
Schei uit!

2

E' giusto (ok) opporsi a ...

Het is in orde om te verzetten tegen...

3

Consigliare
Puoi consigliarmi un libro?
Ti consiglio di metterti la giacca.

Aanbevelen, aanraden

Kan je me een boek aanbevelen? (Infinito)
Ik raad je aan, een jas aan te doen

4

Respingere una offerta/ un attacco

Een aanbod/ aanval afslaan

5

Il vantaggio

Het voordeel

6

Informare

Bekendmaken/ iem. op de hoogte brengen

Op de hoogte zijn.
Slecht op de hoogte zijn.

7

Una riflessione

Een (het) overleg

8

Sfociare in un fiasco , in niente.

Op een fiasco.
Op niets uitlopen.

9

In tutti i sensi
Per certi versi

In alle opzichten
In bepaalde opzichten

10

Le motivazioni

De bewegredenen

11

Lo trovo sgradevole.

Ik vind het zo akelig.

12

La barzelletta
Ridacchiare

Het mopje
Giechelen

13

A proposito di questo
Over that

Daarover
Kan ik je daarover even spreken?

14

Temere
Non avere nulla da temere

Vrezen
Niets te vrezen hebben

15

Balbettare

Stutteren

16

Realizzare, rendersi conto

Beseffen
De ernst van de situatie niet beseffen.
Ik besefde dat ik verloren was.

17

Dichiarare

Aangeven

18

Deridere
Prendere in giro
Tormentare
Prendere in giro

Uitlachen
pesten
plagen
Iemand in het ootje nemen

19

Omettere

Nalaten
Lasciare in eredita'

20

Io, da parte mia,...

Ik, van mijn kant, ...

21

Il linguaggio sboccato
La parolaccia

De schutting.taal
De schutting. Woord

22

Trattare (parlare di)

Gaan over

23

Negare
Smentire

Ontkennen

24

Tenersi in contatto con qq

Contat met iemand onderhouden

26

L allarme
Avvisaee avvertire

De waarschuwing
Waarschuwen

27

Essere al corrente
Tenere al corrente

Op de hoogte zijn
Op de hoogte houden

28

L assurdita'
Questo e' assurdo

De onzin
Dat is onzin!

29

L equivoco

Het misverstand

Het verstand la ragione, l intelletto , l intelligenza

30

MAntenere i contatti co qq

Met iemand contact onderhouden

31

Lascire in pace

Iem met rust laten

32

Il nocciolo della quedtione

De kern van de zaak

33

La discussione sfocio' in un litigio

De discussie mondde in gekrakeel uit.
Het gekrakeel
Uitmonden : uitlopen op
Uitlopen in (:sfociare,sboccare)

34

Rivolgersi a

Zich wenden tot

35

Bugia

De leugen

36

Respingere

Afwimpelen

37

Parlare a raffica

Ratelen
Ratel.slang

38

Suscitate l interesse

De belangstelling wekken

39

Redigere una lettera commerciale

Een verkoop.brief opstellen

40

A quattrocchi

Vis a vis

Onder vier ogen

Oog in oog

41

Uscirsene con una scusa

Met en smoes komen

42

Smentire , negate

Ontkennen

43

Il suono (di lingua, di uno strumento)

De klank

44

Accento (tonico)
enfasi

Accento (pronuncia)

De klem.toon
Met klem : con enfasi

De Uitspraak (juist, duidelijk)

45

Il detto

De uitspraak

46

Ne vorrei riparlare con tutta calma

Ik wou er nog in alle rust
Over
Willen praten

47

Riparlare

Weer (opnieuw)
Praten of spreken over

Het
Weer
Hebben over

48

Discutere a fondo
Continuare a parlare

Doorpraten

49

Il punto

Het punt

50

La discussione

De discussie

51

La prospettiva

Het perspectief

52

Il colloquio

Het gesprek

53

L argomento

Het onderwerp

54

Il commento

Het commentaar

55

Il dubbio
Dubitare di qq
Dibitare che

De twijfel
Twijfelen aan
Twijfelen dat

56

Il parere

Het stand.punt

57

La critica

De kritiek

58

La domanda
Domandare/ chiedere
Chiedersi se
La risposta

De vraag
Afvragen
Zich afvragen of
De antwoord

59

Il complimento

Het compliment

60

L opinione
Essere dell opinione che

De mening
Van mening zijn dat

61

A favore / contrario

Tegen / voor

62

Spiegare

Uitleggen

63

Interrompere

Onderbreken

64

Affermare, dichiarare

Beweren

65

Negare

La negazione / la smentita

Ontkennen

De ontkenning

67

Lamentarsi

Klagen

68

Chiedere scusa

Verontschuldigen

69

Discutere

Argumenteren

70

Appoggiare / sostenere
Essere a favore

Ondersteunen

Voor zijn

71

Il resoconto, il rapporto
Scrivere un rapporto , una relazione
Il cronista, l inviato

De verslag
Een verslag schrijven
De verslag.gever

72

Rifiutare di
Rifiutarsi di

Weigeren

Ik weiger het te geloven

73

Essere d'accordo -- convenire
Non essere d' accordo -- non convenire

Het eens zijn , worden
Het oneens zijn , worden

74

Ammettere

Uitkomen voor

75

Costringere

Dwingen

76

Porre una domanda o un problema
Avanzare richieste

Een vraag of een probleem stellen

Eisen stellen

77

Mi auona bene
Mi suona sospette

Dat klinkt
Goed
Verdacht

78

Venire a contatto con stranieri

Komen in aanraking
Met buitenlanders

79

Avere ragione

Gelijk hebben

80

Accese, violente discussioni

Felle discussies

81

Fare il resoconto, commentare

Verslaan

82

Creare o provocare problemi

Problemen veroorzaken

83

Salutare con la mano e rospondere

Wuiven naar iem en wuiven terug

84

Imbattersi, incontrare

Incappare in

Iem tegen het lijf lopen


Stuiten op

85

Le norme e i valori

Normen en waarden

86

Affermare il contrario

Het tegendeel beweren
Hij beweerde onschuldig te zijn

87

Venire in visita su appuntamento

Langskomen op afspraak

88

Annunciare una visita
Piombare

Een bezoek aankondigen
Binnenkomen

89

Venire in contatto

In aanraking komen

90

Equivoci , qui pro quo

Mis.verstanden

91

Sostenere

Betogen

92

Insistere
Per un armistizio

Aandringen op
Een bestand

93

Aggiungere

Toe.voegen

Voegde hij toe.

94

Inserirsi nel discorso

Zich mengen IN het gespreek

95

Alludere

Doelen op

96

Tenere la bocca chiusa (!) , stare zitti (!) , tacere

Zijn mond
Houden!

Hou je mond!

97

Alludere a

Doelen op

Doelend op

99

Borbottare, boffonchiare

Knorren, mopperen

100

Informare

Op de hoogte brengen

101

Balbettare

Stotteren

103

Rispondere per le rime

Lik op stuk geven

104

Citare menzionare altrove

Vermelden elders

105

Parlare con voce rauca

Sgolarasi

Schor praten
Zich schor schreewen

106

Trattare male qq

Naar doen
Tegen iemand

107

Chiaccherare piacevolmente

Gezellig kletsen

108

Insistere

Zeuren jip en janneke

109

Strillare

Een keel opzetten

110

Il concetto

Het begriep vrijheid

111

Esprimersi in modo volgare

Zich
Grof
Uitdrukken

Dat is grof, zeg! = che volgarita'

112

Prendere contatto con

Contact
Opnemen met

113

Da quello
E' nata / sorta
Una interminabile discussione

Daaruit is
Een oneindige discuissie
Ontstaan
Het is ontstaan
Ontstaan

114

Niente affatto!

Heus niet!
Heus : davvero

115

Riuscire a studiare

Weten TE studeren

116

Niente affatto!!

Heus niet!!!

117

Non fare l esagerato!!

Doe niet zo overdreven!
Overdreven esagerato
Bedreven esperto

118

Costringere (a fare)
Estorcere (una confessione) / imporre rispetto

Dwingen te doen
Afdwingen

120

Obbligare

Verplichten

121

Perdersi in chiacchere
Perderersi in dettagli

Zich
In details
In geklets
Verliezen

122

In un certo senso

In zekere zin

123

Comunicare
Disturbo difetto di comunicazione
Incomprensione
Qui pro quo

Communiceren
Communicatie.stoornis
Het Onbegrip
Het misverstand

125

Non parlo tedesco

Ik spreek geen Fraans, Duits.

126

Parlare a 4 occhi

Onder 4 ogen
Zeggen

127

Ti devo una cena

Ik ben je
Een etentje
Schuldig

128

Fatica sprecata
Non essere "in vano"

Verspilde moeite
Het is niet - vergeefs

129

Annunciare (un matrimonio, l inverno)

Aankondigen

130

Voce che circola

Gerucht

Geruchtmakend : clamoroso

131

Conversazione
Interlocutore
Moderatore
Argomenti di conversazione
Coinvolgere qq in una conversazion

Het gesprek
Gespreks.leider
G.partner
G.stof
Iemand in een gesprek betrekken

132

Il telefono
Posso lasciare un messaggio?
Poui farmi lo spelling?
Scusi, ho sbagliato numero

De telefoon
Kan ik een boodschap acherlaten?
Kunt u dat voor mij spellen?
Pardon , dan heb ik een verkeerd nummer gedraaid.

133

(Il telefono) Squilla libero

Het gaat over.

134

(Al telefono) passare

Geef me mamma even.

135

Non saper dire di no

Ik kan
Slecht
Weigeren

136

Impaperarsi

Over zijn woorden
Struikelen

137

Rimanere sbigottito

Omvallen van verbazing

138

Tenersi i contatti (con qq)

Contact
Met iemand
Houden

139

Mettere in giro la voce
Circola la voce che...

Een gerucht in de wereld sturen
De gerucht gaat dat...

140

Mettere una voce in giro

Gira la voce che...

Een gerucht
In de wereld
Sturen

De gerucht gaat dat...

141

Prendere in giro qq, beffarsi di qq

Spotten

Spotprijs : prezzo irrisorio

142

Stuzzicare

Sarren

143

A mio modesto parere

Naar mijn bescheiden mening

144

Essere convinto di / che
Convincersi di / che

Overtuigd zijn van
Overtuigd raken van

145

La tiritera, il blabla'

Het geleuter

146

Riprendere il filo del discorso

De draad van het verhaal
Weer opvatten

147

Probabilmente

Waarschijnlijk

148

Imprecare contro il governo

Scaricare addosso tutte le imprecazioni possibili

Op de regering schelden.

Hij heeft de agenten
De huid vol
Gescholden.

149

Ammettere

Toe.geven

150

Alla fine ho dovuto ammettere che lui aveva ragione

Uiteindelijk moest ik toegeven
Dat hij gelijk had

151

Essere invitati
Essere pregati

Di rispondere

Worden
Uitgenodigd
Verzocht

Te beantwoorden

152

Reagire male

Prendersela subito

Ernstig reageren

Onmiddelijk happen

153

Assolutamente no!

Volstrekt niet!

Dat mag volstrekt niet!

154

Un parere opposto, contrario

Tegenover.gestelde mening