de berg Flashcards Preview

Parole > de berg > Flashcards

Flashcards in de berg Deck (138):
1

le condizioni atmosferiche

de weers.omstandig.heden

2

come hai raggiunto il posto?

hoe ben je ter plaatse geraakt?

3

come erano le strade?

Hoe lagen de wegen er bij?????

4

lo svolgimento del viaggio

het verloop van de reis

5

le strade erano impraticabili

de wegen waren onberijdbaar

6

la lastra di ghiaccio

de ijzel

7

visibilità ridotta

verminderde zichtbaarheid

8

la neve giace

de sneeuw ligt

9

lo spazzaneve

de sneeuruimer

10

lo spargisale

de strooidiensten

11

lo spargisale

de strooibilijet

12

la nebbia

de mist

13

la foschia

de nevel

14

la piioggia

de regen

15

il sole

de zon

16

condizioni invernali

winterse weersomstandigheden

17

la lezione di sci

de skiles

18

un certo livello

het behaalde niveau

19

slittare
La slitta

sleeen

De slee
De helling

20

fare un pupazzo

een sneeuwman maken

21

fare sci di fondo

langlaufen

22

organizzare un comattimento a palle

sneeuwballen.gevecht organiseren

23

pattinare

schaatsen

24

la pista di sci

de skipiste

25

la slitta

de slee

26

organizzare una

sneeuwballen.gevecht organiseren

27

la valanga

de lawine

28

il pattimo

de schaats

29

pattinare

schaatsen

30

la neve è buona?

is hij (sneeuw) goed of slecht van kualiteit.

31

la neve è sciolta?

is het smeltende sneeuw?

32

c'è tanta neve?

is het een dik sneeuwtapijt?

33

come è la temperatura?

hoe is de temperatuur?

34

ha ghiacciato stanotte?

Heeft het 's nachts gevrozen?

35

abbondante

overvloedige sneeuw

36

media (qualità)

middelmatige sneeuw

37

poiggia fitta

hevige regen

38

ghiacciata notturna

nachtvorst

39

visibilità ridotta

beperkt zicht

40

temperatura media

de gemiddelde temperatuur

41

situazione caotica

chaotische situatie

42

le piste sono aperte

de skipistes zijn open

43

è stato divertente?

was het plezierig?

44

c'è stato sole?

scheen de zon?

45

è stto divertente

het was grappig

46

è freddo

het was koud

47

c'era sole

de zon heeft geschenen

48

ha piovuto

het heeft geregend

49

è stato bel tempo

het was mooi weer

50

La montagna

de berg

51

ila cima

de top

52

il fianco

de flank van de berg

53

la collina

de heuvel

54

la valle

de vallei

55

lo chaler

het chalet

56

lo stambecco

de gems

57

il pino

de dennenboom

58

la mucca

de koe

59

la marmotta

de marmot

60

le genzianella

het gentiaantje

61

Catena montuosa
Massiccio

Bergketel
Gebergte

62

Oh che freddo che ho!!

Oh wat heb ik "het koud"!!

63

Fiordo
Ghiacciaio
Grotta
Lava
Canaletto fossato

De fjord
Gletsjer
Grot
Lava
Greppel

67

La brina

De rijp

68

Il camoscio
La marmotta
Lo stambecco

De gems
De marmot
De Alpen.steenbok

69

Racchette da neve

Raket

70

Cima innevata

Top

71

Seggiovia

Stoeltjes.lift

72

Slittino
Pista da slittino
Fare una discesa in slittino
Andare in slittino

Rodel
Rodelbaan
Van een helling (af) rodelen
Rodelen
Roddelen pettegolare

74

Ski - lift

Skilift

75

Skipass

Skipas

76

Cabinovia
Cabina
Mongolfiera e cesta

De Kabelbaan, gondelbaan
Gondel
De Luchtballon
De Gondel

77

Lo scarpone
L attacco

De skischoen
De step-in binding

78

Lo sci
Il bastone
L impegnatura
Il laccio del bastone

De ski (de punt, da staart)
De ski.stok
De greep
De pols.lus (passante)

79

La tuta da sci

Het ski.pak
De ski. Helm

83

La moffola

De want
Het want (il cordame di una nave)

84

Un sottile strato di neve e un pallido sole

Een dun laagje sneeuw en een bleke zon.

85

Un bosco di pini

Het dennenbos

86

La gobba
Pieno di gobbe

De hobbel
Vol hobbels
Hobbelig

87

Il burrone

De ravijn

88

Il precipizio

De afgrond

89

Sfracellato

Verpletterd

90

Ho Paura dell altezza

Ik ben Bang van hoogte

94

La resina profuma

De hars geurt

95

Il passo, il valico

De pas

96

L equipaggiamento dell alpinista

De uitrusting van een berg.beklimmer

97

In salita
In discesa

Bergop(waarts)
Bergaf

98

Essere in montagna
Sulla cima del monte

In de bergen zijn.
Op de top van de berg

99

C' e' neve?

Ligt er sneeuw?

100

Discendere

Dalen

101

Avere fortuna

Boffen
Met het weer

102

Localita ' sciistica

Ski.oord

103

Basse colline

Lage heuvels

104

Battere i denti

Klapper.tanden
Bibberen van de kau

105

Bosco di pini

Dennen.bos

106

In alta montagna

Hoog in de bergen

107

Battere i denti dal freddo

Bibberen van de kou, van de schrik

108

Valicare

Doortrekken

Traversare
Tirate sciacq

109

Precipitare in basso

Storten naar beneden

Storten : gettare

110

Scalatore

Berg.beklimmer

111

La neve fa presa
(E' compatta)

De sneeuw pakt
Het anker pakt
Pakken

Het boek pakt van begin tot eind

112

La neve sciogliendosi scivola dal tetto

De smeltende sneeuw
Zakte
Langs het dak
af

113

Sciogliersi

Smelten

114

Il temporale sta passando
Passare

Het onweer zakt af.
Afzakken.

115

Un dolce pendio

Een flauwe helling

116

Il tornante
La strada serpeggiante, tortuosa

De haar.speld.bocht
De kronkel.weg

Kronkelig

117

Esserci un temporale

Onweren
Het onweert

118

Fa un freddo cane

Het is gemeen koud

119

Prendere freddo

Kou vatten

Hij vat kou

120

Rischiararsi

Oplichten

121

Arrampicarsi

Klauteren

122

Scendere dalla montagna

De berg
Afdalen

123

Calarsi

(Zich laten) zakken

Zij laten zich op de grond zakken

124

E'
Nebbioso
Umido
Ghiacciato
Ventoso
Freddo / Nuvoloso

Het is
Mistig
Vochtig
Ijzig
Windig
Koud / bewolkt

125

Cadere di culo

Op zijn gat
Vallen
Op de knie vallen

126

Il trauma
Rotto
Lussato
Elicottero

De trauma
Ontwricht
Gebroken
Trauma.helicopter

127

Neve sottile

Fijne sneeuw

128

Possibilita' di nevicata

Kans op sneeuwval

129

Caduta massi

Vallend gesteente

130

La neve prende (bene)

De sneeuw pakt.

131

Cadere malamente

Lelijk komen
Te vallen

Hij kwam lelijk te vallen

132

Cadere lungo disteso per terra

Languit op de grond
Vallen

133

Quanto e' spessa la neve?
Quanto e' alto il pilone?

Hoe dik is de laag sneeuw?

Hoe hoog si de pyloon?

134

Durante le vacanze invernali
Mio fratello va a sciare.

Tijdens
De krokusvakantie
Gaat mijn broer skien

135

Il disgelo
Disgelare

De Dooi
Dooien

136

Equipaggiato

Uitgerust

137

Fare un capitombolo, ruzzolone, caduta di 17 m

Een smak (de) van 17meter
Maken

139

Soffrire il freddo

Kou lijden

140

Caduta in massa/ di gruppo

Valpartij

141

Il freddoloso
Non adatto ai freddolosi

De kou.kleum
Niet geschikt voor kou.kleumen

142

La pianta sempreverde
Sempreverde (agg)

De Groen.blijver
Altijd.groen

143

Resina
Pigna

Haars
Dennen.appel : pijnappel

144

Precipitare

Neer.storten

145

I chicchi si sono sciolti

De hagelstenen
Zijn gesmolten

146

Il ghiaccio si e' sciolto

De ijs is gesmolten

147

Passamontagna

Bivak.muts

148

Diradarsi
Prendere velocita', accelerare
Frequentare (qualcuno)

Optrekken
De mist trekt op
Optrekken MET een stel vrienden

Optrekje = pied a terre

149

Spazzaneve

Sneeuw.schuiver