Verbi Flashcards Preview

Parole > Verbi > Flashcards

Flashcards in Verbi Deck (107):
1

Suonare la batteria

Drummen

2

Andare sui pattini

Rolschatsen

3

Giocare a scacchi
Andare bene


Schaken
Schikken

4

Fare (porre) una domanda

Een vraag stellen

5

Alzare la mano

De hand opsteken

6

Ascoltare il nastro

Naar de tape luister

7

Condividere il libro

De boek delen

8

Guardare un video

Naar een video kijken

9

Uscire con qualcuno

Met iemand uitgaan

10

Farsi un bagno

Een bad nemen

11

Lavarsi i denti

Tanden poetsen

12

Pettinarsi

Het haar kammen

13

Preparare la cena

Het avondeten klaarmaken

14

Preparare il tavolo

De tafel dekken

15

Sparecchiare

De tafel afruimen

16

Cenare

Dineren

17

Lavare i piatti

De afwas doen

18

Chiaccherare

Kletsen

19

Usare il pc

De computer gebruiken

20

Fare bricolage

Knutselen

21

Non mi importa (i dont mind)

Il vind het niet erg

22

Girarsi voltarsi

Zich omdraaien

23

Iniziare una relazione

Een relatie beginnen

24

Uscire con qualcuno

Met iemand uit gaan

25

Stand someone up

Iemand laten zitten

26

Turn someone down

Iemand afwijzen

27

Avere cose in comune

Dingen met elkaar gemeen hebben

28

Rannuvolare

Bewolken

29

Prestare

Lenen

30

Tagliare la linea telefonica

De lijn verbreken

31

Passare una telefonata

Een gespreek doorverbinden

43

Abbaiare

Blaffen

44

Belare

Blaten

45

Ruggire

Brullen

46

Fare qua qua

Kwaken

47

Ragliare

Belken

49

Prudere

Jeuken

50

Muggire

Loeien

51

Miagolare

Miauwen

52

Iniziare una relazione

Een relatie beginnen

53

Scaricare qualcuno

Iemand afwijzen

Afwijking : disturbo, difetto

54

Uscire con qualcuno

Met iemand uit gaan

55

Avere cose in comune

Dingen met elkaar hebben

56

Coprirsi di nuvole

Bewolken

57

Diluviare,
Essere fradicio

Stortregenen,
Doorweekt zijn

58

Giocare a biliardo, a bowling

Biljarten, bowlen

59

Viaggiare senza biglietto

Zwartrijden

60

Sopportare qualcuno (stand someone up)

Iemand laten zitten

61

Lavare i piatti

De afwas doen

62

Guardare un film

Een film kijken

63

Suonare il pianoforte

Piano spelen

65

Rilassarsi

Zich ontspannen

69

Fare una domanda

Een vraag stellen

70

Condividere un libro

Een boek delen

73

Alzare la mano

Je hand opsteken

77

Rossetto

De lippenstift

78

Fare rumore

Herrie maken

79

Stabilire

Zich vergissen

80

Stabilire

Vestigen

81

Fornire

Bevoorraden

82

Distribuire (to deliver)

Iets leveren

83

Stimare

Schatten

84

Consistere in

Bestaan uit

85

Accedere (www)

Toegang hebben
Het www, het internet

86

Interrompere

Onderbreken

87

Rifiutarsi (di fare)

Incantarsi,bloccarsi

Weigeren

88

Essere alle prese con,
Essere impegnato

Met iets (iemand) bezig zijn

89

Costare un mucchio di soldi

Een hoop geld kosten

90

Fare rumore
Sussurrare

Herrie maken
Fluisteren

91

Inciampare

Struikelen

92

Pridere
Grattarsi

Jeuken
Krabben

93

Respirare

Ademhalen

94

Tirare vento
Salutare con la mano
Sventolare

Waaien
Zwaaien
Zwuiven

95

Avere intenzione di

Eruit zijn om

96

Osservare

Bekijken

97

Riguardare

Betreffen

98

Convincere

Overtuigen

99

Convincersi di...
Negoziare

Overtuigen...
Onderhandelen

100

Muovere
Piazzare

Bewegen
Plaatsen

101

Avere qualcosa in comune

Iets gemeen hebben

102

Fare di nuovo qualcosa

Iets nogmaal doen

103

Sperare in

Hopen op

104

Rendere fruttare

Opbrengen

105

Aprire/chiudere
Aprirsi/chiudersi

Opendoen/dichtdoen
Opengaan/dichtgaan

106

Colpire

Raken , raakte, geraakt

107

Gattonare

Kruipen

108

Fare provvista di
Frantumare
Imboccare (una via)

Inslaan

109

Girare l angolo
Capovolgersi (barca)
Arrotolare le maniche
Avvolgere la sciarpa

Omslaan

110

Diminuire, regredire, prendere
Aumentare

Afnemen (trans, intrans)
Toenemen

De zickte neem af. Iemand bloed afnemen

111

Piacere (impersonale)
Partorire

Bevallen

112

Avvicinarsi a

Naderen

113

Colpire
Andare, camminare, pestare

Treffen
Treden

114

Cambiare

Veranderen
Denaro: wisselen
Di aspetto: veranderen van
Perche' usurato: vervangen, verwisselen
Perche' sporco: verschonen
In un negozio: ruilen

115

Avere o essere

Ik heb dorst
Ik heb het koud
Ik heb geluk

Ik ben verkouden
Ik heb griep

116

Poetin se ne frega delle sanzioni

Poetin
Geeft niets om
Sancties

117

Visitare

Bezoeken

118

Accelerare
Dissolversi (nebbia)
Frequentare una coppia di amici
Inarcare le sopracciglia
Costruire in stile barocco

Optrekken

119

Essere parte di / Far parte di

Appartenere

Behoren tot

Toebehoren

120

Intralciare
( il traffico, l avversario)

Belemmeren
Hinderen

121

Impedire

Verhinderen

122

Punzecchiare

Plagen

Fel plagen = sarren

123

Punzecchiare
(Inf) sfottere

Fare i dispetti a qq
Per dispetto

Pesten

Iemand pesten
Om te pesten

124

Tormentare

Kwellen

125

Dare fastidio a qualcuno

Iemand Lastig vallen

126

Sospendere
La riunione
I giocatori

Schorsen
De vergadering
De spelers

127

Significare (avere valore pari a)
Significare (volere dire, equivalere a dire)

Certe Accezioni

Betekenen
Bedoelen

Bepaalde betekenissen

128

Diradarsi
Prendere velocita'
Frequentare (qq)

Optrekken

Optrekken met een stel vrienden