Catene Di Parole - schakelen Flashcards Preview

Parole > Catene Di Parole - schakelen > Flashcards

Flashcards in Catene Di Parole - schakelen Deck (94):
0

Movimento
Consederazione
Considerare, riflettere
Passaggio a livello

Bewegingen
Overweging
Overwegen
Overweg (onbewaakte)

1

Tacco, tacca, colpo di accetta.
Cancello
Avere avversione per
Strega

De hak (met platte hakken)
Het hek
Een hekel hebben aan (iem of iets)
De heks

2

Vegliare, vigilare
Non custodito
Svegliare
Sveglia

Waken
Onbewaakt
Weken
Wekker

3

Osare
Provare disgusto

Wagen
Walgen

4

Desiderare
Abituarsi

Wensen
Wennen, geweend aan

5

Sforzarsi , mettercela tutta
Rilassarsi (rilassato)
Tendere
Troppo teso, stressato, esaurito

Zich Inspannen ( de inspanning)
Zich Ontspannen
Spannen
Overspannen (agg)

6

Politica
Professare, praticare (rel)
Offendere
Opportunita'
Tassa
Imbottire, indire, rivestire, investire

De beleid
Belijden
Beledigen
Het Gelegenheid
De belasting
Beleggen

7

Pennello
Questione
Prugna
Vulnerabile
Ferire (offendere)
Lesione

De kwast
De kwestie
Kwets
Kwetsbaar
Kwetsen
Kwetsuur

8

Un ovetto
Fare un giretto (gita)
Per conto proprio

Het eitje
Een uitje hebben
In m'n eentje

9

L aspetto
La vista da una casa
In tutti i sensi , per certi versi
La sorveglianza

Het gezicht
Het uitzicht
Het opzicht, in alle opzichten, in bepaalde opzichten
Het toezicht

10

Schuin

Schuin dak tetti spioventi
Schuine lijn
Schuinschrift corsivo
Schuin tegenover di fronte in obliquo

11

Komen

Afkomen van / op
Omkomen
Ontkomen aan : scampare a
Tegenkomen
Uitkomen op : sbucare su

12

Obliterare
Pestare i piedi
Prendere a pugni

Afstampelen
Stampen
Stompen

13

Klappen
Klapperen
Klapper.tanden

Klapper
Klappertje
Klap.roos
Klap.stuk
Klap.stoel
Klap.zoen
Klap.loper
Klap.band

14

Versamento
Crollo
Disturbo

De storting
De instorting
De Stoornis

15

Nasello
Strega
Cancello
Siepe

Heek: stokvis
Heks
Hek
Heg

16

Difficile , fastidioso
Infastidire , scocciare
Scocciatore
Animale da soma

Astuto

Lastig
Lastig.vallen
Lastpak
Lastdier

Listig

17

Atterrare
Finire, cacciarsi
Carico
Una atmosfera pesante

Landen
Belanden
Beladen
Een beladen sfeer, een schip beladen koffie

18

Perdonare
Dimenticare
Spargere sangue

Vergeven
Vergeten
Bloed vergieten

19

Riccio
Angelo
Canna da pesca
Grandine

Egel
Engel
Hengel
Hagel

20

Crudo
Grezzo

Il lutto
Avere rimorso

La rugiada
La spinta

Rauw: ongekookt
Ruw: onbewerkt

De rouw
Berouw hebben

De dauw
De duw

21

Nn vedere l ora

Rinunciare a

Uitzien naar

Afzien van

24

Mentire
Dire bugie
Ingannare T

Liegen
Jokken
Misleiden

25

Prendere

Vangen
Vangrail
Vervangen
Vervanger
Vervanging

26

L attentato
Il punto di impatto
Licenziamento su Due piedi
Mettere sotto sequestro
Ditta di immagazzinamento
Il supplemento di affitto

De aanslag
De plaats van inslag
Ontslag op staande voet
In beslag nemen
Opslag.bedrijf
Huur.toeslag

27

Vagare
Perdersi
Allonanarsi : deviare

Dwalen
Verdwalen

Afdwalen

28

Merenda, spontino
Distribuzione
Intervento (mediazione)
Scalo
Intermediario
Intervallo regolare di tempo
Intervallo di spazio o tempo, distanza
Punteggio parziale
Ora libera, ora buca
Tramezzo, divisorio
Via di mezzo

Tussendoortje
Tussenhandel
Tussenkomst
Tussenlanding
Tussenpersoon
Tussenpoos
Tussenruimte
Tussenstand
Tussenuur
Tussenwang
Tussenweg

29

Il volto
La vista
La visione , l idea

Het gezicht
Het uitzicht
Het inzicht

30

Il fosso
Il polpaccio
Il ciuffo

De kuil
De kuit
De kuif

31

Schakel

Schakel anello
Schakelaar
Schaken- schaker
Schakelen

32

Polpaccio

Kuit (kuitspier, been)
Kluit (un mucchio)

33

Sorpresa
Confusione

Verrassing
Verwarring

34

Coltivare o allevare
Torturare o tormentare
Ferire o offendere

Kweken
Kwellen
Kwetsen

35

Perdere la vita
Frequentare

Omkomen
Omgaan met

36

Immaginarsi
Atteggiarsi

Zich voorstellen
Zich voordoen als

37

Essere importante
Partecipare a

Uitmaken
Meemaken

38

Inquinamento
Scusa
Indignazione

Veront.reiniging
Veront.schuldiging
Veront.waardiging

39

Aggressore
Colpo di fortuna

Aanvaller
Meevaller

40

Nostalgia
Di nascosto

Heimwee
Heimelijk

41

Fare attenzione / guardarsene bene

Guardare su
Non vedere l' ora di

Uitkijken

Uitkijken OP
Uikijken NAAR

Ik kijk wel uit!
Goed uitkijken

42

Escludere
Con l esclusione di

La risposta definitiva

Uitsluiten
Met uitsluiting van

De uitsluitsel

43

Sloveno
Sgobbare

Sloveen
Sloven

44

Scusarsi per
Rendere omaggio , tributo

Veront.schuldigen
Huldigen
Huldiging

45

Minacciare

Imbrogliare

Bedreigen
De voortdurende aanslagen
Bedreigen de stabiliteit

Bedriegen
De bedrieger

46

Adorare
Offrire
Allacciarsi (i pattini)

Aanbidden - aanbidder
Aanbieden - de aanbieding
Aanbinden - de schaatsen

47

Colpito da un pesante terremoto

Ritrovati morti

Getroffen zijn door zware
Aard.beving.

Dood aangetroffen zijn.

48

Arrivare
Morire
Scendere da/ avvicinarsi / allont
Tirare avanti con
Sbarcare il lunario

Aankomen
Omkomen
Afkomen van/op
Rondkomen van
Kunnen rondkomen

49

Vedere

Kijken

Uitkijken OP
Uitkijken NAAR

50

Stufo
Apparecchio/ staffa
Faggio/ navata
Boia
Borsa/ borsista

Beu
Beugel
Beuk
Beul
Beurs.student

51

Annusare
Frugare
Fare le coccole

Snuffelen aan
Snuffelen
Knuffelen
Dikke knuffelen xxx
Knutselen

52

Consigliare
Violentare

Aanraden
Aanranden

53

Giornaliero /
Del genere /
Solido, indostruttibile - serio, affidabile

Dagelijks /
Dergelijk /
Degelijk

54

Immediatam/e
Dattero
Autore

Dadelijk
Dadel
Dader

55

Nodo, bottone vestito
Pulsante , pomello, germoglio

Gomitolo, chignon
Mazza



Knoop
Knop

Knot
Knots

56

Schierarsi
Radersi

Zich scharen
Zich scheren

57

Muoversi
Essere in movimento
Essere preda di

Bewegen
Zich bewegen
Bevangen worden door (een gevoel van)

58

Essere informato

Hij had zich
Op de hoogte gesteld
Van Nse zaken
Ontsteld
Ongesteld
Ingesteld op
Teleurgesteld

59

Barboncino
Nudo come un verme
Premio di consolazione

Poedel
Poedel.naakt
Poedel.prijs

60

Tornare (verso casa)
Ritornare indietro
Convertirsi al islam
Cambiare direzione , virare / girarsi

(Huiswaarts) keren
Omkeren
Zich bekeren tot islam
Keren / zich keren

61

Inciuccarsi , ubriacarsi
Occupare
Occupazione , cast
Invasore (n / agg)
Possedere
Posseduto / indemoniato
Spostare

Zich bezatten
Bezetten
Bezetting
Bezetter / binnen.dringend
Bezitten (geen cent bezitten)
Bezeten
Verzetten

62

Conservare , tenere, mantenere
Asserire

Bewaren
Beweren

63

Colpo
Attentato / incrostazione
Svincolo , uscita
Ribaltamento
Licenziamento
Supplemento
Resoconto
Inpatto
Umidita' , muffa , risultato di un esame
Aumento

Slag
Aanslag
Afslag naar
Omslag
Ontslag
Toeslag
Verslag
Inslag
Uitslag
Opslag

64

Parente
Presuntuoso

Verwant
Verwaand

65

Utile
Affettato (agg di persona)

Nuttig
Nuffig

66

Scioperare
Essere piantato, pungere

Passeggero clandestino
Attraversare
Fare un cambio alla pari

Staken
Steken

Verstekeling
Oversteken
Gelijk oversteken

67

Grosso, grossolano, volgare
Scanalatura, solco

Grov
De Groef

68

Sollevare o rischiararsi
Truffatore
Truffa o imbroglio

Oplichten
Oplichter
Oplicherij

69

Andare
Entrare
Prendere in comsiderazione
Approfondire ulterior/e qualcosa

Gaan
Ingaan
Ingaan op
Nader ingaan op

70

Vomitare
Rompere
Cadere a pezzi
Frammento

Braken
Breken
Brokkelen
Brokstuk

71

Schieramento
Istituzione
Consegna / ordine

Opstelling
Instelling
Bestelling

72

L illusione
L importo
Minacciare

Het bedrog
Het bedrag
Bedreigen

73

Scadere
Falsificare
Sostituire qualcuno

Vervallen
Vervalsen
Vervangen

74

Corvo
Cantare / Emettere gridolini di gioia (bambini)
Sgraffignare
Sgraffignatore / arraffatore

Kraai
Kraaien
Graaien
Graaier

75

Allegato
Importo
Contributo

De Bijlage
Het bedrag
De Bijdrage

76

Rabbuiarsi in volto
Montare di guardia

Zijn gezicht betrekken
De wacht betrekken

77

Sparare / schizzare

Cacare

Schieten

Schijten

78

Pungere / spuntare da

Scioperare

Steken

Staken

79

Mettere
Iniziare
Mettersi (a tavola)
Non pensare piu' a qq

Zetten
Inzetten
Zich zetten (aan tafel)
Zich over iets heen zetten

80

Vendetta

Relitto
Rancore

De Wraak. De profeet wreken

De Wrak
De Wrok : Wrok hebben (koesteren) tegen iemand

81

Il recinto
Il linguaggio sboccato
Balbettare
Il tiratore

De schutting
De schutting.taal
Schutteren
De schutter

82

Quanti
Collina
Piccone

Hoeveel
Houweel
Heuvel

83

Bernoccolo
Bottino
Tubo

De Buil
De Buit
De Buis

84

Avvolgere in
Avvolto nel mistero
Velare , coprire

Hullen
In lompen gehuld
Verhullen

85

Fastidio

Stracarico
Defunto

Lasciare ... al caso, a desiderare
Sovrapporre, accavallare
Consultarsi (con qq)
Inondare, straripare

Overlast

Overladen
Overleden

Overlaten (aan)
Overlappen
Overleggen met iemand
Overlopen

86

Avvolto in stracci
Avvolgersi
Rivelare, svelare

In lompen gehuld
Zich hullen
Onthullen

87

Aspetto
Cartolina

Aanzicht
Ansicht.kaart

88

Dare su
Sbucare su

Uikijken op
Uitkomen op

89

Ciuccio
Prendere in giro pesantemente/ fregare

Fops.peen
Foppen

90

Rimandare

Rammendare/ rattoppare

Uitstellen

Verstellen

91

Dare forma

Prendere con un oggetto cavo
( acqua da un pozzo, sabbia)

Schepen , schiep, geschepen

Schepen

92

Favorevole, vantaggioso, conveniente (prezzo, condizioni)

Ingordo, vorace

Gunstig

Gulzig

93

Investimento
Equipaggio

Bemanning
Belegging

94

Offendere
Difendere

Beledigen
Verdedigen

95

Girare l angolo
Frequentare qq
Frequentarsi

De hoek Omgaan
Met elkaar omgaan