Over/neer/in/uit/vast Flashcards Preview

Parole > Over/neer/in/uit/vast > Flashcards

Flashcards in Over/neer/in/uit/vast Deck (35):
0

Consultarsi

Overleggen met

1

Attraversare

Oversteken

2

Avanzare

Overhebben

Ik heb geen cent overgeha
Jij zullen geen cent overhebben

3

Persuadere

Overreden

4

Risparmiare

Overhouden

5

Rifare
Rileggere
Riscrivere

Overdoen
Overlezen
Overschrijven

6

Fare indigestione

Zich overeten

7

Abbattere tirare giu

Neerslaan

8

Appollaiarsi

Neerstrijken

9

Mettere giu', deporre

Neerzetten

10

Sforzarsi

Inspannen

11

Cospargersi spalmarsi

Insmeren (tegen zonnebrand)

12

Restare bloccato nella neve

Insneeuwen

13

Incidere (la cute)

Insnijden

14

Avere un aspetto

Er uit zien

15

Avere inetnzione di

Er uit zijn

16

Uscire

Uitgaan

17

Lasciare un luogo (a piedi)

Uitlopen

18

Germogliare
Mettere le foglie
Sbocciare
Il germoglio

Uitlopen
De uitloper

19

Finire (sfociare in)

Uitlopen (op niets)

20

Sbavare (inchiostro)

Uitlopen

21

Eseguire, portare a termine, realizzare

Uitvoeren
Het werk was goed uitGEvoerd.

22

Sforare di 10 minuti

10 minuten uitlopen

23

Bloccare
Il traffico e ' bloccato

Vastlopen

24

Tenere fermo

Vasthouden

25

Allacciare

Vastmaken

26

Ormeggiare

Vastleggen

27

Stabilire (una data)
Fissare, dare un appuntamento
Impegnarsi con qualcuno per fare qualcosa

Vastleggen
Afspreken
Met iemand afspreken im iets te doen.

28

Serrare
Serrare una porta

Vastklemmen

29

Rifare

Overdoen
Doe het over

30

Realizzare
Rappresentare (un pezzo teatrale)
Eseguire (un brano musicale)

Uit.voeren

31

Indagare

Uitzoeken

32

Risoluto

Vastbesloten

33

nPassare, Trasmettere (la corono)
Arrendersi

Overgeven
Zich overgeven

34

Passare sopra , attraversare, oltrepassare--
passare, vomitare, zich: arrendersi--
Succedere--

Overgaan--
Overgeven--
Overkomen--