TW10 B1 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW10 B1 > Flashcards

Flashcards in TW10 B1 Deck (116):
1

de dingen die je in je vrije tijd doet = ...

de vrijetijdsbesteding

2

wat je doet, waar je mee bezig bent = …

de bezigheid

3

de hobby = …

de liefhebberij

4

Mijn broer en ik houden van films, we gaan vaak naar de bioscoop. We zijn echte film…

liefhebbers

5

's Avonds maak ik graag mijn geest en lichaam rustig. Dan … ik …

ontspan (ik) me

6

Als … lees ik een goed boek met een rustig muziekje op de achtergrond.

ontspanning

7

De kinderen spelen vaak buiten in de …

speeltuin

8

Wat zijn de tijden van LUIEREN?

luierde, heeft geluierd

9

op stap gaan = … …

gaan stappen

10

het café = …

de kroeg

11

In een pretpark zoals Walibi zijn er veel …

attracties

12

een grote gebeurtenis voor veel mensen = …

het evenement

13

Iedereen kent dit en vindt dit geweldig. Het is …

populair

14

de vereniging = …

de bond

15

de collectie = ...

de verzameling

16

Ik speel tien instrumenten, ik ben erg …

muzikaal

17

Iemand die van muziek houdt is een …

muziekliefhebber

18

de fanfare = …

de harmonie

19

dingen maken uit hout, lijm, papier, … = …

knutselen

20

wat zijn de tijden van BREIEN?

breide, heeft gebreid

21

soort zware grond die gebruikt wordt om potten, bakstenen enz. te maken = …

klei

22

Ik gebruik … om deze dingen aan elkaar te kleven.

lijm

23

de camera = …

het fototoestel

24

foto's maken = …

fotograferen

25

Iemand die foto's maakt is een …

fotograaf

26

groter maken = …

vergroten

27

het internet gebruiken = …

internetten

28

wat zijn de tijden van SURFEN?

surfte, heeft gesurft

29

een bericht versturen via de computer = …

e-mailen

30

wat zijn de tijden van CHATTEN?

chatte, heeft gechat

31

met de computer werken of spelen = …

computeren

32

Sinterklaas brengt altijd … voor de brave kinderen.

speelgoed

33

een steen met 21 ogen = …

de dobbelsteen

34

Een spel met ballen en een keu op een tafel met een groen laken = ...

het biljart

35

Een spel met een koning, koningin, paarden, lopers en pionnen = ...

het schaken

36

een moeilijke vraag met soms een grappig antwoord = een …

raadsel

37

actief zijn in iets = …

beoefenen

38

Ik doe dit niet als beroep, maar wel omdat ik het leuk vind. Ik ben een …

amateur

39

Ik voetbal en dat is ook mijn beroep. Ik ben een …

prof / professional

40

iemand die erg sportief is = …

de sportieveling

41

de toestand van je lichaam = …

de conditie

42

Als je niet volgens de regels speelt, dan speel je …

vals

43

de sterkste zijn in een wedstrijd = …

overwinnen

44

iemand die wint = …

de winnaar

45

iets goed doen = …

presteren

46

Ik heb een grote … op jou, ik zal er eerder zijn dan jij.

voorsprong

47

Ik heb een grote … op jou, je rijdt ver voor mij.

achterstand

48

Ik ben de … in schaatsen. Ik ben de beste van allemaal.

kampioen

49

degene die verliest = …

de verliezer

50

Ik win van jou. Ik … je.

versla

51

Tijdens het sporten heb ik mijn knie pijn gedaan. Nu heb ik een …

blessure

52

gokken = …

wedden

53

de wedstrijd = …

de match

54

een gevecht tussen twee personen = een …

duel

55

een deel van een wedstrijd = een …

ronde

56

Internationale sportwedstrijden die om de 4 jaar georganiseerd worden = de … …

Olympische Spelen

57

de laatste en belangrijkste wedstrijd van een toernooi = …

de finale

58

de plaats waar een voetbalwedstrijd gehouden wordt = …

het stadion

59

een grote zaal voor sport = …

de sporthal

60

Ik ben een hevige … . Ik steun mijn ploeg in alles!

supporter

61

naar een lagere positie moeten gaan = …

degraderen

62

naar een hogere positie moeten gaan = …

promoveren

63

Welk substantief kan je maken van 'springen'?

de sprong

64

de koers = …

de race

65

de coureur = …

de wielrenner

66

het moment waarop de wedstrijd begint = …

de start

67

de finish = …

de aankomst

68

de weg die je tijdens de wedstrijd volgt = …

het parcours

69

bij deze sport vecht je met je handen en sla je hard = …

het boksen

70

de coach = …

de trainer

71

Iets vaak oefenen om er beter in te worden = …

trainen

72

de plaats waar je je omkleedt = …

de kleedkamer

73

Wat zijn de tijden van DUIKEN?

dook, heeft gedoken

74

tennis spelen = …

tennissen

75

volleybal spelen = …

volleyballen

76

Noem 2 wintersporten.

skiën, schaatsen

77

de ploeg = …

het team

78

Het aantal punten dat iemand behaald heeft in een wedstrijd = …

de score

79

het doel = …

de goal

80

Iemand die het team leidt heet de …

aanvoerder

81

De … controleert of de regels van het spel gevolgd worden.

scheidsrechter

82

een voetbalploeg = …

het elftal

83

de vervanger = …

de reserve

84

iemand die voetbal speelt = …

de voetballer

85

de keeper = …

de doelman

86

de goal = …

het doelpunt

87

schoppen = …

trappen

88

contact met je lichaam maken = … (verbum)

raken

89

een punt maken in een wedstrijd = …

scoren

90

iemand die naar een wedstrijd gaat kijken = …

de toeschouwer

91

het theater = …

de schouwburg

92

de plaats waar je kaartjes koopt = …

de kassa

93

een voorstelling = ...

de show

94

het toneel = …

het theater

95

een verhaal dat zich in het theater afspeelt = …

het toneelstuk

96

een rol spelen in een toneelstuk = …

toneelspelen

97

oefenen voor een toneelstuk of een film = …

repeteren

98

een stuk van een film of een toneelstuk = …

de scène

99

een voorstelling om te lachen met liedjes en toneelstukjes = ...

het cabaret

100

de spot = …

de schijnwerper

101

het toneelgordijn = …

het doek

102

Als mensen in hun handen klappen dan geven ze een …

applaus

103

op televisie laten zien of op radio laten horen = …

uitzenden

104

Met de … kan je de televisie van kanaal veranderen vanuit je zetel.

afstandsbediening

105

Met de afstandsbediening kies je andere programma's. Dit heet …

zappen

106

Het feest waarbij mensen zich verkleden en gek gedragen heet …

carnaval

107

Met Pasen vind je allemaal … in je tuin.

paaseieren

108

Sinterklaas = …

de Sint / Sint-Nicolaas

109

De persoon die de Sint helpt heet …

Zwarte piet

110

het moment dat iemand aankomt = …

de aankomst

111

het cadeau = …

het geschenk

112

decoreren = …

versieren

113

de decoratie = …

de versiering

114

een feest omdat mensen trouwen = …

de bruiloft

115

Er hangt echt een leuke … op het feestje.

sfeer

116

In het … gaat bijna iedereen op reis.

hoogseizoen