Het Spel en de vrije tijd Flashcards Preview

Parole > Het Spel en de vrije tijd > Flashcards

Flashcards in Het Spel en de vrije tijd Deck (57):
0

Il biliardo
La stecca
giocare a scacchi
Giocare a carte
Giocare a biliardo

Het biljart
De keu
Schaken
Karten
Biljarten

1

Il dado

De dobbelsteen
Gooien

2

I mattoncini Lego

De lego steentjes

3

Nascondersi
Giocare a nascondino

Zich verstoppen
Spelen verstoppertje

4

Prestare

Lenen

5

Dare calci

Trappen

6

La trottola

De tol
Il pedaggio
Il casello

7

Sfortunato
Truccato
Giocare sporco

Onfortuinlijk , ongelukkig
Belabberd
Vals spelen

8

Litigare
Smettere
Fare la pace
Amichetti

Ruzie maken
Ophouden
Goed maken
Vriendjes

9

Prendere
Restituire

Afpakken
Teruggeven

10

La squadra e ' formata da 6 giocatori.

De team bestaat uit 6 spelers.

11

Suonare il pianoforte

Piano spelen
De viool
Het klave.cimbel
Het orgel

12

Giocare con la morte
Pericolosissimo (p di morte)

Met zijn leven spelen.
Levensgevaarlijk

13

Dare un effetto

Een effect geven

14

Una mossa astutA per vincere agli scacchi
Vincere
Perdere

Een listige zet om te verslaan met schaken
Verslaan
Verlies

15

Mescolare le cartep

De kaarten schudden

16

Cosa fai nel tempo libero?

Wat doe jij in je vrije tijd?

17

Vuoi venire a nuotare?

Wil je gaan zwemmen?

18

Hai voglia di venire a ballare?

Heb je zin om
Te gaan dansen?

19

Dove/ quando
Ci vediamo?

Wanneer/ waar
Ontmoeten we
Elkaar?

20

Io passo il mio tempo....

Ik breng mijn tijd
....voor de computer
Door

Doorbrengen

21

Fa dello sport?

Doet ze aan sport?

Ze doet niet aan sport.

22

Il mostro

De gedrocht

23

Il giardinetto
La rastrelliera

De speel.tuin
Het klim.rek

24

Il darsi per vinto

Het "opgeven"

25

Il pirata

De rover

26

L oggetto

Het Voorwerp

27

Scala di corda

Touwladder

28

Colpo di fortuna

Andare meglio del previsto

Meevaller

Meevallen

29

Essere alle prese con
Essere impegnato con

Bezig zijn met

30

Sfidare

Uitdagen

31

Stanchezza

Vermoeidheid

33

Divertirsi

Pret hebben

34

Rivincita

Revanche

35

Mescolare le carte

De kaarten schudden

36

Divertirsi

Lol hebben

37

Imitare

Na-apen (trans) = imiteren = nadoen
Na-aper

38

I difensori

Verdedigers

39

Il lanciatore

De werper

40

Tirare con l arco

Boogschieten

Te laat aan boogschieten

41

Gokart a pedali

Skelter

Skelter stelling

42

Il cavetto (elettrico)
Caricabatteril
Auricolari

Snoertje
Oplader
Oortelefoon (hoofdtelefoonheadset se ha microfono)

43

Divertirsi
Divertirsi un sacco

Pret te hebben
Een boel plezier te hebben

44

Uno per (alla) volta

Een tegelijk

45

La trottola
Giocare a trottola

De tol
Tollen

47

Fare le capriole

Bokje springen

48

Fare uno scambio alla pari

Gelijk oversteken

49

Argilla

De Klei

50

Tocca a me!
A turni

Ik ben aan de beurt!
Om beurten

51

Fare le bolle di sapone

Bellen blazen

De bellen

52

Il centro del bersaglio

Het midden van de roos
De pijlen raken het midden van de roos

53

Arrampicarsi

Klauteren

54

Giocoliere

Fare il giocoliere

Jongleur

Jongleren

55

Non ho abbastanza abilita' per giocare da difensore

Abile

Ik heb niet genoeg behendigheid
Om
Als verdediger
Te spelen
Behendig

56

Giocare a bowling

Birillo
Pista da bowling
Far cadere i birilli
Il lancio

Bowlen

De pin
De baan
De pins omver.gooien
Het worp

57

Tocca a te
Lanciare il dado

Het is jouw beurt
Om
De dobbelsteen te gooien

58

Fare le bolle di sapone

Bellen blezen

De bellen