le relazioni personali Flashcards Preview

Parole > le relazioni personali > Flashcards

Flashcards in le relazioni personali Deck (356):
1

la gente

de mensen

2

la persona

de persoon

3

l'amico
amico per la pelle

de vriend
De boezemvriend

4

l'amica

de vriendin

5

il coinquilino

de huisgenoot

6

il gruppo

de groep

7

la cerchia di amici

de vriendenkring

8

l'amico comune

de gemeenschappelijkevriend

9

il single

de single

10

l'amicizia

de vriendschap

11

la simpatia

de sympathie

12

il compagno di scuola

de schoolkamerade

13

i vicini

de buren

14

il vicino

de buurman

15

il conoscente

de kennis

16

lo sconosciuto

de onbekende

17

signore

meneer

18

falso o sincero

vlals of oprecht

19

insieme o soli

gemeen of alleen

20

fare conoscenza

kennis maken R

21

invitare fuori

uitnodigen R

22

fidarsi

vertrouwen R

23

rimorchiare

versieren R

24

andare in giro

rondhangen

25

contare su qualcuno

rekenen R

26

conoscere

kennen R

27

D dove ci incontriamo

waar ontmoeten we elkaar

28

una amicizia stretta

een hechte vriendschap

29

sedurre

verleiden -R

30

signorina

mejufvrauw

31

il ragazzo

de vriend

32

il single

de single

33

essere innamoratissimo di

smoorverliefd zijn op

34

il fidanzato

de verloofde

35

il coniuge maschio

de echtgenoot

36

il matrimonio

het huweijk

37

gli sposini

de pasgetrouwden

38

la sposa

de bruid

39

lo sposo

de bruidegom

40

il viaggio di nozze

de huwelijkreis

41

lo sposalizio

de bruilof

42

l'anniversario di matrimonio

de trouwdag

43

fare una proposta di matrimonio

een huwelijksaanzoek doen

44

l'amore

de liefde

45

l'amore a prima vista

de leifde op het eerste geziecht

46

romantico

romantisch

47

gentile

vriendelijk

48

da solo

alleen

49

fedele

trouw

50

sposato con

getrouwd met

51

baciare

kussen of zoenen R

52

fare le coccole

knuffelen R

53

abbracciare

omhelzen R

54

stringere tra le braccia

omarmen R

55

fidarsi di

vertrouwen R

56

legarsi a

zich aansluiten

57

premuroso

attent

58

sedurre

verleiden R

59

accarezzare

strelen R

60

la coccola

de knuffel

61

l'antenato

de voorvader

62

il discendente

de nakomeling

63

i genitori

de ouders

64

i nonni

de grootouders

65

i bisnonni

de overgrootouders

66

i genitori adottivi

de pleegouders
Biologische ouders

67

i fratelli e sorelle

de broers en zussen

68

fratello maggiore

oudere broer

69

il gemello

de tweeling

70

il figlio unico

het enige kind

71

l'orfano

de wees
Weeshuis

72

la vedova

de weduwe f

73

il vedovo

de weduwnaar m

74

il legame

het verband

75

il ragazzo

Il monello

de jongen

De Stoute jongen

76

la ragazza

het meisje

77

la famiglia

de familieleden

78

lo zio

de oom

79

il cugino

de neef de nicht

80

Nonno

de grootvader

81

il nonno da parte paterna

de vrootvader van vaders kant

82

il nipotino

de kleinzoon

83

i suoceri

de schoonouders

84

il suocero

de schoonvader

85

la nuora

de schoonzus V

86

la nipote di secondo grado

de neef in de tweede graad

87

il membro della famiglia

de famile lid

88

la famiglia allargata

de verre familieleden

89

il fratellastro

de halfbroer

90

la sorellastra

de halfzus

91

il figlioccio

het stiefkind

92

il nonno di parte materna

de moederlijksgrootvader

93

originare o discendere

afstammen R

94

lontano

ver

95

legittimo

wettig

96

adottato

geadopteerd
Aangenomen

97

insieme

samen

98

parenti

verwant

99

famiglia unita

hecht

100

adottare

adopteren R

101

l' ex marito

de exman

102

la relazione

de verhouding

103

il rivale

de vijand

104

il traditore

de verrader

105

la traditrice

de verraadster

106

la spaccatura

de kloof

107

la tensione

de spanning

108

il litigio

de ruzie

109

l'insulto

de belediging

110

il divorzio

de echt.scheiding

111

il vizio o la cattiva abitudine

de slechte gewoonte

112

l'attacco d'ira

de woedeaanval

113

l'invidia

de afgunst
Benijden

114

la gelosia

de jaloezie

115

divorziato

gescheiden

116

cattivo

gemeen

117

avaro
Generoso

gierig
Royaal

118

geloso

jaloers

119

avere avventure

vreemd gaan

120

tradire

bedrigen

121

pettegolare

roddelen R

122

lasciare un fidanzato

uit maken R

123

insultare

beledigen R

124

litigare

ruzien R

125

litigare

kibbelen R

126

detestare

verafschuwen R

127

odiare
Disprezzare

haten R
Verachten

128

stuzzicare

plagen R

129

picchiare

slaan

130

liberarsi di qualcuno

van iemand afkomen

131

la mia fidanzata mi ha mollato

mijn vriendin heeft het met mij uitgemaakt

132

la gelosia

de jaloezie

133

arrabbiato

boos

134

il problema

het probleem

135

la scusa

de verontschuldiging

136

il litigio

de ruzie

137

non sono d'accordo

ik ga niet accord

138

urlare

roepen

139

mentire

liegen

140

l' errore

het fout

141

dispiacere

spijten

142

VERO

waar

143

avere torto o sbagliarsi

zich vergissen

144

avere ragione

gelijk hebben

145

urlare

schreeuwen

146

perdonare

vergeven

147

riconciliarsi

zich verzoenen

148

la minaccia

het dreigement

149

irritato

geirriteerd

150

rifiutarsi

weigeren

151

incolpare

de schuld geven

152

infastidire

op iemand zenuwen werken

153

imprecare

vloeken

154

in colpa o colpevole

schuldig

155

sensibile

gevoelig

156

molto maleducato

lomp

157

rude

bot

158

attento, premuroso

attent

159

dolce

lieft

160

gentile

aardig

161

cattivo

gemeen

162

gentile

vriendelijk, lief

163

tranquillo

rustig

164

chiaccherone

praatgraag

165

taciturno

stil

166

timido

verlegen

167

egoista

egoistisch

168

pessimista

pessimistisch

169

intellettuale

intellectueel

170

pratico

praktisch

171

atletico

sportief

172

intelligente

slim

173

stupido

dom

174

curioso

nieuwsgierig

175

romanitco

romantisch

176

leale

loyaal

177

musicale

muzikaal

178

artistico

artiestik

179

creativo

creatief

180

duro, fico

stoer

181

muscoloso

gespierd

182

agile

lenig

183

forte

sterk

184

debole

zwaak

185

affascinante

charmant

186

bello

knap

187

il fidanzato

de vriend

188

la relazione

de relatie

189

vivere insieme

samenwonen

190

uscire insieme
Frequentare

afspreken
Omgaan met studenten

191

uscire

uitgaan

192

la moglie

de man

193

sposare

trouwen

194

essere cotto di

smoorverliefd zijn op

195

fidanzato

verloofd

196

sposato

getrouwd met

197

divorziato

gescheiden

198

paffuto

mollig

199

volubile

wispel.turig

200

entusiasta

uitbonding

201

Il sesso (genere)

Het geslacht

202

L eterosessuale

De hetero

203

L anticoncezionale
La pillola
Il preservativo

De anticonceptie
De pil
Het condoom

Voorbehoed.middel

204

La voglia ; desiderio sessuale

De lust

205

La vergine

De maagd
Maagdenvlies

Vlies : membrana

206

La prostituta

De prostituee

207

La relazione

De verhouding

208

L amante

De minnaar m
De minnares f

209

SexyEtero/ omosessuale
Bisessuale
Lesbica

Sexy
Homoseksueel
Biseksueel
Lesbisch

210

Attraente

Aantrekkelijk

211

Erotico

Erotisch

212

Sedurre

Verleiden , verleidde, verleid

213

Astenersi

Zich onthouden , hield, houden

214

Uscire con qualcuno

Met iem. Uitgaan

215

Iniziare una relazione

Een relatie beginnen

216

Flirtare

Flirten

217

Convivere

Samenwonen

218

Baciare

Kussen Zoenen
De zoen
Een zoen geven

219

Il piacere

Het plezier., Plezier hebben

220

Fare sesso
Scopare
Violentare
Eccitato

Sex hebben
Neuken
Verkrachten
Opgewonden , Geil

221

Prendere contatto con qualcuno

Contact opnemen met de docent

222

Il beniamino
L amico per la pelle

De oogappel
lDe boezemvriend

223

Sopportare

Verdragen

224

Ridere di qualcuno

Iemand uitlachen , Lachen , Glimlachen

225

La parente
LaPatente

De verwantschap
Verwant

226

Intrigare

Intrigeren

227

Desiderare ardentemente

Smachten naar (ware liefde)

228

L antenato-- discendente

De voorvader-- De nakomeling , De afstammeling/e

229

Il genitore acquisito
Il figliastro

De stifouder. , Het stifkind

230

L ultimo nato (dopo anni)

Het nakomertje

231

Il nonno paterno

De vaderlijke grootv.

232

Scapolo

Vrijgezel

233

Figlio illegittimo

Een onwettig kind

234

Sono sposata da 10anni

Ik ben 10 jaar getrouwd.

235

Da solo

Op zijn eentje

236

Farsi una sega (inf)

Rukken


(Een touw rukken of trekken)

237

Conoscere (qualcuno)

Leren kennen.Ik leerde kennen...

238

Avere molto in comune con qualcuno

Veel gemeen hebben met iemand

239

Andare avanti bene (d accordo) con qq

Goed met iemand opschieten

Opschieten progredire

240

Non parlarsi piu '
Andare avanti bene insieme
Avere molto in comune

Aankijken niet meer
Goed met iemand opschieten
Veel gemeen met iemand hebben

241

Intrattenere buoni rapporti con qualcuno

Goede betrekkingen onderhouden met iemand

242

Rapporto, relazione

De betrekking. , (Il posto di lavoro)

243

Mantenere il contatto con qualcuno

Met iemand contact onderhouden

244

La masturbazione

Zelfbevrediging
Masturbatie

245

Masturbarsi

Masturberen. , Zich bevredigen

246

Fare la pace con qq.Comporre una lite.

HET bijleggen met iemand.Een ruzie bijleggen met iemand.

247

Lasciare in pace

Iemand met rust laten

248

E' stufo di me. , Averne abbastanza

Hij is mij zat.
Genoeg hebben van iemand

249

Andare su tutte le furie

Woest worden

250

Il litigio, il bisticcio

Het gekrakeel

251

Sbraitare
Strillare

Klijven

252

Abuso

Misbruik

253

Molestie sessuali

Seksuele misbruik

254

Eccitare eccitato

Opwinden
Opgewonden

255

Strigere la mano

Elkaar de hand schudden

256

Piselli e tette

Piemels en tieten
De piemel

257

La puttana
Andare a puttane
Quello che va a puttane
Fare la puttana

De hoer
Hoeren lopen , naar hoeren gaan
Hoeren.loper
Voor hoer zitten

258

Pestare, picchiare

Aftuigen

259

Lo schiaffo
Il pugno
Il colpo
Il calcio

De klap
De klap
De stoot
De trap

260

Uno scroccone
Un approfittatore

Een klaploper
Een profiteur

261

La famiglia
La cosa piu' importante

Het gezin
De hoofdzaak

262

La conquista

De verovering

Ontkennen : smentire, negare

263

Sentimentale

Sentimenteel

264

Essere fastidioso
Infastidire

Lastig zijn
Lastig.vallen

265

Portare in salvo

In veiligheid brengen

266

Rinviare il desiderio di un figlio

Kinderwens
Uitstellen

267

Non parlarsi piu'

Kijken elkaar
Niet meer
Aan

Aankijken

268

Cattiverie
Vigliaccate

Gemene streken
Laffe streken
Domme streken

269

Essere sottosopra
Fare dei progressi

Van streek zijn
Op streek zijn

270

Rompiballe

Klier
Klieren
Kliederen imbrattare, op zijn broek sbrodolarsi sui calzoni

271

Comportarsi come si deve
O normalmente

Gewoon doen

272

Rispondere alle provocazioni

Op provocaties
Ingaan

273

Frequentare

Omgaan met

Omkomen : morire, perdere la vita

274

Nonostante la differenza di eta'

Ondanks het leeftijds.verschil

275

Respingere qq senza ferire o offendere

Iemand afwijzen zonder kwetsen

Ik heb hem afgewezen

276

Scazzarsi con

Stront hebben met

277

Una coppietta di scatenati

Een stelletje wildebrassen

278

Ammiratore segreto

Stille aanbieder

Op handen brengen

279

Beccare
Scaricare / mollare qualcuno

Snappen
Dumpen

Vreemdganger

280

Le sono molto affezionata

Ik ben erg
Op zij
Gesteld.

281

Adottato
bambino adottato
genitore adottivo
Genitore biologico
Orfanotrofio
Paesi in via di sviluppo
Paese in via di sviluppo

Geadopteerd
Adoptie.kind
Adoptie.ouders
Biologishe ouders
Wees.huis
Ont.wikkelings.landen

282

I "cari"
Il tuo affezionato

Dierbaren
Je zeer dierbaar ...

283

Parenti (di un deceduto)

Nabestaanden

284

Riunione, raduno

Bijeenkomst

285

Il giovane ragazzo, il ragazzino

Het jochie

286

Fare tenerezza a qq

Iem vertederen

287

Sbaciucchiarsi

Elkaar Afzoenen


Peggiorativo: aflikken

288

Incontrare
Incontrare per caso

Ontmoeten

Toevallig ontmoeten: aantreffen
Treffen : trovare (colpire)

289

Innamoramento

Verlief.heid
Verlief.heden

290

Arrabbiarsi e non parlarsi piu'

Kwaad worden en
Elkaar niet meer aankijken

291

Essere stufo
di qualcuno

Iemand / iets
Beu zijn

292

Deridere schernire

Uitlachen

Janneke lacht jip uit

293

Fica

Kut

294

Scaricare qualcuno

Dumpen

295

Preliminari amorosi

Voorspel

296

Gli adulti adattano la loro comunicazione al livello del loro partner linguistico

Volwassenen passen
Hun comunicatie
Op het niveau van zijn gespreks.partner

297

Piantarla, smetterla

Uitscheiden

Schei(d) UIT!

298

Lagna, rompiscatole

De zeur

Zeuren (rompere, scocciare)
Hou op met zeuren

299

Trattare male qq

Naar doen tegen iemand

300

Imbattersi in qq o qc

Tegen iemand of iets
Aanlopen

301

Una carogna , un bastardo

Een schoft
Schofterig

Ik vind het schofterig van je.

302

Frequentare un gruppo di amici

Een stel vrienden
Optrekken

303

Una coppia

Een stel

304

Essere ai ferri corti con qq

Mer iem
In de clinch /
Overheen
Liggen

305

A braccetto

Arm in arm

306

Vuoi sposarmi?
Sposa e sposa, coppia nuziale
Il velo

Trouw je met me?
Bruid en bruide.gom
Bruids.paar , bs.meisje, bs.jurk
De sluier

307

Chiudersi a riccio

Zijn stekels opzetten

308

Fesserie

Kul

309

Affrontare qq
Rivolgersi a qq

Iemand
Aanpakken
Aanspreken

310

Provocare
Raccogliere una provocazione

Provoceren
Op provocaties ingaan

311

Frequentare qq

Met iemand
Omgaan

312

Non avere piu' niente a che fare con

Niets meer te maken hebben met...

313

La coppia

Het tweetal
Het stel

314

Senso materno
Amore materno

Moeder.gevoel
Moeder.liefde

315

Raggiungere un compromesso

Compromis
Te sluiten

316

Accarezzare qq sulla testa

Iemand
Over zijn bol
Aaien

317

Portare avanti

Brengen naar voren

318

Rottura, seccatura

Gedoe

319

Rispondere male
Trattata in malo modo

Afsnauwen
Afgesnauwd door

320

Un figlio adottivo

Een aangenomen kind

321

Fare l'amore

De liefde bedrijven
Naar bed gaan met iemand

324

Rapporto sessuale / coito

Geslachts.gemeenschap
Coitus

325

Sesso orale

Petting

Beffen = cunnilingus
Pijpen = fellatio

Vingeren

325

Rapporto, contatto sessuale

Rapporti sociali

Seksueel
Maatschappelijk //
Verkeer

325

Dormire insieme

Slapen met elkaar

326

Masturbare

Seksuele Bevredigen (=Soddisfare)

327

Scopare

Sex hebben
Naaien
Neuken

328

Non mi da nessun fastidio
= non ho nessun fastidio da esso

Ik heb er
Geen hinder
Van

329

Tenere stretto qualcuno

Iemand Strak houden

330

Sposarsi di nascosto

Stiekem trouwen

331

Rimanere scapoli, zitelle

Ongetrouwd blijven

Overblijven

332

Tradire il coniuge
Tradire

Ingannare

Bedriegen
Verraden

Misleiden /

333

Piantare in asso

(Non ci vedo un tubo)

In de steek laten

(Ik zie geen steek)

334

Il conoscente / i conoscenti

Fare conoscenza
Presentare

De kennis / de kennissen

Kennis.maken met
Voor.stellen

335

Conoscere bene qualcuno

Iemand
Goed kennen

336

La separazione

De afscheiding

337

La nonnina

Het omaatje

338

Procurare fastidio a qualcuno

Lamentele

Iemand
Overlast
Bezorgen

Klachten

339

Cappottarsi dal ridere
Rimanere di stucco
Crollare dal sonno

Omvallen
Van het lachen
Van verbazing
Van de slaap

340

Fare parte della famiglia

Horen bij onze familie

341

Quei due stanno insieme

Die twee
Horen bij elkaar

342

Puoi tenere la foto

Je mag
De foto
Houden

343

Togliersi dalla testa qualcuno

Iemand
Van zich af
Houden

344

Prendere in giro qq, beffarsi di qq

Spotten

Spotprijs : prezzo irrisorio

345

Frequentare qualcuno

Optrekken met iemand

346

Scaricare addosso tutte le imprecazioni possibili

Imprecare contro il governo

Hij heeft de agenten
De huid vol
Gescholde

Op de regering Schelden

347

Le 15 piu' comuni frasi per lasciarsi

Dobbiamo parlare.
Non dipende da te, ma da me.
Restiamo amici!
Semplicemente non sono pronto per questo tipo di relazione.

15 meeste voorkomende zinnen bij het uitmaken.

We moeten praten
Het ligt niet aan jou maar aan mij.
Laten we gewoon vrienden zijn.
Ik ben gewoon nog niet klaar voor z'n soort relatie.

348

abbiamo bisogno di un break.
Meriti di meglio.
E' il momento di incontrare altre persone.

Wij hebben even rust nodig
Je verdient beter.
Het is tijd om andere mensen te ontmoeten

349

Ho bisogno di spazio
Andiamo troppo in fretta.
Mi devo concentrare sulla carriera

Ik heb ruimte nodig.
Wij gaan te snel
Ik moet me concentreren op mij. Carriere.

350

Non siamo fatti l' uno per l' altro.
E' la cosa migliore.
"Abbiamo preso strade diverse".

Wij zijn gewoon niet voor elkaar bedoeld.
Het is het beste.
Wij zijn uit elkaar gegrooid.

351

Favore, cortesia

Gunst

Gunstig

352

Scontrarsi (figurato) con qq

Ruzie maken
Met iemand

353

Il mio fratello grande

Mijn oudere broer

354

Il fratello maggiore di ruth

De grote broer van Ruth
De kleine broer van Ruth

355

Frequentare gente losca
Frequentarsi

Omgaan met louche mensen
Omgaan met elkaar

356

Andare a vivere con qq

Introkken bij iemand