Grammatica Flashcards Preview

Parole > Grammatica > Flashcards

Flashcards in Grammatica Deck (156):
0

Per quel che mi riguarda

Ik drink Zelf toch nooit wijn

1

Che complimenti

Wat een complimenten!

2

Sono i vicini.

Het zijn de buurmannen

3

L espressione
L enfasi
Pronunciare

De uitdrukking
De nadruk
Uitspreken

4

Trovo il parlare molto difficile , ma non lo scrivere

Spreken vind ik heel moeilikk , maar schrijven niet

5

Ogni olandese conosce rembrandt.

Iedere Nederlander kent Rembrandt.

6

Pagare col bancomat e' gratis

Betalen met pinpas is gratis

7

Quanto costa spedire la posta?

Hoeveel kost het versturen van de post?

8

Ogni tipo di cosa

Allerlei dingen

9

Quali cose mettete nel pacchetto?ogni tipo di cose

Welke dingen doen jullie in het pakket?
Allerlei dingen

10

Frasi principali coordinatr

En
Maar
Want
Of
(Dus)

11

Abbastanza grande
Grande abbastanza

Voldoende
Genoeg

12

Verbi divisibili nella frase secondaria
Mi chiedo se sei alzato (solo 1 verbo)
Mi chiedo se si alzera'.
Per poter fare richiesta per una patente, lei deve...

Mensen die me tegenkomen...
Ik vraag me af ... Of hij opstaat.

Ik vraag me af... Of hij zal opstaan.
Ik vraag me af ... Of hij op zal staan.
Om een rijbewijs aan te kunnen vragen, moet U ...

13

Che differenza c'e' tra una foto e una foto formato tessera?

Wat is het verschil tussen een foto en een pasfoto?

14

Non mi sembra pratico.

Dat lijkt me niet handig.

15

Io vado a mettermi all ingresso. Cosi' non e' necessario che mi cerchi.

Ik ga wel bij de ingang staan. Dan hoef je niet te zoeken.

16

Hai visto la mia agenda posata da qualche parte?

Heb je mijn agenda ergens zien liggen?

20

Non e' necessario che parli cosi' forte. Ti sento bene.

Je hoeft niet zo hard TE praten. Ik hoor je wel.

21

Io ho famiglia in montenegro

Ik heb familie in Montenegro.

22

Y e' una vocalo o una consonante
Vocale: xylofoon
Consonante: yoga, yogurt

Y is een klinker of een medeklinker
Hij klinkt zo:
Klinker xylofoon
Medeklinker: yoga

23

Impronunciabile

Onuitspreekbaar

24

FINIRE
Finire (terminare)
Smettere di fare
Interrompere qualcosa

Finire (di consumare)

Afmaken
Ophouden met
Onderbreken

Opmaken (de tart is op)

25

MA
Ho mal di testa , ma vado
( lo stesso ) a scuola.
Io non amo i cavalli , ma i cani (invece si).
Io non posso andare oggi, ma posso domani .

Ik heb hoofdpijn, maar ik ga WEL naarschool.
Ik houd niet van paarden , maar WEL van honden.

26

MA = E TUTTAViA

Egli mangia tantissimo e tuttavia non ingrassa mai.

Maar toch

Hij eet erg veel MAAR TOCH wordt hij nooit dikker.

27

Lisa mangia tanta verdura perche' vuole restare sana.

Lisa eet veel groente omdat zij gezond wil blijven.

28

Mio fratello vuole andare al cinema perche' ci fanno un bel film'

Mijn broer wil naar de bioscoop want er draait een goede film.

29

Io parlo quasi sempre in olandese ma le persone spesso mi parlano in inglese.

Ik probeer altijd Nederlands te spreken maar veel mensen spreken Engels tegen me.

30

Il livello linguistico

Het taalniveau

31

La maggior parte

De meeste
De meeste recente cijfers
Nb De meest recente (de recentste) cijfers

32

Pronomi dimostrativi

Deze/ die -- dit/dat
Dat zijn Italianen.
Hiermee/ daarmee anche separabili

Non sep: daarna, daarvoor, daarop
Kort daarna

33

Pronomi relativi

Die/ dat
Associati a preposizione:
Aan wie/ waarop

34

Pronome indefinito - pronome relativo

Quello - che dici

Alles wat
Iets wat
Niets wat
(Dat) wat
Het laatste wat
Het enige wat

35

Del quale

Roberto Wiens boek ik geleend heb
Roberto van wie ( o waarvan) ik het boek-
Roberto wie z'n boek ik-

36

Della quale

Barbara wier boek ik geleend heb..
Barbara waarvan boek ik...
Barbara wie d'r boek ik...

37

Di cui (oggetto)

Het boek Welks ik de titel gelezen heb...
Het boek Waarvan ik ...

38

Dei quali o delle quali (plurale)

Mila en Juko Wier adres ik ken...
Mila en Juko waarvan het adres ik ken...
Mila en Juko wie d'r adres ik ken...

39

Del quale (in generale)

Waarvan

40

Persona / Preposizione - cui /verbo

L uomo /Nella cui sedia sono seduto/ e ' mio zio.

De man /in wie z'n stoel ik zit/is..
De mannen /in wie hun stoelen wij.../zijn..

41

Una cosa / preposizione () - della quale..../ verbo
Es
La casa /sul (tetto) della quale ...il gatto vive/ verbo.

Es (riformulato)
Het huis/ WAAR de kat op het dak woont/ is ingestort.

42

Eccezioni ad "een"

Ik ben dokter, Nederlander.
Hij is enig kind.
Wat een mooie boeken!!

43

Uso obbligatorio dell'articolo:
La natura
La storia
La vita

De natuur
De geschiedenis
Zo is het leven

44

Mi chiedo se lui si alza presto.
Mi chiedo se lui si alzera' presto.

Ik vraag me af OF hij vroeg opstaat.
Ik vraag me af OF hij vroeg zal opstaan/
Vroeg op zal staan

45

Vale per ....

Geld dat voor ...?

46

Tutti tranne uno
Forse tranne " non so nulla"

OP een NA allemaal

Mischien OP "ik weet het niet" NA.
De Op een na beste is ...

47

Op
In campagna
Sulla guancia
Su e giu' per la strada
Lui ha alti e bassi

Op het platteland
Een kus Op de wang
De straat Op en weer lopen
De trap op en af
Het gaat met hem op en neer

48

Op
Su e giu' dalla scala
E' finito.
Sul tavolo

De trap Op en af
Het is op (zuiker)
Op tafel

49

Una persona (m) importante
Una persona (f) importante

Een belangrijk iemand
Een aardig mens

50

L H universitario
Il corpo umano
La visita medica

Het academisch ziekenhuis
Het menselijk lichaam
Het medisch onderzoek

51

Il trasporto pubblico
Il museo cittadino

Het openbaar vervoer
Het stedelijk museum

52

Di che colore e'?

Wat voor kleur is het?

53

Defunto

Wijlen
Wijlen professor Van Straten

54

Tutti vanno in vacanza, vero?

Iedereen gaat toch op vacantie.
Iedereen gaat op vacantie, toch?

55

//wel//
1.diminutivo: va bene, credo.
2.accrescitivo, anche vs niet
3. Zullen wel: probabilmente, suppongo. Egli E' malato, suppongo.

1. Hoe gaat het? Het gaat wel.
2. Hij is wel aardig.
Ik niet, maar jij wel!
3. Hij zal WEL ziek zijn.

56

//maar//

Ik heb Alleen maar een broer.
Ik heb Maar een broer (maar ook een zus)

57

Zullen + wel

Hij zal wel ziek zijn.

E' malato, credo.

58

Zullen + maar

Limburg: je zal er maar wonen!

Limburgo: immaginati di viverci (che brutto).
Het zal je kind maar wezen.
Immaginati che sia tuo figlio... Che brutto...

59

Left side

FF / RP / INDOB' / DIROB'

60

Middle part

EHD / time / mannar / place

Tempo: verso il tempo piu' specifico
Oggetti diretti: prima gli specifici

61

Right side

NIET
Misc / prefix FF/ other verb

62

Miscellanea

--EHD postpositiom
--indirect object (non ridotto)
--Complemento (dei verbi copula: intrans: zijn, blijven, raken, lijken
Trans: vinden, noemen)
--place indication of direct object
--Oggetto preposizionale (phrasal verbs)

63

(Phrasal verb)
Devi prima togliere lo sconto dall importo totale

Je moet
Eerst
De korting
Van de totaalbedrag
Aftrekken

64

Reserveren

Halveren
Feliciteren
Informeren
zich interesseren
Proberen
Studeren

65

1 zou
Condizionale nel presente
Andrei

Io ci andrei ma...
Se voi poteste avere un passaggio, andreste alla festa.

Ik zou gaan maar...

Als jullie mee konden rijden, zouden jullie naar het feest gaan.

66

2 zou
Condizionale nel passato
Sarei andato

Ik zou
gegaan zijn...
Ik zou
gezien hebben...
Zij zouden het mij hebben laten zien...

68

3 zou
Condizionale nel passato contratto

Io lo avrei lasciato vedere (lo avrei mostrato) se..

Ik ZOU het HEBBEN - laten zien als...
Ik HAD het - laten zien als...

69

4 zou
Io avevo intenzione di andare in germania lo scorso anno, ma...

Ik zou vorig jaar naar Duitsland gaan , maar...

70

5 zou/ richieste cortesi
Potrei- potresti-potrebbe

Potrei parlare con mr Sajet, pf?
Potresti farlo per me,pf?

Zou ik meneer Vos kunnen spreken??
Zou je dat voor mij kunnen doen?

Zou ik uw paraplu mogen lenen?

71

6 zou/ richieste cortesi
Vorresti essere cosi gentile da scrivere la seguente cosa nell agenda:

Zou u zo goed willen zijn om
Het volgende
In de agenda
Te scrijven:

72

Vuole essere cosi' gentile da...
Posso chiederle di...

Mag ik U verzoeken om...

73

7 zou/wou
Vorrei

Ik wou graag...
Ik zou graag...

Ik wou graag een kopje thee (hebben).
Ik wou graag een kilo appels (hebben).
Ik zou een pond bananen willen hebben.

74

8 zou
Avere intenzione di

Io ho intenzione di partire alle 6.
Io avevo l' intenzione di partire alle 6.

Ik

Ik zou om 6 uur vertrekken maar...

De bedoeling (plan) om

75

A
Verbi + participio passato

Zijn (movimento con direz menzionata o implicita come langslopen)
(Verbi link)
Hebben
Worden

76

B
Verbi + participio passato
(Movimento)

Ik heb op straat gewandeld.
Ik ben naar huis gewandeld.
Ik heb op hoge hakken gelopen.
Ik heb in de bergen geklommem
Ik ben op het dak geklommem
Attenzione: vallen en zinken SOLO zijn.

77

C
Verbi + participio passato
(Cambiamento di stato)

Bederven / genezen / scheiden /
De melk is bedorven (int)
Zij hebben de feest bedorven (trans)

78

D
Participi passati dei verbi ausiliari

Anna ha voluto un gelato.
Anna ha voluto mangiare un gelato.

Anne heb een eisje gewild.
Anne heb een eisje WILLEN eten.

79

E
Participi passati dei verbi modali

Gemogen
Gemoeten

Gekund
Gewild

80

N) Te + infinito
5 casi

1 te-continuo
2 te-gerundivo
3 coi verbi DHHK
4
5
6

80

1) Te - continuo

Staan
Hangen
Liggen
Zitten
(Lopen) de juf loopt op straat te zingen

83

2) gerundivo

" da fare "

Zijn
Blijven
Vallen (essere)

Het was "te proberen" gewest .

83

3) DHHK (al participio: infinito)

Durven
Hoeven niet
Hebben (avere qq "da ...fare")
Komen (essere prossimo "a scadere")
Het komt te vervallen, het is komen te vervallen

84

4) DAT verbs nelle short subclauses

Il mio fratellino desiderava diventare re.

Beloven (om)
Wensen (om)
Beweren sostenere,affermare
Blijken to appear
Lijken to seem
Schijnen to seem
Denken
Hopen

84

5) OM - verbs (door, na, alvorens, in plaats van, zonder)

Aanmoedigen
Wensen

Beloven
Bevelen

Proberen

Verlangen

Verzoeken richiedere
Vragen

86

6) OM
Om per indicare lo scopo di una azione: per vedere un film
Om per indicare la funzione di un oggetto
Negli altri casi OM puo' essere omesso.

Om een film te kijken.
Een apparaat Om een boek te lezen

Vergeet niet (om) te komen.

87

7) Verbi ausiliari senza il TE

--Modali + gaan

--Ausiliari transitivi: vedere + voelen

88

8) Io sono contro il fumo

Ik ben tegen roken?

89

Dopo ... aver fatto. ...

Na een uur te hebben rondgelopen, gingen wij... (E' possibile con NA solo la forma al passato)

90

Egli rimane a casa.
Egli rimaneva a casa.

Hij bleeft thuis.
Hij bleef thuis.

91

Che numero e' oggi?
Cade di lunedi

De hoevelste is het vandaag?
Het valt op maandag
Het is 3 september.
Het is de derde.
1969 : negentien negenenzestig

92

Dice che lo troverebbe bello.
Disse che lo avrebbe trovato bello.

Hij zegt dat hij het leuk zou vinden ??
Hij zei dat hij het leuk zou hebben gevonden ??

93

Disse che era stato in GB

Hij zei dat hij in Engeland was geweest.

94

Essere sufficiente, bastare
Essere abbastanza

Averne abbastanza di

Voldoende zijn
Genoeg zijn

Genoeg hebben van

95

Genoeg
E' piu' che sufficiente.
Basta chiacchere!

Basta cosi'...

Het is meer dan genoeg.
Genoeg geklets.t !!

Zo is e' genoeg.

96

Queste sono le persone presso le quali noi alloggiamo.

Dat zijn de mensen bij wie wij logeren.

97

Non e' un parco in cui entrare.

Het us geen park om in te wandelen.

98

Il sig de wit ha promesso di telefonarmi ma..

Meneer de wit heeft beloofd om mij op te bellen maar ik heb nog niets van hem gehoord.

99

1a) verbi transitivi che reggono ZIJN

Beginnen
Naderen (avvicinarsi a)
Nagaan (controllare, figurarsi)
Oversteken
Tegenkomen
Verliezen

100

1b) Verbi che reggono ZIJN/hebben a seconda del significato

Vergeten
(Hebben: lasciare da qualche parte o dimenticato di fare - zijn: non ricordare)
Ik heb vergeten te schrijven.
Ik heb de paraplu vergeten
Ik ben je naam vergeten

Verleren (hebben o zijn)

102

Hai mai nuotato nel mar baltico?

Heb je ooit
In de oostzee
Gezwommen?

102

1c) Verbj che reggono
Zijn o hebben

Verloren
Kwijt zijn

Verliezen (hebben!/zijn)
Ik heb de verkiezing verliezen

103

Frasi passive -- impersonali

Er diventa il soggetto della frase.

Er wordt hier - hard gelachen.
Er wordt hier - veel gelachen.

105

Frasi passive -- con soggetto indefinito

Er worden tweedehands meubels op de markt verkocht.

105

Verbi associati

Gaan zitten
Blijven staan

Leren kennen

Blijven zitten ( essere bocciato)

106

Da chi e' comprata la casa?

Door wie is het huis gekocht?

107

Anche se

Sebbene

Ook als

Ook al

108

Per caso (?)

Weet je ook hoe laat het is?

Heeft U ook sigaretten?

109

Applicare la regola

De regel gebruiken

110

L utilita'
Utile
Inutile

Het nut
Nuttig
Nutteloos

111

Sette persone , tra le quali il tiratore

Zeven mensen onder wie de schutter

112

E' opportuno che i bambini si alzino di fronte agli anziani

Kinderen
behoren
Op te staan
Voor ouders

113

Stanno insieme

Horen bij elkaar

114

Un po'
Un pezzo di
Un mucchio di
Una pila di
Un sacco di
Uno strato di neve polvere

Een beetje, wat
Een stuk brood
Een hoop mensen
Een stapel boeken
Een heleboel sneeuw
Een laag stof/ sneeuw

115

INIZIARE
Continuare

Beginnen met
Doorgaan met

116

Quanto piu' stressato e' un genitore, tanto piu' grandi e' la probabilita' che suo figlio sviluppi obesita'

Hoe gestrester
De ouders zijn,
Hoe groter
De kans dat
Hun kind obesitas ontwikkelt

117

Probabilmente

Wel geen

Ik heb
Wel geen
Aanbidder

118

Un bel po' di...

E' piovuto bello forte

Ze is
aardig wat
Kilo's kwijt.

Het is
aardig hard
Geregend.

119

E' necessario , occorre che Lei vada...

U Dient te gaan...

120

Siamo in tre

Wij zijn met z'n drieen (ons)
Zij zijn met z'n drieen (hun)

Met z'n hoevelen nemen zijn aan de wedstrijd deel?

Met z'n of ons allen
met zijn beiden
Met velen / met weinigen

Anche possibile : wij zijn met drie

121

Sequenza delle parole

Word.volg.orde

122

Frase secondaria
Spero che tu abbia capito tutto

Ik hoop dat je alles hebt begrepen

123

Frase secondaria
Caso verbi multipli ( Tre o piu verbi)

Che tu puoi far lavare la macchina

Dat je
Jouw auto
Kunt
Laten wassen

124

Frase secondaria
Verbi associati a TE +infinito

Perche' sto leggendo

Omdat
Ik
Zit
Te lezen

125

Frase secondaria
Aan het bestuderen

Mentre noi stiamo studiando la grammatica

Terwijl wij
De grammatica
Aan het bestuderen
Zijn.

126

Frase secondaria con verbo divisibile

Ik vraag me af of
Hij vroeg opstaat

Hij vroeg zal opstaan
Hij vroeg op zal staan

127

Frase secondaria
Corta (stesso soggetto)
Che sarei venuto / di venire

Ik had beloofd dat
Ik op zij verjaardag zou komen.

Ik had beloofd
Op zijn v. Te zullen komen

128

Frasi relative attive e passive
La casa dove ho vissuto ...
La casa che verra' dipinta...

Het huis waar hij heeft gewood...
Het huis dat geschilderd wordt...

129

Sbagliando si impara
Telefono' mentre camminava

Al doende leert men.
Al lopend telefoneerd hij
Hij telefoneerd lopend

130

Prima di ... Verbo infinito

Tevoren te gaan

131

Almeno

Ten minste

132

SIA il personale olandese CHE quello non olandese

Zowel
Nederlands personeel
Als
Niet-Nederlands

133

Molti di loro

Velen van hen

134

La qual cosa

Hetgeen

135

Ho dimenticato il tuo compleanno

Ik BEN
Je verjaardaag
Vergeten.

136

Spettabile signor / signora
Cordiali saluti

Geachte heer / mevrouw Verweij,
hoogachtend, xx

137

Caro / carissimo!
Saluti / salutoni!

Beste , Lieve ....
Met vriendelijke groet , groetjes

142

Perche' (nelle risposte)

Omdat (opinione)
Doordat (dato che)

143

Should
Dovrebbero alzarsi
Per persone piu anziane

Behoren
Op te staan voor ouderen

144

Non dovrebbero
Guadagnare queste somme

Zij behoren
Deze bedragen
Niet te verdienen

147

I. E. Sta per id est

Ie staat voor id est

148

Con l eccezione di

Muv
Met uitzondering van

149

Eccezione

Uitzondering

150

Prima /
Poi

Eerst
Dan (toen)
Daarna
Vervolgens
Verder
Tenslotte

151

Iniziare

Inzetten

152

La mia seconda domanda e':
Il mio indirizzo e':
Il mio numero di telefono e':
La regola dice come segue:

Luidt als volgt

Luiden

153

La mia domanda E' la seguente:

Luidt als volgt.

154

Soggetto impersonale
Sono madre e figlia

Het zijn
Moeder en dochter

155

Niet

Persone che non conosco

Mensen
Die ik niet ken

157

Non e' necessario

Dat IS niet nodig.
Dat Hoeft Niet.


Ik HEB een kaartje nodig.

158

Questo (de), questi (de, het)
Quello (de), quelli (de, het)

Deze
Die

159

Alleen maar

Ik maakte alleen maar ((just)) een geintje hoor!
Ho fatto solo uno scherzetto!

160

Al contrario.

Integendeel.

161

Loro hanno iniziato la costruzione della casa

Bb

162

Con grande gioia
X ha sentito
Che l orologio poteva essere ancora riparato

Zz

163

Il nonno non poteva
Andare fuori
Ne oggi ne domani

Cc

164

L uomo che mi ha udtato
Voleva rubarmi il portafoglio

Cc

165

Qusto treno non va di sabato

Deze trein rijdt niet op zondag?

166

Una insegnante e' "una donna"

Een lerares is
een mevrouw.

Een leraar is
een meneer.