Het Werk Flashcards Preview

Parole > Het Werk > Flashcards

Flashcards in Het Werk Deck (154):
0

Il contratto

Het contract

1

L accordo

De ondereenkomst

2

L assicurazione

De verzekering

3

Rompere un contratto

Het contract breken

4

Chiarire

Verduidelijken

5

Includere

Iets omvatten

6

Negoziare

Onder iets overhandelen

7

Responsabilita civile

Wettelijke aansprakelijk.heid

8

Svolgere mansioni ammonistrative e mediche

Verrichten (administrative of medische taken)

9

Il requisito

De eis - de eisen

10

Aspettarsi qualcosa da qualcuno

Verwachten iets van iemand

11

La funzione

De functie

12

Giadagnare
Il salario

Verdienen
Het loon, het salaris

13

Le Caratteristiche contrattuali del lavoro
Regole della pensione,
risarcimento delle spese

De arbeits.voorwaarden
De pensioen.regeling
De kosten.vergoeding

14

Fare domanda di lavoro per

Solliciteren naar
een baan
Veel banen

15

Colloquio per un lavoro
Modo per fare domanda di lavoro

Het sollicitatie.gesprek
De sollicitatie.wijze

16

Il compenso dipende dall esperienza

De honorering is afhankelijk van ervaring

17

Mettersi d accordo

Afspreken

18

Far aspettare qualcuno

Iemand laten wachten

19

Il contabile, il ragioniere

De accountant

20

Il capo
I subordinati

De baas
De ondergeschikten

21

Collaborare

Samenwerken

22

Sono occupato

Ik heb het druk!

23

Andare in cerca di...

Zoeken voor...

24

Andare in pensione dall azienda

Bij de bedrijf met pensioen gaan

25

Guadagnare
Spendere
Risparmiare

Verdienen
Uitgeven
Besparen

26

Rispondere a un annuncio

Reageren

27

Riempire un modulo via internet

Een formulier invullen via internet

28

Accettare
L imprenditore
Il commesso viaggiatore

Aannemen
Aannemer
De haldelsreiziger

29

Il personale

Het personeel

Vol.tallig al completo

30

Il direttore vendite

De verkoop.leider

31

La segreteria

Het secretariaat

32

Aumentare la produzione.

De productie opvoeren.

33

Scambiarsi con qualcuno

Ruilen met iemand

34

Onori e oneri

Lusten en lasten

35

Il lavoro di un centralinista consiste principalmente nel rispondere al telefono

Het werk van een receptiniste bestaat hoofdzakelijk UIT het aannemen van de telofoon

36

Appendere in bacheca

Hangen aan het prikbord

37

Essere alle prese col fare un anello
Essere occupati

Bezig zijn met het maken van een ring
Bezig zijn

38

L addetto

De attache'

39

Il portavoce della Shell

Shells woordvoeder

40

Deve viaggiare molto per lavoro

Hij moet beroepsmatig veel op reis.

41

Sgobbare

Sloven

42

Essere impiegato come avvicato

Als advocaat Werkzaam zijn

43

La mensa
La caffetteria

De kantine
De cafetaria

44

Il portavoce e il presidente di telecom

Telecoms
Woordvoeder en
Voorzitter

45

Il posto, la posizione di lavoro

De betrekking

46

Esperienza in questo campo

Ervaring op dit gebied.
Een brede ervaring.

47

La ditta

De firma

48

Andare in cerca di una occupazione

Uitzien een betrekking

Uitzien naar
Uitzien op

49

Lavoricchiare, ciondolare

Rondscharrelen

50

Rassegnare le proprie dimissioni
Dare la dimisssioni

Zijn ontslag aanbieden
Ontslag mnemen

51

Io sto lavorando.
Mi sto mettendo all' opera.

Ik ben aan het werk.
Ik ga aan de slag.

Gaan aan de slag

52

Lo sciopero
Scioperare , essere in sciopero
Scioperante

De staking
Staken , Aan het staken zijn
De staker , de staakster

53

Intermediario

Tussenpersoon

54

Questo lavoro non mi compete

Dat is mijn werk niet!

55

La riunione di lavoro

De werk.bespreking

56

Il reddito

Het inkomen

57

Non e' adatto al suo lavoro

Hij deugt niet voor zijn werk.

58

Sussidio

Uikering

59

Lavoro fisso
Stipendo fosso
Spese fisse

Vaste baan
Vast inkomen
Vast gegeven

60

Sgobbare
Sudare

Zwoegen
Zweten

61

Il legame di collaborazione

Il legame (la fasciatura)
La collaborazione

Het Samenwerkings.verband

62

Sotto l influsso del mio lavoro

Onder invloed van mijn werk

63

In proprio

In eigen beheer

64

Contribuire

Bijdragen aan

65

Essere in societa ' con qualcuno

Samen een zaak hebben

66

Un incarico

Opdracht
Opdrachtgever
Opdragen

67

Iniziare a
Finire di (Smettere di)

Rimandare , posticipare qualcosa
Interrompere

Beginnen met
Stoppen met

Uitstellen
Onderbreken

68

Finire (essere finito) bene

Goed aflopen

69

Farsi apprezzare

Zich
Waarmaken

70

Autorita'

Het Gezag

71

Stare sotto pressione

Onder druk staan

72

Essere indaffarati

Het druk hebben

73

Essere occupati con

Bezig zijn met
In de weer zijn met

74

Tenere / tenersi occupati

(Zich) bezig houden

75

Lavoro fisso

Vaste baan

76

Richiedere

Eisen
Gee:ist

77

Incaricare di un compito

Belasten met een taak

Nb caricare,
Belasting : tassa

78

Il personale " al completo"

Het vol.tallige
Personeel

79

Licenziamento in tronco

Licenziarsi

Ontslag
Op staande voet

Ontslag nemen

80

Al lavoro!
Essere al lavoro.
Mettersi o ritornare al lavoro.
Trovare un lavoro

Aan de slag!
Zijn
Gaan
Komen

81

Un secondo lavoro
Tenersi aggiornato

Bij.baan
Bij.blijven

82

Il capo, il menager, il supervisore, il dirigente

De leiding.gevende
Leiding.gevend (agg)

83

Tenere sott occhio

In de gaten houden

84

Incontro
Riunione

Vergadering
Bijeenkomst

85

Archiviare una prstica

Een dossier
Opbergen

86

Funzionaria sospesa

Ambtenaar geschorst

Schorsten: sospendere (da una funzione,una riunione)

87

Operaio edile

Bouwvakker

88

Professionista/ specialista

Gergo professionale
Termine tecnico
Operaio edile

Vakman/ vrouw

Het Vakjargon
De Vakterm
Bouwvakker

89

Assistente sociale

Hulpverlener

90

Volontario

Vrijwilliger

91

Sussidio

Uitkering

92

Rispondere ai requisiti

Aan de eisen voldoen

93

Attivita' - lavori

Werkzaamheden

94

In modo professionale

Vak.kundig en snel

95

Disdire un appuntamento / una riunione

Een afspraak / vergadering

96

Prendere una mattina libera

Een vrije ochtend
Opnemen

97

Avere un gran daffare

Druk (in de weer) zijn

98

Sbattersi

Draven

99

Le attivita'

De werkzaam.heden

100

Contrastare, intralciare, impedire

Tegenwerken

101

E' molto abile
Nel suo lavoro

Hij is zeer bekwaam
In zij vak

102

La presentazione

De presentatie

103

Essere impegnato con qualcos' altro

Bezig zijn met iets anders

104

La sede

De vestiging

105

I sottoposti / dipendenti

De Onder.geschikten

106

Sgobbare

Blokken

107

Il personale

Het personeel

108

Il principale, il capo

De leiding.gevende

109

Prestare servizio come

Werkzaam zijn bij

110

Contributo alla sua carriera

Bijdrage aan zijn loopbaan
De bijdrage
De loopbaan

111

Colloquio di funzionamento

Functionerings.gesprek

112

Gratificante

Bevredigend

De (seksuele)bevrediging

113

Gratificante

Bevredigend

114

Gestire = maneggiare
Omgaan met de strees = hanteren

Omgaan met de strees = hanteren

115

Sostituto

Vervanger

116

Sgobbone (peggiorativo)-
Lecchino

Uit.slover

117

Gli scioperanti allestiscono picchetti

De stakers
Zetten
Posten
Uit
Uitzetten

118

La posizione
L incarico

De post

119

L autorita'
(Il detto)

Het gezag
Het gezegde

120

Professionista

Deskundigde
Deskundigheid

121

Fare le cose come vengono

Aanmodderen

122

Meticoloso, accurato

Nauwgezet = nauwkeurig

123

La posizione offerta
La domanda di lavoro
Domandare un lavoro
Riguardare
Il colloquio di lavoro

De vacature
De sollecitatie
Solleciteren
Betreffen (betreft:)
Het sollecitatie.gesprek

124

Il cv
La funzione
La posizione
La carriera
La carriera

Het curriculum vitae
De functie
De positie
De loopbaan
De carriere

125

Il candidato
L educazione
L esperienza lavorativa
Le abilita'
Responsabile

De kandidaat
De opleiding
De werk.ervaring
De vaardigheden
Verantwordelijk

126

Il corso
Il certificato
La ricerca

De cursus
Het certificaat
Het onderzoek

127

Lo scioperante

De staker

128

Lei e' il nuovo collega?

Bent U de nieuwe collega?

129

Un bel lavoro (oggetto)

Een knap stuk werk

130

Idraulico
Elettricista
Muratore
Giardiniere
Tecnico

Loodgieter
Metselaar
Elektricien
Tuinier
Technicus

131

Falegname

Timmerman

132

Montatore
Garagista
Saldatore

Mecanicien
Garagehouder
Lasser

133

Cuoco, cuoca

Kok, kokkin
Kelner, serveerster

134

Ragioniere

Boekhouder

135

Venditore
Cassiere
Addetto

Verkoper
Kassier /. Kassierster
Bediende

136

Rappresentante

Vertegenwoordiger

137

Magazziniere
Addetto al rifornimento

Magazijn.bediende
Aanvuller

138

Maestro
Insegnante

Leraar
Onderwijzer

139

Siamo lavoratoti in proprio.
Siamo lavoratori addetti.
Siamo lavoratori manuali.
Siamo commercianti.
Siamo impiegati.
Lavoriamo nella ristorazione

Zelfstandigen.
Bedienden.
Arbeiders
Handelaars.
Medewerkers.
We werken in de horeca.

140

Ho una vita impegnata

Ik heb
Een druk leven.

141

Una occasione d' oro

Een
Uitmuntende gelegenheid.

142

Non lo considero
All altezza del lavoro

Ik acht hem niet
Tot dit werk in staat

143

Il pendolare

De pendelaar
Pendelen
naar het werk / naar het kantoor
met de trein / met de pendelbus
De pendeltijd is een uur.

144

Fare lo straordinario

Overwerk doen
Overwerken

145

Collega

Collega
Vak.genoot

146

La mancanza di personale

Het gebrek
Het tekort
Aan personeel

147

Supplente

Vervanger

148

Bacheca delle comunicazioni

Medededing.boord

149

Carenza di personale

Personeels.gebrek

150

Ex

Voorheen

152

Lo stipendio

De salaris

153

Chiedere un aumento

OM
opslag
Vragen

154

Essere professionale , del mestiere

Vak.kundig zijn