sport Flashcards Preview

Parole > sport > Flashcards

Flashcards in sport Deck (164):
1

le scarpe da ginnastica

de gympen

2

la palestra

de gymzaal

3

la palestrina

de gymlokaal

4

il centro fitness

het fitness centrum

5

in forma

fit

6

sportivo

sportief

7

senza difficolt

moeiteloos

8

lo spogliatorio

de kleedkamer

9

la medaglia

de medaille

10

la coppa

de beker

11

la scommessa

de weddenschap

12

scommettere

wedden R

13

rinforzare

sterken R

14

il lucchetto

het slot

15

la gara , la partita

de wedstrijd

16

la fatica

de inspanning

17

faticoso

inspannend

18

il giocatore

de speler

19

la giocatrice

de speelster

20

l'allenatore

de trainer

21

la giocatrice

de trainster

22

l'allenamento

de training

23

l'atletica

de atletiek

24

il punto

het punt

25

il golf

het golf

26

la racchetta da tennis

het tennisraket

27

il pingpong

het tafel tennis

28

lo sci di fondo

het langlaufen

29

l'arte marziale

de vecht.sport of de vechtkunst

30

l'inchino

de buiging

31

l'esercizio

de oefening

32

affaticarsi

zich inspannen

33

lo spogliatoio o camerino

het kleedhok

34

armadietto

het kluisje

35

sconfiggere

verslaan

36

il perdente

de verliezer

37

la stagione

het seizoen

38

il premio

de prijs

39

perdere

verliezen

40

guadagnare

verdienen

41

il campione

de kampieon

42

leale

eerlijk

43

il club

de sportclub

44

andare sui rollerblade

skaten

45

pattinare su ghiaccio

schaatsen

46

il risultato finale

de uitslag

47

il punteggio

de stand

48

sciare

skieen

49

andare sul windsurf

windsurfen

50

il tennis

het tennis

51

il coach

de coach

52

allenarsi

trainen

53

andare a vela

zeilen

54

remare

roeien

55

fare immersioni

duiken

56

la corsa

de race

57

esercitarsi

oefenen

58

correre con la bici

wielrennen

59

colpire

raken

60

lanciare

gooien

61

prendere

vangen

62

sparare

schieten

63

fare punti

scoren

64

saltare

springen

65

la corsia

de baan

66

il terreno il campo da gioco

het terrein

67

il campo

de veld

68

il darsi per vinto

het opgeven

69

la squadra

het team

70

il campo da gioco

de veld

71

il giocatore

de speler

72

il portiere

de keeper

73

l'arbitro

de scheids.rechter

74

il vincitore

de winnaar

75

il rivale

de rivaal

76

lo stadio

het stadion

77

la bandiera

de vlag

78

la squadra

het elftal

79

allenatore

de coach de treiner de treinster

80

il gol

de doelpunt

81

il fischietto

de fluit

82

il cartellino rosso

de rodekaart

83

il borsone

de sporttas

84

la divisa

de kleding

85

il tabellone

het scorebord

86

lo spettatore

de toeschouwer

87

il tifoso

de supporter

88

la tribuna

de tribune

89

i parastinchi

de scheenbeschermers

90

la partita

de wedstrijd

91

la regola del gioco

de spelregel

92

correre

rennen R

93

tirare

schoppen R

94

umiliare

vernederen R

95

fare un punto

scoren R

96

scommettere

wedden R

97

vincere

winnen

98

battere

overwinnen

99

sconfiggere

verslaan

100

il calciatore

de voetballer

101

il campo sportivo

het sportveld

102

Il doppio misto

Het gemengd dubbel

103

Perdere

Verliezen

104

Non avere mentalita' competitiva

Geen wedstrijd mentaliteit hebben

105

Vuoi anche tu diventare membro dello sportclub?

Wil je ook lid worden van de sportclub?

106

Il lucchetto

Het hangslot

107

Ritirarsi, abbandonare

AfhakenIk haak af.

108

La partita juve ajax e' finita 3 a 0.

De wedstrijd juve tegen ajax werd 3-0.

109

La partita e' finita in pareggio

De wedstrijd is gelijk geeindigd.

110

Il punteggio e' 2-1.

De stand is 2-1.

111

Postazione di soccorso

De Hulp.post

112

Campione del mondo di scacchi

Wereldcampioen schaken

113

La corsaIl circuito (auto)

De raceDe race.baan

114

L avversario

De tegenstander - standsterDe bal afpakken van de tegenstander

115

Un sorteggio favorevole

Een gunstige loting

116

Lo scommettitore, il giocatore di azzardo

De gokker

117

Sciatrice pralizzata dipo incidente

Skiester na crush verlamd

118

Gagliardetto

De wimpel

119

Passare la palla a qualcuno

Iemand de bal doorspelen

120

Un colpo sotto la cintura

Een stoot onder de gordel

121

Un colpoUn pugnoUno schiaffo in facciaUn calcio

De stootDe klapDe klap in het gezichtDe trap

122

Sudaticcio

Klam

Klamboe : zanzariera
Klemmen : serrare

123

Sfidare

Uitdagen

124

Riprendersi

Bijkomen

125

Prendere lla rivincita

Revanche nemen

Impareggiabile: weergalos
Weergaloze revanche

126

La vittoria , il trionfo

De zege

127

Fare a pezzi qualcuno

Maken gehakt van iemand

128

Onorare, rendere omaggio
L omaggio
Il tributo

Huldigen
De hulde
De huldiging

129

Avere la meglio su qualcuno
Battere qualcuno

Iem verslaan
Iem kloppen

130

Campionati europei

Europese kampioenschappen

Het kampioenschap

131

Corsetta

Loopje

133

Ginnasta

Turner
Turnster

135

Premio di consolazione

Poedel.prijs

136

Riprendere fiato

Bijkomen

137

Correre piano / veloce

Rustig / vlot
Hardlopen

138

Intenso , faticoso

Ingespannen

139

Una medaglietta con un nastro rosso

Een medalje
Met een rood lint
Het lint

140

Prendere fiato

Uitblazen
Op adem komen

141

Sono senza fiato

Ik ben
Buiten adem

142

Schieramento

Opstelling

143

L anelli da pattonaggio

De schaats.baan
De ijs.baan

144

La lama

De schaats.ijzer

145

La medaglia

De medaille

146

Lo snowboard

Het snow.board
Snow.boarden

147

Andare in slitta

Rodelen
De rodelaar

148

Pattinaggio artistico
Fare hockey

Kunst.rijden
Hokeyen

Kunstrijder

149

Fare karate

Doen aan karate

150

Fare jogging

Joggen

151

Elogiare
Cerebrare il vincitore

Loven
De winnaar

152

Cadere lungo

Plat op de grond vallen

153

Chi non risica , non rosica
Chi osa , vince

Wagen

Wie niet waagt, die niet wint.

154

Faccio karate

Ik doe aan karate

155

Vittoria
Ha perso
Hanno pareggiato 2 - 2

De overwinning
Hebben verloren
Speelden gelijk met 2 - 2.

156

5 a 1.

Vijf
Tegen
Een.

157

Associazione sportiva

Verenig.ing


Associazione culturale
Het genootschap

158

Stirarsi

Zich uit.trekken

159

Stirarasi

Zich
Uit.trekken

160

Massaggiare

Masseren

Masseur
Masseuse

161

Gocciolo di sudore dopo lo jogging

Ik druip
Van het zweet
Na het joggen

162

Lanciatore

Werper

163

Mirare a
Puntare al 6 posto

Mikken op

Mikken op plek 6

164

Allenarsi, fare esercizio

Trimmen

Trimbaan

Trimmen :: radere il pelo, tosare

165

Pattinare male, non saper pattinare

Krabbelen

Grattare, scarabocchiare

166

Pattinare male, non saper pattinare

Krabbelen

Grattare, scarabocchiare