TW5 A2 2015 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW5 A2 2015 > Flashcards

Flashcards in TW5 A2 2015 Deck (118):
1

Geef een substantief voor ETEN?

het eten

2

Wil je een glas … sinaasappelsap? Ik heb net sinaasappels geperst.

vers

3

vers ><

rot

4

Cola zit in een flesje of in een …

blikje

5

Wat zijn de tijden van BEWAREN?

bewaarde bewaard

6

Van … wordt wijn gemaakt.

druiven

7

Je moet elke dag … en fruit eten.

groenten

8

Ketchup wordt gemaakt van …

tomaten

9

Bij de frituur kun je verschillende … krijgen met garnalen, kaas of vlees.

kroketten

10

Koekjes bewaren we in de …

koektrommel

11

Er staan 18 kaarsjes op mijn …, want ik ben vandaag 18 jaar geworden.

taart

12

Bij de koffie neemt oma altijd een …

gebakje

13

Als ik keelpijn heb, doe ik wat … in mijn thee.

honing

14

Als de kinderen lief zijn geweest, krijgen ze een …

snoepje

15

Wat zijn de tijden van SNOEPEN?

snoepte, gesnoept

16

België staat bekend om het bier en de …

chocolade

17

ham =

hesp

18

Iets wat weinig vet bevat, is …

mager

19

Een stof die je dik maakt =

het vet

20

Opa eet elke morgen eieren met …

spek

21

Wat zijn de tijden van KLAARMAKEN?

maakte klaar, klaargemaakt

22

Wat zijn de tijden van VULLEN?

vulde, gevuld

23

Voor de salade … ik de komkommer en tomaten in stukjes.

snijd

24

Om een cake te bakken, moet je eerst het meel, de suiker en de melk goed …

mengen

25

Wat zijn de tijden van TOEVOEGEN?

voegde toe, toegevoegd

26

Welke … heb je gebruikt om deze saus te maken?

ingrediënten

27

eten tot alles weg is =

opeten

28

Voordat de kok de soep aan zijn gasten geeft, … hij eerst zelf of het goed smaakt.

proeft

29

Wat zijn de tijden van SMAKEN?

smaakte, heeft gesmaakt

30

Heeft iedereen soep? Nou, eet … dan.

smakelijk

31

een bruine frisdrank =

cola

32

vruchtensap van sinaasappels =

sinaasappelsap

33

vruchtensap van appels =

appelsap

34

vruchtensap van citroenen =

citroensap

35

Ik zal alvast water in de waterkoker doen voor de …

thee

36

Van … word je dronken.

alcohol

37

het biertje =

het pintje/het pilsje

38

Een drankje met alcohol dat je voor het eten drinkt =

de/het aperitief

39

lekker ><

vies

40

erg warm =

heet

41

Aardbeien smaken …

zoet

42

Citroenen smaken …

zuur

43

Zeewater is heel …

zout

44

met weinig smaak =

flauw

45

Sara houdt niet van de … smaak van witlof.

bittere

46

heel erg pikant = ...

heet

47

Ik gebruik niet veel kruiden, alleen wat zout en …

peper

48

Bij het avondeten zet mama altijd een … met water op tafel.

kan

49

het theelepeltje =

het koffielepeltje

50

De sla doe je in een … en zet je op tafel.

schaal/kom

51

Eten bakken doe je in een …

pan

52

de maaltijd =

het maal

53

het gerecht =

de schotel

54

Wat zijn de tijden van SCHEPPEN?

schepte, geschept

55

's ochtends eten =

ontbijten

56

eten aan het begin van de middag =

lunchen

57

de maaltijd die je 's avonds eet =

het avondeten

58

Mag ik een … van jouw gerecht? Ik wil eens proeven.

hapje

59

Vis kun je bakken met boter of …

olie

60

Bij de frietjes moet je wat … eten.

mayonaise

61

een rode soep gemaakt van tomaten =

tomatensoep

62

Eerst eten we een soep, dan het … en daarna nog wat ijs,

hoofdgerecht

63

het dessert =

het toetje

64

adjectief van "het voordeel"

voordelig

65

van goede kwaliteit =

degelijk

66

kledingstukken =

kleren

67

Kleding wordt gemaakt van …

stof

68

kleren aandoen =

zich aankleden

69

kleren uitdoen =

zich uitkleden

70

Wat zijn de tijden van OPZETTEN?

zette op, opgezet

71

erg bijzonder en duur =

exclusief

72

het jasje =

de/het colbert

73

het (over)hemd =

het shirt

74

Als ik het koud krijg, doe ik wel een … aan.

trui

75

de blouse =

de bloes

76

Ik doe mijn … aan, want het regent buiten.

regenjas

77

Mijn broek heeft hele kleine …, mijn GSM past er niet in.

zakken

78

Als het koud is, draag ik een … rond mijn nek.

sjaal

79

Voordat ik mijn schoenen aandoe, trek ik eerst … aan.

sokken

80

Lange sokken, dat zijn ...

kousen

81

Vrouwen hebben altijd een … bij voor hun persoonlijke spullen.

handtas

82

Als mensen trouwen, geven ze elkaar een …

ring

83

Onder je gewone kleren draag je …

ondergoed

84

Een zebra heeft zwarte en witte …

strepen

85

Een man die iets verkoopt =

de verkoper

86

Een vrouw die iets verkoopt =

de verkoopster

87

Wat zijn de tijden van BEDIENEN?

bediende, bediend

88

Wat zijn de tijden van RONDKIJKEN?

keek rond, rondgekeken

89

de groenteman =

de groenteboer

90

de boekwinkel =

de boekhandel

91

het bedrijf =

de zaak

92

Wat zijn de tijden van BIEDEN?

bood, geboden

93

Wat zijn de … van de bibliotheek? Wanneer is de bib open?

openingstijden

94

sluiten =

dichtdoen

95

gesloten worden =

dichtgaan

96

gesloten met een sleutel =

op slot

97

een hoeveelheid geld =

het bedrag

98

Er was een speciale … bij mijn favoriete winkel: 2 artikelen voor de prijs van 1.

actie

99

Als een artikel voor een korte periode goedkoper is dan gewoonlijk, is het een …

aanbieding

100

inclusief =

inbegrepen

101

De prijzen in dit restaurant zijn … hoog; met 2 personen zijn we al 90 euro kwijt.

redelijk/vrij

102

Wat zijn de tijden van VERHOGEN?

verhoogde, verhoogd

103

De plaats waar je betaalt in een winkel =

de kassa

104

Helaas past het shirtje niet, maar ik kan het nog ruilen, want ik heb … bewaard.

de bon/het bonnetje

105

Mijn moeder loopt door de Delhaize en laadt de … helemaal vol.

winkelwagen

106

Ik eet alleen maar verse groenten, nooit uit …

blik

107

Dit product kunt u binnen 14 dagen met bonnetje nog …

ruilen

108

Ik vind deze schoenen … duur, normaal betaal je er veel minder voor.

te

109

Welke … zit beter, de S of de M?

maat

110

Een kledingstuk aantrekken om te zien of het de juiste maat is =

passen

111

Wat zijn de tijden van PASSEN?

paste, gepast

112

strak =

nauw

113

strak ><

wijd

114

munten =

kleingeld

115

het bankbiljet =

het briefje

116

Wat zijn de tijden van BESTEDEN?

besteedde, besteed

117

Geld besteden aan iets = geld ...

uitgeven

118

de creditcard =

de kredietkaart